Genealogie van der Kruijk - van der Harst
De tijdreis van onze families.
Treffers 2,001 t/m 2,250 van 2,532
| # | Aantekeningen | Verbonden met |
|---|---|---|
| 2001 | OV 1972, juni, repertorium op de lenen van Putten, leen 63 en 64. | Doen Beijensz (de Jonge) (I14454)
|
| 2002 | Over Aleid van Gelre is weinig bekend uit contemporaine bronnen. Haar geboortejaar is onbekend en over haar jeugd aan het Gelderse hof is niets overgeleverd. In de Annalen van Egmond, de belangrijkste verhalende bron over de twaalfde-eeuwse geschiedenis van Holland, komt ze voor het eerst voor bij de beschrijving van haar huwelijk met Willem I van Holland. Eind 1195 of begin 1196 benoemde graaf Dirk VII van Holland diens jongere broer Willem tot graaf van Midden-Friesland, dat onder gedeeld gezag stond van Holland en het Sticht Utrecht. Als graaf van Friesland kwam Willem in conflict met de heer van Kuinre, Hendrik de Kraan, een leenman van de bisschop van Utrecht. Willem veroverde Kuinre en liet de Kuinderburcht verwoesten. Vervolgens reisde hij naar Kasteel Ter Horst in het Sticht voor een ontmoeting met zijn broer Dirk VII, die voor korte tijd benoemd was tot voogd van het bisdom. Willem werd door zijn broer ontvangen, maar net voordat hij aan tafel wilde gaan werd hij − met toestemming van zijn broer – overvallen en gevangengenomen door Hendrik de Kraan en zijn volgelingen. Willem wist echter te ontsnappen en vluchtte naar Gelre, waar hij aan het hof van graaf Otto I verbleef. Volgens de Annalen bleef hij "daar een tijdje omdat zijn benen door het ijs ernstig waren opengescheurd en door de kou gezwollen." Aan het Gelderse hof verloofde hij zich Het jaar waarin de bruiloft gevierd werd is niet met zekerheid vast te stellen, maar waarschijnlijk vond het plaats in 1198.[1] Volgens de veertiende-eeuwse kroniekschrijver Willem Procurator vond het huwelijk in 1206 plaats, toen Willem al als graaf van Holland regeerde. Volgens Henri Obreen was dit onmogelijk, omdat Willem in een oorkonde uit 1200 als schoonzoon van Otto van Gelre werd vermeld. Willem I huwde begin 1198 te Stavoren met Aleid van Gelre (ca. 1187 – 1218), oudste dochter van Otto I van Gelre. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren: Ada (1208 – 1258), abdis van Rijnsburg Floris IV (1210 – 1234), opvolger van zijn vader Willem (1212 – 1238) overleden tijdens een toernooi[11] Otto (1214 – 1249), bisschop van Utrecht Ricardis (1216 – 3 januari 1262) | Gezin: Graaf van Holland en Zeeland Willem I van Holland / Gravin van Holland Aleid van Gelre (F1590224016)
|
| 2003 | overl. op kruistocht aan de pest 1.8.1190 Hij werd begraven voor het koor in de Petruskerk van Antiochië. In deze kerk mis ook Keizer Frederik Barbarossa begraven. | van Holland, Graaf van Holland Floris III (I4127)
|
| 2004 | overl. tussen 27-9-1584 en 16-10-1599 | Cornelis Sijmonsz (I3617)
|
| 2005 | overleden 26 maart of 1 april 1396 | van Arkel, Heer van Arkel Otto (I3472)
|
| 2006 | Overleden aan de Heijdenscheweg 52 | van der Kruijk, Martinus (I5977)
|
| 2007 | Overleden als Jacobus van der Kruk. | van der Kruk, Jacobus (I5965)
|
| 2008 | Overleden als welgeboren man in De Lier | Kerstant Coppaertsz (I4174)
|
| 2009 | Overleden in het huis wijk B nommer 128 | de Jong, Neeltje (I5976)
|
| 2010 | Overleden in het St. Franciscusgasthuis | Steeneken, Theodorus Leonardus (I6191)
|
| 2011 | Overleden in huis wijk B nommer 126 Ouders: Jacob van der Kruijk en Trijntje Hofman. | van der Kruijk, Willem (I5975)
|
| 2012 | Overleden in huis wijk B nommer 13 | de Jong, Dirk (I5966)
