van der Harst

1928 - 1928  (0 jaar)


Tijdlijn-breedte:      Verversen

Tijdlijn



Verwijderen
 



 




   Datum  Gebeurtenis(sen)
993 
  • 993—1524: Fries - Hollandse oorlogen
    De Fries-Hollandse oorlogen waren meerdere korte oorlogen (veldslagen en -tochten) in de middeleeuwen van Holland tegen Friesland en West-Friesland.
1012 
  • 1012—1323: Strijd tussen Vlaanderen en Holland om Zeeland Bewestenschelde
    Het rechtsgebied Zeeland Bewestenschelde werd van het begin van de 11e eeuw tot het begin van de 14e eeuw betwist door de graven van Vlaanderen en Holland. De kiem van het conflict werd gelegd in 1012, maar voor zover bekend is er pas in 1165 voor het eerst gevochten tussen beide partijen.[2] De militaire strijd, afgewisseld met lange perioden van gespannen vrede, duurde voort tot 1315, waarna in 1323 definitief te Parijs vrede werd gesloten.[3] Zeeland stond aanvankelijk bekend onder de Latijns naam maritima loca, letterlijk plekken aan zee. Tussen 1162 en 1189 werd de naam Zeelandia voor het eerst gebruikt. In dit gebied bevonden zich drie gouwen: Scaldis, Walachria en Bevelandia. Het belang van Zeeland lag zowel in de beheersing van de scheepvaartroutes en daarmee de tolinkomsten, als de aanwezigheid van zeeklei die de verbouwing van graan mogelijk maakte.
1203 
  • 1203—1206: De Loonse oorlog
    Graaf Dirk VII van Holland stierf op 4 november 1203 en had alleen dochters voortgebracht, waarvan bij zijn overlijden alleen zijn dochter Ada nog in leven was. Op zijn sterfbed liet hij weten met zijn broer Willem van Friesland te willen praten over zijn opvolging. Zijn vrouw, gravin Aleid van Kleef die in 1195 bij Alkmaar al eens een veldslag had gevoerd tegen Willem, wilde echter dat Ada de erfenis zou krijgen.[3] Omdat het Graafschap Holland een zwaardleen was en geen spilleleen, had Ada als vrouw geen recht om het graafschap te erven, maar Aleid probeerde dit toch voor elkaar te krijgen door haar snel met een man te laten trouwen.[4] Nog voor haar vaders begrafenis trad Ada, 15 jaar oud, met graaf Lodewijk II van Loon in het huwelijk, dat door haar moeder was gearrangeerd.[1] Op weg naar haar vaders begrafenis werd zij opgewacht door getrouwen van haar oom Willem, waarna zij zich in de burcht van Leiden verschanste.
1244 
  • 1244—1254: Vlaams-Henegouwse Successieoorlog
    De Vlaams-Henegouwse Successieoorlog was een serie feodale conflicten in het midden van de dertiende eeuw tussen de kinderen van Margaretha II van Constantinopel, de gravin van Vlaanderen. De inzet van de conflicten was de troon van het graafschap Vlaanderen enerzijds en het graafschap Henegouwen anderzijds. Toen Boudewijn I van Constantinopel, de graaf van Vlaanderen en Henegouwen, in 1202 met de Vierde Kruistocht naar Byzantium vertrok, liet hij het bevel over de twee graafschappen aan zijn oudste dochter Johanna van Constantinopel. Ondanks twee huwelijken, bleef Johanna kinderloos. Hierdoor kwamen de twee tronen in 1244 na de dood van Johanna bij diens jongere zuster, Margaretha, terecht. Uit een eerste huwelijk, dat reeds in 1221 ontbonden werd, had Margaretha al drie kinderen gekregen, waaronder Jan van Avesnes. In 1223 hertrouwde Margaretha met Willem II van Dampierre, waaruit de kinderen Willem III van Dampierre en Gwijde van Dampierre voortkwamen.
1337 
  • 1337—1453: Honderdjarige oorlog
    De Honderdjarige Oorlog was een reeks oorlogen, gevoerd van 1337 tot 1453, door het huis Valois en het huis Plantagenet, ook bekend als het huis Anjou, om de Franse troon, die vacant was door het uitsterven van het huis Capet, de eerste lijn van Franse koningen. Het Huis Valois maakte aanspraak op de titel van koning van Frankrijk terwijl de Plantagenets aanspraak maakten op zowel de troon van Frankrijk als van Engeland. De Plantagenets waren de heersers van het koninkrijk Engeland tijdens de 12e eeuw en hadden hun wortels in de Franse gebieden van Anjou en Normandië (het Angevijnse Rijk van Hendrik II van Engeland). Het conflict duurde 116 jaar, onderbroken door verscheidene periodes van vrede, voordat het uiteindelijk eindigde door het verdrijven van de Plantagenets uit Frankrijk (behalve uit Calais). Het resultaat was een overwinning voor het huis Valois. De oorlog had de Valois wel bijna geruïneerd, terwijl de Plantagenets zichzelf hadden verrijkt door plundering. Frankrijk leed sterk onder de oorlog omdat het grootste gedeelte van het conflict plaatsvond op Frans grondgebied. De "oorlog" was in feite een reeks van conflicten en wordt meestal onderverdeeld in drie of vier fasen: de Oorlog van Eduard (1337–1360), de Oorlog van Karel (1369–1389), de Oorlog van Lancaster (1415–1429) en het trage verval van de Plantagenets (1429–1453) na de verschijning van Jeanne d'Arc (1412–1431).
1346 
  • 1346—1351: Pestpandemie 'De Zwarte Dood'
    De Zwarte Dood is de naam voor een pandemie die tussen 1346 en 1351 in Europa woedde en vele slachtoffers maakte, soms tientallen procenten van de bevolking. De epidemie kostte wereldwijd tussen de 75 en 100 miljoen mensen het leven. De pestepidemie greep in de rampzalige veertiende eeuw met politieke en religieuze instabiliteit (Honderdjarige Oorlog en de Babylonische Ballingschap der pausen naar Avignon) en grondige klimaatveranderingen met misoogsten en hongersnood om zich heen.
1350 
  • 1350—1490: Hoekse en Kabeljauwse twisten
    Het conflict tussen de Hoeken en Kabeljauwen was een strijd tussen verschillende facties binnen de elite van het graafschap Holland. Adel en steden waren erbij betrokken. De strijd woedde bij tussenpozen vanaf de tweede helft van de 14e eeuw tot het eind van de 15e eeuw. De oorsprong van het conflict lag in het kinderloos overlijden op 26 september 1345 van de 38-jarige graaf Willem IV van Holland tijdens de Slag bij Stavoren. Door de huwelijkspolitiek van zijn vader, graaf Willem III, konden de koningen van Engeland en Frankrijk en de keizer van Duitsland alle drie aanspraak maken op de opvolging. Als opperleenheer beleende keizer Lodewijk IV zijn tweede vrouw Margaretha II van Henegouwen (of Margaretha van Holland), de oudste zuster van Willem IV, op 13 januari 1346 met de graafschappen Holland en Henegouwen. Willem had er een dure politiek op na gehouden, vooral door zijn vele veldtochten. Om die te financieren verstrekte hij tegen betaling privileges. Hij nam vertegenwoordigers van de steden op in het Hof van Holland. De steden groeiden in deze periode uit tot een belangrijke machtsfactor. Na het overlijden van Willem IV zagen edelen die niet in de raad waren opgenomen, hun kans afnemen om belangrijke posities en daarmee inkomsten voor zichzelf op te eisen. In de steden heerste onrust vanwege de zware financiële verplichtingen die men was aangegaan voor Willem IV. Margaretha en haar regent en oom Jan van Beaumont, de jongere broer van Willem III van Holland, konden deze verplichtingen niet voldoende verminderen en slaagden er niet in om de onrust weg te nemen. In september 1346 werd de dertienjarige Willem V, de vierde zoon van de voormalige keizer en diens tweede vrouw Margaretha, belast met het bestuur over Holland en Zeeland. Gezien zijn leeftijd bleef de macht nog in handen van Jan van Beaumont. Ondertussen was er nog steeds oorlog met de Friese landen en het Sticht Utrecht. Op 5 januari 1349 stelde Margaretha haar zoon aan als graaf en bedong daarbij een uitkering van 15.000 gulden en een jaargeld van 6.000 gulden. De ernstige financiële situatie werd nog verergerd door de eerste uitbraak van builenpest in de Lage Landen (Zwarte Dood). Onder deze omstandigheden wezen de steden en edelen deze uitkeringen af bij hun treffen in het toen nog Hollandse Geertruidenberg in maart 1349. Het gezag van Willem V boette hierdoor fors aan macht in.
1566 
  • 10 aug 1566—okt 1566: Beeldenstorm
    De Beeldenstorm was een vernieling op grote schaal van heiligenbeelden en andere objecten van katholieke religieuze plaatsen door protestanten in de Lage Landen, die plaatsvond tussen 10 augustus en oktober 1566. In die periode werden vele kerken geschonden en het interieur ervan vernield. De verscherpte tegenstellingen, die mede een gevolg waren van de Beeldenstorm, leidden indirect tot het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog en het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
1568 
  • 1568—1648: Tachtigjarige Oorlog
    De Tachtigjarige Oorlog was een strijd in de Nederlanden die in 1568 begon en eindigde in 1648, met een tussenliggende vrede (het Twaalfjarig Bestand) van 1609 tot 1621. De oorlog woedde in een van de rijkste Europese gebieden, de Habsburgse of Spaanse Nederlanden en richtte zich tegen een wereldmacht: het Spaanse Rijk onder koning Filips II, landsheer der Nederlanden, en zijn opvolgers Filips III en Filips IV. De eerste fase van de oorlog kan gekarakteriseerd worden als een opstand, een burgeroorlog, en staat bekend als de Nederlandse Opstand hoewel deze benaming soms voor de hele oorlog wordt gegeven. Vanaf 1588 veranderde het karakter in een geregelde oorlog. Aanvankelijk trokken de Lage Landen of de Zeventien Provinciën gezamenlijk op tegen de Spaanse overheerser. Na 1576 groeiden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden uit elkaar, doordat de Reformatie in het noorden dieper wortel schoot dan in het zuidelijke deel. De opmars vanuit het zuiden van het leger van de koning (verder 'Spaanse leger' genoemd) leidde in 1585 tot de Val van Antwerpen dat de scheiding van noord en zuid markeerde. Na Antwerpen zette het Spaanse leger door tot het grote delen van de in 1588 gevormde Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in handen had. Rond 1590 keerde het tij ten gunste van de Republiek en kwam het noorden en oosten terug in Staatse handen. In 1609 werd een wapenstilstand gesloten, het Twaalfjarig Bestand, hoewel de oorlog indirect werd voortgezet in Duitsland (Dertigjarige Oorlog). Na het hervatten speelde de oorlog zich voornamelijk af in het zuiden van de Republiek. Moegestreden werd in 1648 de Vrede van Münster getekend.
10 1570 
  • 1 nov 1570—2 nov 1570: Allerheiligenvloed
    De vloed, die dit jaar op den dag van Allerheiligen, 1 November, voorviel en daarom de Allerheiligenvloed genoemd wordt, was wel de ver-schrikkelijkste, die Scheveningen ooit te verduren heeft gehad. Het water stond in de kerk, de schepen dreven door het dorp. Andries van der Goes schreef in een brief, gedateerd 13 November 1570, het volgende. „Tot Schevelinge op de zeecant zijn in de CX huysen metten slach van der zee gansselijcken affgespoelt dat men nyet sien en mach, waer se ge-staen hebben, ende noch omtrent XL sulx bedurven, dat se nyet bewoen-baer en zijn, noch meer bewoent sullen worden, ende noch andere menichte van huijsen soo in de zjjdelmueren als in de gevelen ofte daecken gequetst, ende ontramponneert, sulcx dat 't IIIe huys nyet ongeschent en is geble-.ven. Alle de muerkens van 't kerckhoff aldaer zijn van 't waeter omme-. geslaegen ende de thoorendeur van den kercke opgeslagen, 't Waeter heeft in de kercke aldaer hoich gestaen IID/2 voeten ende twee duymen, als mijn brueder van der Meere my scryft, 'tselve op 's anderen daechs, als op alderzielendach, aldaer in persone geweest hebbende, gemeeten te hebben. In somma Schevelingen is bynae anders nyet dan een zeestrange." Opmerkelijk is het, dat bij zulk een groote materieele schade, slechts drie menschen het leven lieten. Ook verdient vermelding, dat, terwijl het dorp, gelegen vóór de kerk, geheel werd vernield, de kerk zelf zich staande hield. De kerk en de toren zijn in hoofdzaak nog dezelfde, zooals die na den storm van 1470 gebouwd werden.
11 1588 
  • 1588—1795: Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
    De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (Latijn: Belgium Foederatum) was tussen 1588 en 1795 een confederatie met trekken van een defensieverbond en een douane-unie. Ze besloeg grotendeels het grondgebied van het huidige Nederland. Zij verwierf in de 17e eeuw grote politieke en economische macht en speelde geruime tijd een hoofdrol op het wereldtoneel. Het einde kwam met de Franse invasie van 1792–1795, al was de neergang al eerder ingezet. De Republiek bestond uit acht soevereine staten: Stad en Lande (Groningen), Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Holland en Zeeland. Elke staat bestuurde zijn eigen gebied. Vertegenwoordigers van zeven staten (Drenthe viel hierbuiten) stuurden hun vertegenwoordigers naar de Staten-Generaal in Den Haag. Gebiedsdelen die zich buiten de acht provinciën bevonden maar wel tot het grondgebied van de confederatie behoorden, de zogenaamde generaliteitslanden, bevonden zich in de huidige Nederlandse provincies Noord-Brabant (Staats-Brabant) en Limburg (Staats-Overmaas en Staats-Opper-Gelre), in het huidige Zeeuws-Vlaanderen (Staats-Vlaanderen) en in het zuidoosten van Groningen (Wedde en Westerwolde). Opmerkelijk in de kleine republiek van ca. 1,5 miljoen inwoners was het succes van de Nederlandse wereldhandel via de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), de West-Indische Compagnie (WIC), en die op de Oostzee, de grote militaire successen tegenover ogenschijnlijk veel sterkere landen als Spanje en Engeland, de enorme vloot (met 2000 schepen groter dan die van Engeland en Frankrijk samen), en de bloei van kunsten (Rembrandt en vele anderen), rechtsgeleerdheid (onder anderen Hugo de Groot), en wetenschap, waarbij internationale nieuwe ideeen werden omarmd, zoals een heliocentrisch wereldbeeld. Dit ging gepaard met voor die tijd relatief grote geestelijke vrijheid.