|
| 2013 | Overleden in huis wijk B nommer 18 | Hofman, Trijntje (I5961)
|
| 2014 | Overleden in huis wijk B nommer 268 Hendrik overlijdt 8 dagen na zijn vrouw Alida. | van Veelen, Hendrikus Martinus (I5885)
|
| 2015 | Overleden in huis wijk B nommer 37 | van (der) Hal, Elisabeth (I5959)
|
| 2016 | Overleden in huis wijk B nommer 87 Volgens akte van overlijden geboren op 17-7-1800 te Enkhuizen | Scharp, Neeltje Leenders (I5968)
|
| 2017 | Overleden in Pasen | van der Vliet, Jacob Kerstansz (Corssen) (I4650)
|
| 2018 | Overleden in wijk A nommer 102 | van Veelen, Arie Jacob (I4608)
|
| 2019 | Overleden na 6-7-1504. Verkoopt dan een rente. | Lijsbeth NN (I3500)
|
| 2020 | Overleden op "IJsbrant Touwens woning" gelegen aan de Oostzijde van de Voordijkhoornseweg op 't Woudt | op Dijkshoorn (Dijcxhoren), Pieter Cornelisz (I5936)
|
| 2021 | Overleden te Benthuizen tussen 10-05-1582 en 01-05-1597. Welgeboren man te Benthuizen | van 't Tol, Claes Hz (I4145)
|
| 2022 | Overleden te Bergen op Zoom, doch wonende te 's-Gravenhage | van der Harst, Willem (I14145)
|
| 2023 | OVERLEDEN TE ZANDVOORT, DOCH WONENDE TE SCHEVENINGEN | Pronk, Arij Dirkse (I13549)
|
| 2024 | Overleden tijdens de zwangerschap van zijn vrouw Martijntje (Klaas, geb 24-3-1745, zie diens geboorteakte) Eens beluijdt. Impost F -12- | Duijfhuijs, Klaas Pietersz (I1685)
|
| 2025 | Overleden tussen 15 december 1709 en 19 april 1711 | van der Weijde, Engeltje Ariensdr (I3943)
|
| 2026 | Overleden tussen 2-10-1640 en 15-6-1652 | van Driel, Lijsbeth Aerts (I12775)
|
| 2027 | Overleden tussen 23-12-1583 en 6-12-1587 | van Montfoort, Quirijn Cornelisz (I12620)
|
| 2028 | Overleden voor 1614 te Loosduinen. Op die datum Boelhuis RA Mo. 113. | Groen, Dirckje Cornelisdr (I8679)
|
| 2029 | Overlijdensakte 1822 nr. 101. Dit betreft een uittreksel van de akte (nr 508) uit Den Haag. Er is alleen een melding van een proces-verbaal van de commissaris van politie gedateerd 15 mei 1822 dat Sijmen van Duijvenbode matroos oud 54 jaar is overleden. Er is geen overlijdens plaats of datum genoemd. Akte nr. 508 uit Den Haag vermeld hetzelfde. | van Duijvenbode, Sijmen (I13225)
|
| 2030 | Overlijdensdatum nakijken! ivm geboorte Trijntje. | Jan Berendsz (I4136)
|
| 2031 | Ovl / Begr data nakijken! | Rog, Leuntje Vranken (I13564)
|
| 2032 | Ovl akte geeft: Getrouwd met Geertrui Ketting Zoon van Pieter van der Burg en Adriana NN ... | van der Burg, Willem Cornelisse (I5310)
|
| 2033 | Ovl akte niet gevonden | van der Boon, Teunis Cornelisse (I5018)
|
| 2034 | Ovl akte niet gevonden... | Kervingh, Jan Leendertse (I8352)
|
| 2035 | Pacht in 1647 Sweetselaar te Lunteren, zie ook Kwartierstaat Beek in VG 1988, ( Wel komt voor Cornelis Janszn. van Scherpenzeel tr. Barneveld 16-5-1617/5-6-1617/10-6-1617 Helmertje Harmsen van Barneveld, zij laten een zoon dopen te Scherpenzeel 3-8-1618 genaamd Jan) (Verder komt voor Cornelis janszn. won. Reijntgen kamp onder Scherpenzeel vader jan Corneliszn. tr. renswoude 29-3-1640/ 12-4-1640 Theunisge Gerrits van Davelaar onder Woudenberg wonende Emminkhuizen haar vader is Gerrit Dirks). | Cors Jansz (I1788)
|
| 2036 | Pachter te Vriescheloo | Wijcherts, Jacob (I55)
|
| 2037 | Pagina ontbreekt in DTB | Gezin: Lucas Jochumsz Vreugdenhil / Pietertje Cornelisse van den Bogaard, Boogert (F1590222590)
|
| 2038 | Pas bij zijn huwelijk duikt de achternaam 'van der Kruck' op. Blijkbaar is hieruit afgeleid dat ook zijn vader deze achternaam droeg, al dan niet met de verdeftiging 'van der' | Gezin: Leendert Gerritsz van der Kruck / Maritge Pieters van den Beuckel (F1590222527)