12 1652 
  • 29 mei 1652—8 mei 1654: Eerste Engels-Nederlandse Oorlog
    De Eerste Engels-Nederlandse Oorlog of Eerste Engelse Zeeoorlog, was een oorlog, geheel op zee bevochten, tussen het Engelse Gemenebest en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, van 29 mei 1652 tot 8 mei 1654. In de vroege 17e eeuw beschikten de Nederlanders over een gigantische handelsvloot, groter dan de vloten van alle Europese landen bij elkaar. Ze hadden een zeer dominante positie in de Baltische handel en een belangrijk deel in handen van de scheepvaart op de rest van Europa. Ze veroverden verder nog grote delen van de Portugese koloniën, waaronder die in het door de specerijenhandel zeer profijtelijke Oost-Indië. In dat gebied werden de Engelsen steeds verder uitgesloten, maar de Nederlanders smokkelden met een beroep op het principe van de vrije zee wel met Engelands Noord-Amerikaanse koloniën. Na de Vrede van Münster in 1648 namen de Nederlanders de traditionele handel van Engeland met Spanje en Portugal over, wat in Engeland een enorm ressentiment opriep. Het welvaartsverschil tussen de Republiek en Engeland werd tussen 1600 en 1650 steeds groter. Steeds openlijker en luider werd in Engeland de roep gehoord de Nederlandse positie met geweld over te nemen, waarbij er vaak op gewezen werd dat Engeland door zijn ligging een natuurlijk geografisch voordeel bezat. De Engelse koningen bleven echter lang Spanje als de hoofdvijand zien. Tot 1634 waren de protestantse Nederlanders en Engelsen natuurlijke bondgenoten geweest tegen het katholieke Spanje; dat jaar sloten Engeland en Spanje een geheim verdrag om de Nederlandse blokkade van Duinkerke te omzeilen met neutrale Engelse schepen, terwijl Engeland in dat decennium langzaam een aantal zeer grote oorlogsschepen begon te bouwen. De verhoudingen tussen het Huis van Oranje en het Huis Stuart bleven echter goed; juist die goede relaties zouden echter via een omweg tot oorlog leiden.
13 1653 
  • 1653—1653: Storm, duinafslag
    In den aanvang van dit jaar werd te Scheveningen een gedeelte der duinen weggerukt, twee zware oorlogsschepen werden door de woedende zee over de banken gesmakt en op strand geworpen.
14 1665 
  • 1665—1665: Storm, duinafslag
    De zee sloeg nu en dan over de buitenste duinrij en de kerk stond rondom in het water.
  • 1665—1667: Tweede Engels-Nederlandse Oorlog
    De Tweede Engels-Nederlandse Oorlog was een oorlog tussen Engeland en de Republiek der Verenigde Nederlanden die van 1665 tot 1667 duurde. Voorafgegaan door de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog was ook dit een oorlog die zich vrijwel geheel op zee afspeelde, waarbij de sterkte van de vloot doorslaggevend zou blijken. Oorzaken voor het uitbreken van deze oorlog zijn te vinden in de constante conflicten tussen de Republiek en Engeland in de koloniale gebieden en nederzettingen. Zo veroverden de Engelsen in het jaar 1664 Curaçao en Nieuw-Amsterdam en nam de Engelse ex-kaapvaarder Robert Holmes zonder duidelijk mandaat enkele Nederlandse forten op de West-Afrikaanse kust in. De Nederlanders stuurden daarop Michiel de Ruyter naar deze forten, die ze prompt heroverde. In die tijd maakten de Engelsen zo'n 200 Nederlandse koopvaarders buit. Ook de Engelse Scheepvaartwetten die onder andere de export door andere landen van Britse (en dus Brits-Amerikaanse) producten naar niet-Engelse landen verboden, waren een doorn in het oog van de Nederlanders, vooral omdat ze misbruikt werden als voorwendsel om Nederlandse schepen in beslag te nemen. Directe aanleiding voor het uitbreken van de Tweede Engelse Oorlog was de bemoeienis van de Engelse koning Karel II met het Nederlandse stadhouderschap tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk: hij wilde dat de jonge Willem III van Oranje-Nassau stadhouder zou worden en hoopte door het bespelen van orangistische gevoelens de Nederlanders tegen elkaar uit te spelen. De schijn van zwakte die de tegenstellingen in de Republiek wekten, gaven de handelselite van Engeland de valse hoop dat ze de positie van dominante handelsnatie zelf konden overnemen door simpelweg alle handelsroutes van de Republiek te blokkeren. De oorlogsstemming werd zo sterk dat de tamelijk terughoudende Karel er geen weerstand meer aan kon bieden.
15 1672 
  • 1672—1674: Derde Engels-Nederlandse Oorlog
    De Derde Engels-Nederlandse Oorlog was de derde oorlog tussen koninkrijk Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De oorlog duurde van 1672 tot 1674. De oorlog was een deel van de Hollandse Oorlog. Hoewel Engeland, Nederland en Zweden de Triple Alliantie tegen Frankrijk hadden gesloten in 1668, tekende Karel II van Engeland op persoonlijke titel het geheime Verdrag van Dover met Frankrijk in 1670. Als gevolg van dit verdrag was Engeland, in ruil voor Franse subsidies aan Karel, gedwongen om Frankrijk te volgen toen het Nederland aanviel in 1672. Overigens was Karels hele politiek erop gericht geweest de verhouding tussen Frankrijk en Nederland te laten verzuren: de anti-Franse alliantie was hij alleen maar aangegaan om de beide bondgenoten uit elkaar te drijven. Hij verried aan Lodewijk XIV dat het Verdrag van Aken een geheime annex bevatte om de Spaanse Nederlanden te steunen, als Frankrijk de Devolutieoorlog niet zou stoppen. Lodewijk was zwaar beledigd en zwoer de Republiek te vernietigen. Karel had in 1667 al een bondgenootschap aan Lodewijk voorgesteld maar daar wilde Lodewijk niet op ingaan zolang de Nederlanders zich aan het militaire assistentieverdrag van 1662 hielden. Met behulp van Karels zuster, de schoonzus van Lodewijk, kwam het Verdrag van Dover tot stand. Zo wilde Karel revanche nemen voor de vernederende nederlaag hem toegebracht door de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, met name de Tocht naar Chatham. Behalve subsidies zou Karel na een overwinning ook Cadzand, Sluis en Walcheren als kroonbezit verwerven.
  • 1672—1678: Hollandse Oorlog (Frans-Nederlandse oorlog)
    De Hollandse Oorlog (1672-1679) of de Frans-Nederlandse Oorlog begon toen Frankrijk de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden binnenviel wegens zijn streven naar natuurlijke grenzen. De Republiek schitterde in de Hollandse beginfase (1672-1674) van de strijd toen ze de Franse en Engelse vloten afweerde in de Derde Engelse Zeeoorlog, en uiteindelijk de Franse, Keulse en Münsterse inval terugsloeg. Toch was 1672 een Rampjaar, omdat de kosten van de militaire verrichtingen mede de Gouden Eeuw beëindigden. Lodewijk XIV van Frankrijk keerde zich tegen de Zuidelijke Nederlanden en paste er vanaf 1673 de tactiek van de verschroeide aarde toe. In de afleidingsfase (1674-1676) begon Engeland Frankrijk te opponeren, terwijl de keizer en Brandenburg-Pruisen de Fransen bestookten in de Elzas, waarop Lodewijk XIV afleidingen creëerde door Siciliës opstand tegen Spanje te steunen en door Zweden Brandenburg te laten aanvallen, waarop de Schoonse Oorlog van Denemarken tegen Zweden volgde. Pas in de slotfase (1677-1678) boekten Frankrijk en Zweden opnieuw zeges, waardoor Lodewijk XIV de oorlog kon afsluiten met gebiedswinst in de Franche-Comté, in de Zuidelijke Nederlanden en de Cariben. De Vrede van Nijmegen van Frankrijk met de Republiek (augustus 1678), met Spanje (september 1678) en met Zweden en de keizer van Duitsland (februari 1679) en de Vrede van Saint-Germain tussen Frankrijk en Brandenburg-Pruisen (juni 1679) sloten de Hollandse Oorlog af. Frankrijk boekte gebieds- en prestigewinst, maar tegelijk geopolitiek verlies. Er ontstond namelijk een Engels-Nederlands blok dat tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) zeer succesvol tegen Frankrijk zou blijken.
16 1675 
  • 4 nov 1675—5 nov 1675: Noordwesterstorm
    De storm woei uit het Noordwesten. Tusschen Scheveningen en Tessel vergingen dertien schepen. Het strand was bezaaid met lijken, wrakhout en koopmansgoederen.
17 1715 
  • 4 mrt 1715—5 mrt 1715: Storm
    Te Scheveningen strandden tijdens den storm twee Engelsche schepen de Benjamin and Joseph en de Supply Galley; het laatste sloeg geheel uit een.
18 1775 
  • 14 nov 1775—15 nov 1775: Storm, overstroming
    Scheveningen werd voor de helft door de zee overstroomd. De afspoeling der duinen bedroeg wel dertig voet en de kruinen der overgebleven duinen gingen verloren. De 's-Gravenhaagsche Courant schreef o.a. „Door den zwaren storm is er een Visschers Pink, te Scheveningen thuis hoerende ontramponeerd, benoorden Katwijk komen aandrijven, zijnde de vijf mannen en een jongen, die daarop geweest waren, alle verongelukt. Wijders kan men op het gemelde Dorp, den jammerlijken toestand, waarin de verdere Visscherspinken gesteld zijn, zonder aandoening niet beschouwen, zijnde dezelve daar ze op Strand ten Anker lagen, door de woedende Zee en geweldigen Wind daar afgerukt en dermaten tegen elkan-der gestooten, dat de meeste van dezelven, deels zonder gerepareerd te worden buiten staat zijn om weder uit te gaan, deels zoodanig gesteld, dat men bezig is met dezelven te slegten." De schade werd geschat op ƒ 17.000; enkele bommen werden naar Kat-wijk gebracht omdat er scheepstimmerlieden te Scheveningen tekort kwamen. Tusschen Zandvoort en Scheveningen verongelukten 11 schepen. Zondag 19 November lag er nog een driemastschip voor Scheveningen, dat een noodschot deed. Door den Prins Erfstadhouder (Willem V) die het tooneel bijwoonde, werden 20 ducaten beloofd aan de visschers, die met een pink er heen zouden gaan. 's Avonds waagde men het, maar het driemastschip was reeds bij den vloed losgekomen. De pink vond, Westwaarts zeilende, nog drie schepen, die ook in gevaar verkeerden. Eén daarvan was gebersten en masteloos, de bemanning uit 7 man werd door de Scheveningers gered. Op het strand dreven groote vaten met Spaanschen wijn aan.
19 1780 
  • 1780—1784: Vierde Engels-Nederlandse Oorlog
    De Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784) was een oorlog tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Groot-Brittannië. Pas in mei 1781 verklaarde de Republiek de oorlog aan Engeland, nadat dat land dat op 20 december 1780 had gedaan. De eerdere drie zeeoorlogen hadden de hegemonie op zee als inzet. De vierde droeg meer het karakter van een Britse strafexpeditie, vanwege de Republikeinse "smokkel-steun" aan de rebellen ten tijde van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Met de Glorieuze Revolutie van 1688 kwam er een einde aan de rivaliteit tussen Engeland en Nederland, doordat stadhouder Willem III van Oranje-Nassau naast Maria II van Engeland op de Engelse troon kwam. Deze manoeuvre werd echter langzaam de ondergang van de Nederlandse dominantie in de handel en daarmee op zee. De kooplieden begonnen Londen als nieuwe operatiebasis te gebruiken. De groei van de Nederlandse economie zwakte af. Vanaf 1720 was er zelfs sprake van achteruitgang, en rond 1780 lag het inkomen per hoofd van de bevolking in Groot-Brittannië boven dat in Nederland. Jaloezie speelde nu een rol aan Nederlandse zijde, wat zich onder andere uitte in steun aan de rebellen in de Amerikaanse koloniën, die zich tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog probeerden los te maken van het Britse Rijk. Wapens en munitie werden naar de kolonie Sint Eustatius verscheept, waar ze vervolgens tot woede van de Engelsen aan de Amerikanen werden doorverkocht. Alhoewel de Engelsen protesteerden, ging de smokkelhandel gewoon door. In 1778 verklaarde Frankrijk aan Engeland de oorlog, Spanje sloot zich aan bij Frankrijk. Engeland vroeg de Republiek om militaire en maritieme steun, maar de Republiek verkoos neutraal te blijven en dreigde zich aan te sluiten bij het Verbond van Gewapende Neutraliteit. Toen de Engelsen vervolgens in 1780 de zojuist benoemde Amerikaanse ambassadeur Henry Laurens, op weg naar zijn post in de Nederlanden, oppakten, visten ze daarbij een kistje met een geheim verdrag uit het water dat de ambassadeur overboord had gegooid. De Engelsen grepen het verdrag tussen de stad Amsterdam en de Amerikaanse rebellen aan om op 20 december de Republiek de oorlog te verklaren.
20 1789 
  • 1789—1815: Napoleontische oorlogen
    De Franse revolutionaire en napoleontische oorlogen, samen ook wel Coalitieoorlogen of Franse oorlogen[4] genoemd, waren zeven grote en enkele kleinere oorlogen die de Europese mogendheden van 1792 tot 1815 voerden tegen het revolutionaire Frankrijk en na 1799 tegen Napoleon.[5] De term wordt in ruime zin ook wel gebruikt voor de gehele periode van oorlog tegen Frankrijk,[4] waarin tussen de eigenlijke Coalitieoorlogen door soms mogendheden afzonderlijk in oorlog met Frankrijk waren.