|
| 2039 | Pastrick = pastoor | Harsen, Cornelis Cornelisz (I1207)
|
| 2040 | Paulus is enige tijd opgesloten geweest op verzoek van zijn familie. Een acte uit het Rechterlijk Archief van Pijnacker van 15 mei 1687 vermeldt dat Paulus bezet was met "swaermoedige gedagten ende melancolycque gedagten". Men vreesde dat hij zelfmoord zou plegen. Gelukkig is dit kennelijk goed gekomen want 4 jaar later ging hij trouwen. | Verspeck, Paulus Corstiaan (I3959)
|
| 2041 | PB 132575 | van der Harst, Johannes Zier (I5413)
|
| 2042 | PB 132593, 12-9-1941 | van der Harst, Leenderd Jacobus (I6527)
|
| 2043 | PB 245782 | van der Houwen, Josina (I4429)
|
| 2044 | PB 246686 | van der Kruijk, Cornelis Marinus (I4430)
|
| 2045 | PB 6561 | Tolsma, Dominicus (I6551)
|
| 2046 | PB 6585 | 't Lam, Otto (I7532)
|
| 2047 | PB 8235 | Zijlstra, Sybrigje (I7379)
|
| 2048 | Pepijn (of Pippijn) (Jupille-sur-Meuse, 714[1] - Saint-Denis, 24 september 768[2]), de Korte of de Jongere genaamd, was vanaf 741 hofmeier en vanaf 751 tot zijn dood de eerste koning der Franken uit het Karolingische huis. Hij was een zoon van Karel Martel en Rotrude van Trier.[3] Hij trouwde met Bertrada van Laon, dochter van Charibert van Laon.[4] Omdat hij was genoemd naar zijn grootvader, Pepijn van Herstal, die op zijn beurt ook genoemd is naar zijn grootvader, Pepijn van Landen, beiden hofmeiers, wordt Pepijn de Korte ook wel genummerd als Pepijn III. Pepijn is de vader van Karel de Grote. Jeugd Pepijn werd in 714 geboren in een geslacht van machtige hofmeiers maar ten tijde van zijn geboorte was zijn vader nog lang niet zeker van zijn positie. Pas na enkele jaren van burgeroorlog kon Karel Martel zich in 719 als hofmeier van alle Franken vestigen. Gedeelde regering met Carloman Hofmeier Karel Martel verdeelt het Frankenrijk tussen Pepijn en Carloman. Grandes Chroniques de France (14e eeuw) door Maître de Fauvel, Bibliothèque Nationale in Parijs. In 741 stierf Karel, in naam nog hofmeier maar in de praktijk koning van de Franken. Karel had niet eens de moeite genomen om de schijn op te houden en na de dood van de laatste koning had hij de positie vacant gelaten. Pepijn en zijn broer Carloman volgden hun vader op als hofmeier en de facto heersers van het koninkrijk tijdens een interregnum (737-743).[5] Pepijn kreeg het gezag in het westelijk deel van het rijk (Aquitanië, Neustrië, Bourgondië, de Provence en de gebieden rond Metz en Trier), Carloman regeerde in het oostelijk deel (de rest van Austrasië, Thüringen, Alemannië en Beieren). Hun halfbroer Grifo kreeg enkele graafschappen in het westen van Austrasië. Aquitanië, Alemannië en Beieren waren onderworpen aan het Frankisch gezag maar behielden een hoge mate van zelfstandigheid.[6] De bijzondere verdeling van het westelijke grensgebied van Austrasië was vermoedelijk gebaseerd op een tweede verdeling: naast de regering moest ook het familiebezit worden verdeeld. En het familiebezit van de Karolingen lag in de dalen van de Maas en de Moezel. Het lijkt erop dat Pepijn de bezittingen in het Moezeldal kreeg, Carloman die in het Maasdal en dat ook Grifo enkele restanten kreeg. Consolidatie van de macht In 742 bakenen Pepijn en Carloman hun domeinen af tijdens een bijeenkomst in Naintré. Grifo wordt in Laon gevangengenomen en gedwongen om in een klooster in te treden. Ze voeren samen veldtochten in Aquitanië en Alemannië. De broers halen in 743 de Merovingische troonpretendent Childerik III uit het klooster en maken hem koning, vermoedelijk als zet tegen de hertogen van Allemanië, Beieren en Aquitanië, die ontevreden zijn over de behandeling van Grifo.[7] Ze verslaan aan de Lech een verbonden Beiers-Alemannisch leger dat wordt ondersteund door Saksische en Slavische hulptroepen. Het jaar daarop (744) verslaat Pepijn de opstandige Alemannen in de Elzas. In 745 laat Carloman het grootste deel van de adel van de Alemannen (wegens verraad) doden tijdens een landdag in Cannstatt (tegenwoordig een wijk in Stuttgart). Het verzet van de Alemannen is hiermee definitief gebroken. De hertog van Aquitanië heeft gebruikgemaakt van de verwikkelingen in Allemanië door Neustrië aan te vallen. Hij wordt op zijn beurt ook door de broers verslagen. Carloman treedt in 747, vermoedelijk onder dwang, in een klooster. Hij benoemt zijn zoon Drogo tot zijn opvolger en beveelt hem aan in de bescherming van Pepijn, maar Drogo wordt al snel door Pepijn terzijde geschoven. Pepijn is nu alleen hofmeier (dux et princeps Francorum).[8] Grifo ontsnapt naar Beieren, waar zijn moeder, Swanahilde, de tweede vrouw van Karel Martel, vandaan komt, Pepijn dwingt hertog Odilo van Beieren om zijn gezag te erkennen. Wanneer in 748 Odilo van Beieren sterft, probeert Grifo in Beieren de macht te grijpen. Pepijn valt Beieren binnen en installeert de minderjarige Tassilo III als hertog. Hij benoemt Grifo tot markgraaf van de Bretonse mark. Kerkelijke hervormingen In 743 zijn op voorstel van Bonifatius in Austrasië hervormingen doorgevoerd in de kerk. Deze zijn gericht op handhaving van het celibaat en het opgeven van de onmatige manier van leven van de geestelijkheid. In 744 roept Pepijn een concilie bijeen te Soissons om de hervormingen ook in Neustrië door te voeren. Pepijn paaide de ontstemde geestelijkheid door eerder door zijn vader in beslag genomen kerkbezittingen weer terug te geven. Regering als koning Naast zijn actie in Beieren in 748 is van de eerste jaren van de regering van Pepijn als enige hofmeier alleen bekend dat hij in 749 bezittingen schenkt aan de Abdij van Prüm.[9] Paus Stefanus II ontvangt land van Pepijn de Korte in 754. In 751 sluit Pepijn een overeenkomst met paus Zacharias.[10] De paus is ernstig in het nauw gebracht door de Longobarden die van de interne problemen in het Byzantijnse Rijk gebruik maakten door eerst Ravenna te veroveren en vervolgens Rome te bedreigen. Als wederdienst steunde de paus Pepijn in zijn streven om zelf koning te worden. Volgens de overlevering vroeg Pepijn aan de paus wie koning moest zijn: diegene die de titel droeg of hij die de eigenlijke macht uitoefende.[10] Tijdens een landdag in Soissons werd Childerik III, de laatste koning van de Merovingen, afgezet en gedwongen in te treden in het Abdij van Sint-Bertinus in Sint-Omaars, en werd Pepijn tot koning gekozen.[11] In 752 zendt Pepijn Chrodegang naar Rome als gezant naar de nieuwe paus Stefanus II (III). Voordat Pepijn tegen de Longobarden kan optrekken, moet hij eerst nog enkele andere zaken afwikkelen. In 753 verslaat hij de Saksen en in datzelfde jaar wordt zijn halfbroer Grifo bij Maurienne gedood, wanneer hij de Alpen wil oversteken om zich bij de Longobarden aan te sluiten.[12] In 754 reist paus Stefanus II naar Pepijn om het bondgenootschap tegen de Longobarden te bevestigen en zalft Pepijn en zijn zoons opnieuw.