21 1796 
  • 1 mrt 1796—5 jun 1806: Bataafse Republiek
    De Bataafse Republiek (1795–1806) (in de toenmalige spelling Bataafsche Republiek), vanaf 1801 het Bataafs Gemenebest geheten, was een republiek die het grootste gedeelte van het huidige Nederland omvatte. De republiek was gevormd naar voorbeeld en met militaire steun van de Franse Republiek, waarvan de Bataafse Republiek een zusterrepubliek was en de facto een vazalstaat. Op 1 maart 1796 kwam voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis een nationaal en democratisch gekozen parlement bij elkaar. Aan de Bataafse Republiek kwam een einde bij de stichting van het Koninkrijk Holland in 1806. De Bataafse Republiek werd genoemd naar de Bataven, een Germaanse stam die ten tijde van Julius Caesar de Nederlandse delta bewoonde. Vooral in de zeventiende en achttiende eeuw werden zij gezien als voorlopers van het Nederlandse volk en stichters van een zelfstandige Nederlandse natie. Aan het einde van de achttiende eeuw werd ook op politiek vlak op deze Bataafse mythe teruggegrepen.
22 1806 
  • 5 jun 1806—9 jul 1810: Koninkrijk Holland
    Het Koninkrijk Holland (toenmalige spelling: Koningrijk Holland) was de officiële naam van Nederland tussen 1806 en 1810. Het was een zusterrepubliek of vazalstaat van het Eerste Franse Keizerrijk van Napoleon Bonaparte. Napoleon stelde zijn derde broer, Lodewijk Napoleon Bonaparte, aan als koning van Holland.
23 1810 
  • 9 jul 1810—21 nov 1813: Eerste Franse Keizerrijk
    Het Franse Keizerrijk (1804-1814/1815), ook bekend als het Grotere Franse Keizerrijk, Eerste Franse Keizerrijk of Napoleontisch Keizerrijk, was het keizerrijk van Napoleon I van Frankrijk. Het was de dominantie van Frankrijk over een groot deel van het vasteland van Europa in de vroege 19e eeuw.
24 1813 
  • 21 nov 1813—16 mrt 1815: Soeverein vorstendom der Verenigde Nederlanden
    Het Soeverein vorstendom der Verenigde Nederlanden (21 november 1813 - 16 maart 1815) was de voorloper van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden toen eind 1813 de overwinnaars van Napoleon een staatkundige herinrichting van Europa bewerkstelligden die uiteindelijk zou worden vastgelegd door het Congres van Wenen. In deze periode werd invulling gegeven aan de grenzen van het gebied dat grofweg aan erfprins Willem was toegezegd of waar hij aanspraken op maakte. Bij het trekken van de nieuwe landsgrenzen herkreeg de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die deel had uitgemaakt van het Eerste Franse Keizerrijk, haar onafhankelijkheid als staat; haar staatsvorm werd echter gewijzigd tot een monarchie. De proclamatie door het Driemanschap van 1813 van het Vorstendom der Verenigde Nederlanden werd op 21 november 1813 uitgeroepen.[1] De toenmalige erfprins Willem Frederik van Oranje-Nassau werd op 2 december in Amsterdam als vorst ingehaald,[2] nadat hij op 30 november in Scheveningen per schip vanuit Engeland was aangekomen. Dit vorstendom betrof echter aanvankelijk enkel de zogeheten Noordelijke Nederlanden. Bij het trekken van de nieuwe landsgrenzen herkreeg de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die deel had uitgemaakt van het Eerste Franse Keizerrijk, haar onafhankelijkheid als staat; haar staatsvorm werd echter gewijzigd tot een monarchie. De proclamatie door het Driemanschap van 1813 van het Vorstendom der Verenigde Nederlanden werd op 21 november 1813 uitgeroepen.[1] De toenmalige erfprins Willem Frederik van Oranje-Nassau werd op 2 december in Amsterdam als vorst ingehaald,[2] nadat hij op 30 november in Scheveningen per schip vanuit Engeland was aangekomen. Dit vorstendom betrof echter aanvankelijk enkel de zogeheten Noordelijke Nederlanden. Met het Verdrag van Parijs in 1814 werd min of meer beslist tot het afstaan van de Zuidelijke Nederlanden (België en Luxemburg) door Frankrijk.
25 1815 
  • 1815—1830: Verenigd Koninkrijk der Nederlanden
    Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, officieel in het Nederlands Koninkrijk der Nederlanden, in het Frans royaume des Belgiques, was een staat van 1815 tot 1830 die het grondgebied van het huidige Nederland en België omvatte en die in een personele unie met het groothertogdom Luxemburg stond. Het woord "verenigd" is achteraf toegevoegd door historici, om het onderscheid te maken met het hedendaagse Koninkrijk der Nederlanden. In België wordt deze periode wel het Hollands Tijdvak genoemd. Het woord "verenigd" slaat hier op de toevoeging van ongeveer het grondgebied van het huidige België ("de zuidelijke provinciën"). In de korte voorafgaande periode 1813-1815 werd met "Verenigde Nederlanden" de vereniging van provincies aangeduid die op ongeveer het grondgebied van het huidige Nederland lagen en van de voorafgaande Bataafse Republiek (1795-1806). Deze waren in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden "de noordelijke provinciën".[5]
  • 14 apr 1815—15 apr 1815: Storm, drie pinken vergaan.
    In de nacht van 14 op 15 april 1815 vergingen er door storm een drietal Scheveningse visserspinken. Achtien Scheveningers kwamen daar bij om. De namen van de scheepjes zijn niet achterhaald waarbij ook niet kon worden vastgesteld wie- zich op welke pink bevond.
26 1825 
  • 3 feb 1825—4 feb 1825: Storm, duinafslag
    Een storm van langen duur. De zeewering spoelde op enkele plaatsen over een breedte van 12 Meter weg. De 's-Gravenhaagsche Courant schreef: „In de akeligheden van den storm, die in de laatste dagen gewoed heeft, hebben ook de ingezetenen van het dorp Scheveningen wederom in ruime mate gedeeld. Nauwelijks was de visschersvloot in zee gestoken, of zij werd door den geweldigen orkaan gedwongen naar land terug te keeren,'hetwelk niet, dan met het uiterste gevaar mogelijk was. Vijftien schuiten hebben den storm in diep zee doorstaan, ze landden eenige dagen later behouden aan het strand. Eén vaartuig verging met 7 man. Maar de op strand staande pinken werden door en tegen elkaar geslagen en tegen de duinen geworpen, de schade is groot. Drie op elkaar volgende vloeden van Donderdagmiddag, Donderdagnacht en Vrijdagnamiddag waren zóó geweldig, dat de laatste vier en dertig jaren daarvan geen voorbeeld hadden opgeleverd. De vóórbergketen of duinzand is geheel afgespoeld zoo zelfs, dat het badhuis van den heer Pronk gevaar liep in te storten."
27 1830 
  • 1830—1839: Belgische Onafhankelijkheidsoorlog
    De Belgische Revolutie, Belgische Omwenteling of Belgische Opstand is de gewapende opstand in 1830 tegen koning Willem I der Nederlanden die tot afscheiding van de zuidelijke provincies leidde en tot de onafhankelijkheid van België. Na de Franse Revolutie en de val van Napoleon hadden toenmalige grootmachten zoals de Duitse staten en het Verenigd Koninkrijk een bufferzone gecreëerd door de Belgische gebieden toe te wijzen aan het nieuwe Nederlandse koninkrijk. Dit was gebeurd zonder binnenlandse inspraak.