[13] De Frankische edelen zweren op straffe van excommunicatie om alleen nakomelingen van Pepijn als koning te kiezen. Pepijn belooft op zijn beurt aan de paus een eigen staat rond Rome, onder zijn bescherming. Deze gift van land staat bekend als de Donatie van Pepijn. Carloman komt uit zijn klooster in Italië en trekt als onderhandelaar namens de Longobarden naar zijn broer, hij verblijft bij zijn schoonzuster Bertrada. Zijn missie blijft zonder succes, maar is vermoedelijk wel de aanleiding dat zijn zoon Drogo gedwongen wordt om in een klooster te treden. Carloman sterft korte tijd later in Vienne. Pepijn de Korte verdrijft een Arabisch leger uit Narbonne in Septimanië (759). Franse gravure van Emile Bayard (19e eeuw) In 755 belegert Pepijn de Longobarden in hun hoofdstad Pavia en sluit een vredesovereenkomst met hun koning Aistulf.[14] In 756 verbreekt Aistulf de bepalingen van het verdrag en belegert de paus in Rome. Pepijn trekt opnieuw naar Italië en dwingt de Longobarden om het exarchaat Ravenna af te staan, dat hij vervolgens aan paus Stephanus II schenkt.[15] Dit leidt tot spanningen met de Byzantijnen, omdat Ravenna voor de verovering door de Longobarden Byzantijns was. Pepijn wordt door de paus tot Patricius van Rome benoemd. Terug in eigen land voert hij een monetaire hervorming door waarbij de zilveren denarius als eenheidsmunt wordt ingevoerd. In 757 voert hij oorlog tegen de Saksen en dwingt hij Tassilo III van Beieren een eed van trouw aan hem af te leggen. In 758 volgt nog een campagne tegen de Longobarden en in 759 verdrijft hij de Arabieren uit Septimanië. In 760 begint Pepijn een campagne tegen hertog Waifar van Aquitanië. Hij slaagt erin zijn macht over dit hertogdom systematisch van noord naar zuid uit te breiden. In 761 verwoest hij de stad Clermont-Ferrand en schenkt, onder bedreiging van excommunicatie, grote sommen voor herbouw van de kerk. Gedwongen door een hongersnood moet hij zijn campagnes in 764 opschorten maar na het overlijden van Waifar weet hij zijn macht over Aquitanië definitief te vestigen. Graf van Pepijn en Bertrada (beelden uit de gotiek De bijnaam "de Korte" die veel wordt gebruikt lijkt geen enkele historische grond te hebben maar door middeleeuwse geschiedschrijvers te zijn geïntroduceerd. Pepijn zet het binnenlandse beleid van zijn vader voort (ontwikkeling naar feodale structuren, opbouw zware cavalerie) en legt het huwelijks- (en scheidings-) recht vast. Ook stelt hij een hofkapel en een kanselarij in, en bereidt een hervorming van de liturgie voor. Pepijn sterft in Saint-Denis in 768, en werd begraven in de kathedraal van Saint-Denis naast zijn vrouw Bertrada van Laon.Tijdens de Franse Revolutie is zijn graf, net als de andere Franse koningsgraven geschonden en leeggehaald.[16] Volgens zijn eigen wens is hij begraven met zijn gezicht naar beneden, als boetedoening.[17] Zijn rijk wordt verdeeld door zijn zonen Karel en Carloman.[18] Familie en kinderen In zijn eerste huwelijk was Pepijn getrouwd met Leutberga, een prinses uit het Donaugebied. Zij hadden vijf kinderen. Hij verstoot haar voor Bertrada van Laon. Door te nauwe verwantschap zijn er jaren nodig voordat de kerk het huwelijk met Bertrada erkent. In 762 wil Pepijn haar verstoten maar dat mislukt door verzet van de paus. Pepijn en Bertrada hadden de volgende kinderen: Karel de Grote Carloman I Gisela (757 - Chelles, 30 juli 810). In 765 verloofd met de latere keizer Leo IV van Byzantium maar de verloving werd verbroken. In 788 tot abdis van Chelles benoemd. Pepijn (759-761) Chrotais, jong overleden, begraven in de abdij van St Arnulf in Metz. Adelais, jong overleden, begraven in de abdij van St Arnulf in Metz. mogelijk nog twee onbekende dochters, waarvan er een door Maximinus van Trier zou zijn genezen van een ernstige ziekte. | de Korte, Hofmeijer Pepijn (I6467)