28 1832 
  • 25 jun 1832—25 aug 1832: Cholera epidemie
    De eerste Scheveninger die werd aangetast was de 48-jarige stuurman Leendert Evertse Knoester, dat was op den 25n Juni; hij herstelde. Bij onderzoek bleek dat hij eenige dagen te voren op zee van den schipper van een Vlaardingsche vischhoeker een vaatje met drinkwater had gekregen; dat water was afkomstig van de Maas. Alle opvarenden hadden er van gedronken, maar Knoester bn'zonder veel. Den 2n Juli kwamen de eerste gevallen met doodelijken afloop voor bij drie zeelieden; ze werden, na in de ln'kkamer op de begraafplaats ge-schouwd te zijn, den volgenden dag begraven. Die schouwing bewees dat men wel degelijk met cholera asiatica te doen had. Van den 14n tot den 24n Juli nam de ziekte in hevigheid toe; zoo wer-den op den 16n twintig menschen aangetast, waarvan er 14 overleden en op den 19n stierven er 16 van de 19 aangetasten. De gevallen liepen meestal af in 4 tot 6 uur. Tegen het eind van Augustus was de ziekte geweken. In het geheel werden aangetast 614 en daarvan stierven 286 personen; Geen wonder dat in die dagen de verslagenheid te Scheveningen alge-meen was. De loop van de ziekte te Scheveningen en in Den Haag was volgens officieele gegevens: Scheveningen: Juli 183, Aug. 102, Sept. 1., Oct. 0. Den Haag: Juli 31, Aug. 194, Sept. 38, October 5
29 1849 
  • 20 jun 1849—30 sep 1849: Cholera epidemie
    Zeventien jaar na de epidemie van 1832 vertoonde zich de cholera te Scheveningen opnieuw; ditmaal wferd de ziekte waarschijnlijk van 's-Gra-venhage naar Scheveningen overgebracht, want zij maakte daar de eerste slachtoffers, gelijk uit het hieronder volgende staatje blijkt. De meeste gevallen kwamen voor in de maand Augustus, in de week van den 19den tot den 26n stierven niet minder dan 100 personen aan de ziekte. Eerst in het laatst van September kon zij als geweken beschouwd worden. * s;-S Vele honderden ingezetenen werden aangetast, van alle rangen en stan-den, maar evenals voorheen kwamen toch de meeste gevallen in de lagere standen voor. in Scheveningen. in Den Haag. April — 2 Mei — 6 Juni 2 124 Juli 52 123 Augustus 375 184 September 31 128 October *-
30 1860 
  • 27 mei 1860—29 mei 1860: Pinksterstorm
    Op 27 mei 1860, het was op de eerste pinksterdag, het stormde behoorlijk. De dag erna groeide de storm uit tot een orkaan. Het Haagse Bos en de Scheveningseweg verloren meer bomen dan menigeen zich kon herinneren. "Het Voorhout, nog voor weinige uren een lusthof, is als een ru?ne herschapen; er zijn aldaar meer boomen omgewaaid dan misschien bij eenigen storm te voren" meldde een krantenbericht van destijds. Langs het strand van Scheveningen leden het Stedelijk Badhuis, hotel Garni, de `muziektempel' van de Vereeniging Zeerust en enkele villa's veel schade. Voor het dorp strandde het Britse stoomschip Theresia waarvan de bemanning gered kon worden. Gedurende de storm waren er van Scheveningen nog ruim vijftig visserspinken in zee. Enkele pinken die terugkeerden brachten de tijding dat er op de kust tal van omgeslagen vrachtschepen, groot en klein, als wrakken langs de kust dreven. Na het bedaren van de storm kwam van tijd tot tijd een pink in het zicht van de wal. Bezorgde families spoedden zich daarop haastig naar het strand. Een droevig voorbeeld daarvan was het aankomen van de pink `Vrouw Engeltje' van reder Dominicus Bruin met stuurman Benjamin Keus. Al spoedig herkende de wachtenden het rouwteken in de mast van de pink; het ontbreken van de pronkvaan. Enkele gebaren van de schepelingen maakten duidelijk wie de omgekomene was. Uit de wachtenden aan het strand maakte een vrouw zich los en vertrok wenend terug naar haar woning, aldus de plaatselijke berichten van destijds. Hoewel niet nadrukkelijk vermeld betreft het hier zonder twijfel de 44-jarige Adriana Pronk-Plugge. Haar man de 43-jarige Dirk Pronk was tijdens de storm voor Texel overboord geslagen en verdronken. Veel Scheveningse gezinnen verkeerde de dagen daarna dan ook in grote onzekerheid. Uiteindelijk werd duidelijk dat de orkaan aan 32 Scheveningse vissers het leven had gekost. De voorjaarsstorm van 1860 zou nadien blijvend de geschiedenis ingaan als de Pinksterstorm. De toenmalige meteoroloog Buys Ballot, oprichter van het KNMI, ijverde daarna voor het invoeren van een stormwaarschuwingsdienst welk in 1864 tot stand kwam. De gebleven schepen De pink 'De Vrouw Maria Pronk' was 26 mei vanaf het Scheveningse strand ter visserij vertrokken. Kort na de storm werd de schuit ondersteboven op de `Bruine Bank' aangetroffen. Van de zeven bemanningsleden was niets te zien en ook daarna werd nooit meer iets van ze vemomen. Omgekomen waren de 40-jarige stuurman Klaar de Graaf, Nicolaas de Kraa, 40 jaar en zijn 14-jarige zoon Michiel, voorts Gerrit Spaans 42 jaar, Krijn Roeleveld 24 jaar, Jacob Toet 22 jaar en de 16-jarige Jacob Bruijn. De pink `De Goede Verwachting' van reder Dominicus Bruin was op 21 mei ter visserij vanaf Scheveningen vertrokken. Op de visgronden aangekomen werd nog een paar dagen in de nabijheid van een tweetal andere pinken gevist. De stuurlieden daarvan, Johannes Bal en Teunis Keus, praaiden op 26 mei nog hun collega schipper Pronk. Toen echter op 27 mei het weer verslechterde geraakte het drietal pinken uit elkaar. Op de 30e mei, op zes uren afstand van de Eijerlandse gronden van Texel, werd `De Goede Verwachting, herkenbaar aan enige merktekens, ondersteboven aangetro?en. Uiteindelijk werd de schuit in het `Gat van V/ie' geheel tot wrak geslagen. Van de acht vissers, met veel familie bijeen, werd niets meer vernomen. Omgekomen waren; de 23-jarige stuurman Nicolaas Minnekus Pronk, Dirk Spaans 53 jaar en zijn zoons Johannes en Arie, 31 en 13 jaar oud. Daarnaast verdronken de 53-jarige Jan Zier den Heijer en zij'n zoons Aalbert-Gerrit en Arie, 27 en 17 jaar, evenals de 21-jarige Dirk Pronk. De familie De Ruiter met het uitblijven van de pink `Prins Frederik der Nederlanden' moet de spanning ondraaglijk zijn geweest. Op deze pink was een groot deel van de familie De Ruiter en aangehuwden bijeen. Ook dit scheepje werd als wrak ondersteboven gevonden. De scheepsnaam was nog leesbaar en op een zwaard waren de initialen van de stuurman waar te nemen. Toen nog enkele herkenbare stukken van de pink op Texel aanspoelden was er geen twijfel meer. Omgekomen waren de 41 -jarige stuurman Minnekus de Ruiter, zijn twee zoons Arie en Teunis, 17 en 12 jaar en hun respectievelijke vader en grootvader de 63-jarige Teunis de Ruiter. Voorts de twee schoonzoons van de oude Teunis, de 36-jarige Zier Teunis Bronsveld en de 25-jarige Willem Ginder. Tenslotte nog de 24-jarige Cornelis de Jong. Voor de toen al zo zwaar getroffen echtgenoot en moeder Maria de Ruiter-De Jong zou het hierbij niet blijven. Nog tweemaal zou zij in die dagenvan eind mei 1860 een jobstijding ontvangen. Ook de pink 'Jacoba Elisabeth' van reder Pieter de Niet sloeg om op de visgronden gelegen boven Texel. Van deze schuit verdronken de 35-jarige Arie Simon Spaans en zijn 14-jarige zoon Arie. Voorts de 26-jarige Machiel de Jong en de 34-jarige Machiel de Ruiter. De laatste was eveneens een zoon van de verdronken Teunis de Ruiter en echtgenoot Maria de Jong. Tenslotte de pink `Koopmans Welvaren' en eveneens van reder Pieter de Niet. Deze pink sloeg ook om in de storm waarbij de 50-jarige Cornelis Hanteveld en zijn 14-jarige zoon Arie verdronken. Voorts verdronken daarbij Jacob Roos en Leendert Spaans beide 20 jaar oud. De Pinksterstorm. Reeds den eersten Pinksterdag stormde het uit het West-Zuid-Westen den tweeden Pinksterdag werd het een orkaan geluk. Het Haagsche Bosch verloor meer boomen, dan bij menschenheugenis was voorgekomen, en zoo was het ook op den Ouden Scheveningschen weg. Het Badhuis, Garni en de villa's langs 't strand leden veel schade. Zeker had Scheveningen nooit treuriger Kermis gehad. Vóór het dorp strandde de Engelsche stoomboot Theresia, geladen met ijzer, salpeter enz. Dertien man van de equipage werden gered door de reddingboot van de Noord- en Zuid-Hollandsche reddingmaatschappij onder directie van P. Varkevisser Jr. Onder degenen, die zich hebben onder-scheiden by die redding, behoorde ook A. E. Maas. Meer dan vijftig pinken waren tijdens den storm in zee. Den volgenden dag ontving men bericht, dat de „Maria Pronk" van den reeder B. W. Pronk met man en muis was vergaan. Toen kwamen ook enkele pinken uit zee terug met de tijding, dat tal van omgeslagen schepen en scheepjes op onze kust als wrakken ronddreven en daaronder behoorde ook de pink „Jacoba Elisabeth" van den reeder P. de Niet. De verslagenheid te Scheveningen was niet te beschrijven. Op den 1 Juni had men zekerheid, dat nog twee pinken waren verongelukt, n.1. de „Prins Frederik der Nederlanden" van den reeder J. Hoogenraad Jz. en „de Goede Verwachting" van den reeder D. Bruin. In 't geheel waren 32 visschers, meest alle vaders van gezinnen of kostwinners, omgekomen.
31 1866 
  • mei 1866—aug 1866: Cholera epidemie
    Weer zeventien jaar later vertoonde zich in ons land dezelfde gevreesde ziekte en weer eischte zij van Scheveningen talrijke offers. In het geheel bezweken te Scheveningen 306 personen, tegenover 710 in Den Haag. Overleden aan Cholera morbus te Scheveningen. in Den Haag. April — 3 Mei 2 21 Juni 14 266 Juli 246 214 Augustus 44 108 September — 80 October — 17 November — 1,
32 1881 
  • 14 okt 1881—15 okt 1881: Oktoberstorm
    1881. 14 October. De Octoberstorm. Deze duurde 23 uur onafgebroken. Op een Vrijdag van 11 uur des voormiddags tot 8 uur 's avonds woei een vliegende storm uit het Zuidwesten, overgaande in West en ten slotte in Noord-West. De Scheveningsche weg gaf een ruïne te zien, als men nimmer te aan-schouwen kreeg. Op den beneden weg — de Hooge weg en de boschrand niet meegerekend — werden 111 boomen neergeworpen van 30 a 40 c.M. middellijn. Tal van boomen waren bovendien losgewoeld en moesten geveld worden. Van een pasgebouwde villa aan den Gevers Deynootweg werd de kap afgerukt en op de vlakte neergeworpen. De golven namen den voet der duinen op hun terugweg mede. De schuiten werden tegen de duinen opgeworpen. Van de honderd vaartuigen, die aan het strand stonden, kwamen er nauwelijks acht ongedeerd af. De beman-ning moest de vaartuigen verlaten en zich bepalen tot het vastzetten der schepen met ankers in den straatweg. De schade aan de vloot werd geschat op een ton gouds. De volgende dagen kwam de rest van de vloot met groote verliezen aan netten thuis, vele misten de geheele vleet. Door den storm vergingen niet minder dan 7 schepen van Scheveningen.
33 1894 
  • 22 dec 1894—23 dec 1894: Stormvloed
    De storm bracht te Scheveningen én aan de zeewering én aan de vloot enorme verliezen toe. In den avond van Zaterdag wakkerde de sterke Zuidwestenwind tot storm aan en schoot uit naar. het Noordwesten. Met reuzenkracht beukte de zee van elf uur des avonds tot 2 uur in den nacht de duinen. Telkens gingen brokken grond verloren, door de golven losgewoeld en dan medegevoerd, zelfs op den strandweg was men niet meer veilig, want elk oogenblik zag men, toen de duinrand verdwenen was, ook den weg versmallen. Bij de Kerkwerf liep het zeewater het dorp in; op enkele plaatsen in de Jacob Pronkstraat liep men omstreeks halftwee tot aan de knieën in het water. Treurig, allertreurigst was het met de vloot gesteld. De schepen, die in winterlaag en op het duin en aan den strandweg stonden, waren honderd-vijftig in getal. Meer dan de helft van dat aantal stortte in den nacht ach-tereenvolgens naar beneden. Niettegenstaande de groote duisternis, waagde men nog pogingen om de vaartuigen hooger op te halen, maar men moest voor de overmacht bukken. Toen de schepen omlaag waren gesmakt, begon eerst de vernieling, want daar alle zonder ankertouwen waren, werden ze tegen elkaar gesmeten. Een schuit maakte zelfs een tocht.van de Kerkwerf naar het Oranje-hotel. Bij het aanbreken van den dag kwam eerst de omvang van de ramp aan het licht. Vijf en twintig vaartuigen waren geheel verloren. Het strand was bezaaid met brokstukken, masten enz. van de vernielde sehepen; het was een ware chaos. Er waren bommen, waar men in- en uit kon loopen. Vele reeders waren tegen schade aan het strand geassureerd voor twee derden der schade, maar enkelen, die zich niet verzekerd hadden, waren geheel geruïneerd. Een schipper, Jacob Kuijper, die tijdens den storm aan een matroos op een schuit een touw wilde overreiken, voelde den grond onder zich verdwij-nen, ook hij verdronk en nooit werd meer een spoor van den man gevonden. En de zeewering? Wat jaren geleden reeds voorspeld was, dat de strand-weg nog eenmaal een prooi der golven zou worden, was nu een feit gewor-den. Ter hoogte van de sociëteit Neptunus bleef van dien weg slechts 1 a 2 Meter breedte over. De bronzen honden, die aan de zeezijde van het Kurhaus de wacht hielden, werden van hun voetstuk op het strand gewor-pen. Bij de Naald ging de duinvoet wel 15 Meter terug. Hoogheemraden hadden den aanleg van hoofden vóór Scheveningen uit-gesteld tot het begin van 1895, maar thans waren zij wel gedwongen terstond de handen aan het werk te slaan. Den 26sten December werd reeds door Delfland met het bouwen van een gedeelte strandmuur van het hotel Rauch tot Zeerust begonnen, omdat vóór de Kerkwerf het gevaar het meest dreigde. Dit was evenwel slechts eene tijdelijke voorziening. Aangezien reeds den volgenden dag na den storm de wind geheel bedaard was, meende men ditmaal niet met een gewonen storm, maar met een zee-beving te doen gehad te hebben. Vanwege Delfland werd weldra de aanleg van een drietal strandhoofden ondernomen. Het bouwen van een steenen zeewering, hoofdzakelijk bestaande uit ba-zalt en graniet kwam voor rekening van de gemeente 's-Gravenhage. In Februari 1896 werd dit kostbare werk aanbesteed aan De Blécourt te Nijmegen voor een som van ƒ 503.000. De muur had een lengte van 1130 M. beginnende bij Zeerust en eindigende bjj het Kurhaus. De oplevering^ge-schiedde eenige weken vóór den bepaalden termijn, wat den aannemer een aanzienlijke premie boven de aannemingssom bezorgde. De muur heeft reeds menigen storm met goed gevolg doorstaan. Schade van eenige beteekenis werd er nooit door de golven aan.toegebracht, wat voor een deel zal moeten worden toegeschreven aan den hollen vorm, die aan de zeezijde van den muur werd gegeven. Later, toen de duinen vóór het Oranjehotel belangrijk waren afgenomen en men vreesde dat te eeniger tn'd dit waardevolle gebouw gevaar zou loopen door de zee verzwolgen te worden, werd voor rekening van de Exploitatie-Maatschappij „Scheveningen", gewoonlijk de „Trust" genoemd, de muür nog vele meters Noordwaarts verlengd. In 1908 toen de duinen bn' de Naald en den Vuurtoren zoo waren afge-nomen, dat vooral de eerstgenoemde veel kans had te bezwijken, ging de Gemeente over tot een verlenging Zuidwaarts, tot aan de Visschers-haven toe.
34 1914 
  • aug 1914—1918: Eerste Wereldoorlog in Nederland
    Dat Nederland zich in augustus 1914 neutraal verklaarde was begrijpelijk. Net zoals België was het een klein land dat grootmachten als Duitsland, Engeland en Frankrijk als 'buurlanden' had. De Nederlandse krijgsmacht was te zwak om een van die mogendheden in een conflict te kunnen weerstaan. Daarom hechtte Nederland sterk aan neutraliteit en aan het internationaal recht, om de status quo te behouden. In die jaren bezat Nederland nog zijn koloniën, waaronder Suriname en het uitgestrekte Nederlands-Indië. Nederland besefte dat alleen dankzij een door alle staten geaccepteerde rechtsorde die koloniën behouden konden blijven. In 1899 en in 1907 waren (niet toevallig) in Den Haag vredesconferenties gehouden. Als resultaat van de tweede vredesconferentie werd in Den Haag het Vredespaleis gebouwd en in 1913 officieel geopend. Dit internationaal gerechtshof was bedoeld om internationale conflicten op vreedzame wijze te beslechten. De Nederlandse neutraliteitsverklaring paste in een traditie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) waren elf landen neutraal: Argentinië, Chili, Denemarken, Ethiopië, Mexico, Nederland, Noorwegen, Spanje, Venezuela, Zweden en Zwitserland.[1] De rest van de wereld, toen 34 staten, was met elkaar in oorlog. De Nederlandse regering, hierin gesteund door koningin Wilhelmina en een groot deel van de bevolking, streefde strikte neutraliteit na.
35 1918 
  • 1918—1939: Interbellum
    De tijd tussen de twee wereldoorlogen (het Interbellum) heeft twee belangrijke kenmerken. Ten eerste is dat de verzuiling van de samenleving. En tweede het overwicht van de drie confessionele partijen, RKSP, ARP en CHU. Zij hebben steeds een meerderheid in beide Kamers. Ondanks dat overwicht vinden diverse kabinetscrises plaats en worden veelal extraparlementaire kabinetten gevormd. Het Interbellum is in drie fases in te delen. De eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog vinden in Europa diverse socialistische omwentelingen plaats. Ook in Nederland dreigt in 1918 een 'revolutie'. In de jaren twintig is sprake van economisch herstel en optimisme. Voorstellen tot ontwapening en de opkomst van de Volkenbond bevorderen dat optimisme. Na de beurskrach van 1929 breekt echter een economische wereldcrisis uit, die ook in Nederland grote gevolgen heeft. De opkomst van het nationaal-socialisme en fascisme en de toenemende herbewapening leiden tot oplopende internationale spanning. De Duitse uitbreidingsdrift mondt in 1939 uit in de Tweede Wereldoorlog. Op 10 mei 1940 zal ook Nederland daarin betrokken worden en vlucht de regering naar Londen.
36 1940 
  • 1940—1945: Tweede Wereldoorlog
    De Tweede Wereldoorlog was de samensmelting van een aantal aanvankelijk afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945 op wereldschaal werden uitgevochten tussen twee allianties: de asmogendheden en de geallieerden. In Europa vielen troepen van de Duitse Wehrmacht en de SS op 1 september 1939 Polen binnen. De regeringen van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk die een bondgenootschap vormden met Polen reageerden op 3 september 1939 met een oorlogsverklaring aan Duitsland, als een nakoming van de in maart 1939 afgegeven Brits-Franse bijstandverklaring. De meest dramatische uitbreiding van het conflict vond plaats op 22 juni 1941 met de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Desondanks kon de oorlog op dat moment nog steeds worden gezien als een Europese oorlog, los van de Japanse expansie in Oost-Azië. Dit veranderde toen op 7 december 1941 Japan de United States Pacific Fleet bij Pearl Harbor bombardeerde en de Verenigde Staten prompt aan Japan de oorlog verklaarden. Hitler verklaarde vier dagen later de Verenigde Staten de oorlog, formeel omdat Duitsland en Japan in 1936 het Anti-Kominternpact hadden gesloten, feitelijk omdat de VS reeds lang materiële steun gaf aan de Britten. In maart 1941 was die steun geformaliseerd in de Leen- en Pachtwet. Er ontwikkelde zich een samenwerking tussen de Sovjet-Unie enerzijds en de Britten en Amerikanen anderzijds, die gekenmerkt werd door veel wederzijdse onwennigheid en wantrouwen, waarop door de Duitsers werd ingespeeld.



Snelle Links

Contact

Contact
Achternamen
Historie

Bericht Webmaster

Ik doe er alles aan om het onderzoek te documenteren. Als u iets heeft dat u zou willen toevoegen, neem dan contact met mij op.