|
| 2049 | Pepijn II van Herstal (Herstal, ca. 635 – Jupille-sur-Meuse, 16 december 714), bekend onder de bijnamen de Jonge, de Middelste of de Dikke, was een Frankische hofmeier. Hij was de zoon van de hofmeier Ansegisel en van (de heilige) Begga, een dochter van de hofmeier Pepijn van Landen.[1] Hij werd begraven in de abdij van Sint-Arnulf (zijn grootvader) in Metz. Leven Door de mislukte staatsgreep van zijn oom Grimoald was zijn familie in politieke ongenade gevallen, waarbij veel prominente familieleden, onder wie zijn vader, gedood waren. Pepijn had nog wel de omvangrijke familiebezittingen langs de Maas en de Moezel. Door zijn huwelijk met Plectrudis (rond 670) verwierf hij nog meer bezittingen aan de Moezel en in de Eifel. Ook wist hij veel prestige terug te winnen door Gundewin te doden, de moordenaar van zijn vader.[2] In 679 was Pepijn een van de leidende edelen in Austrasië. Samen met Martin van Laon leidde hij het verzet tegen de hofmeier Ebroin van Neustrië en Bourgondië, die ook de macht in Austrasië wilde verwerven. De Austrasiërs werden bij Laon verslagen, Martin werd gedood en Pepijn moest vluchten. In 680 werd hij hofmeier van Austrasië. Een jaar later werd Ebroin vermoord, en Pepijn sloot een verdrag met diens opvolger Waratton. In 687 kwam hij echter in conflict met Berthar, de nieuwe hofmeier van Neustrië en Bourgondië. Pepijn versloeg hem in de Slag bij Tertry. Koning Theuderik III benoemde Pepijn tot hofmeier van het gehele rijk en Pepijn erkende Theuderik als enige koning. Berthar overleed eind 688 of begin 689. Vervolgens liet Pepijn zijn zoon Drogo trouwen met Anstrude, dochter van Waratton en weduwe van Berthar. In 695 versloeg hij de Friezen, onder aanvoering van Radboud, in de Slag bij Dorestad en veroverde hij alle gebieden ten zuiden van de Rijn. Aan de missionaris Willibrord gaf hij een oud Romeins fort, nu de stad Utrecht, als steunpunt voor zijn zending onder de Friezen. Ook onderwierp hij de Alemannen. In 691 deed hij een schenking aan de abdij van Sint-Arnulf te Metz. In 695 benoemde hij zijn zoon Grimoald II tot hofmeier in Neustrië en zijn zoon Drogo tot hofmeier in Bourgondië. Opvolging Nadat zijn zonen Drogo (708) en Grimoald (714) nog tijdens zijn leven waren overleden, benoemde Pepijn op aandringen van Plectrudis zijn minderjarige kleinzoon Theudoald, de zoon van Grimoald, tot zijn opvolger. Theudoald was echter nog te jong om zelf te regeren. Toen Pepijn van Herstal op 16 december 714, bijna tachtig jaar oud, plots in Jupille (nu een deel van de Luikse agglomeratie in het moderne België) overleed, zou Plectrudis voorlopig het regentschap uitoefenen.[3] Zijn rechtmatige kleinkinderen riepen zichzelf inderdaad uit tot Pepijn van Herstals ware opvolgers, en probeerden met de hulp van Plectrudis hun positie als hofmeier van het paleis in stand te houden. Karel Martel, de oudste zoon van zijn tweede vrouw, had echter de gunst van de Austrasische adel gewonnen. Hij had zich bewezen als een krachtig militair, die zijn volgelingen door succesvolle plundertochten van omvangrijke buit kon voorzien. Ondanks de inspanningen van Plectrudis, die hem enige tijd gevangen liet zetten,[4] slaagde | van Herstal, Hofmeier Austrasië, Neustrië en Bourgondië Pepijn II (I14647)
|
| 2050 | perceel 7 in 1543 en perceel 122 in 1556 G.A. Den Haag, Transportakte nr. 120, fol. 60 (5-3-1540). | (van Schilperoort), Cornelis Jacobs (I4891)
|
| 2051 | perceel 7 in 1543 en perceel 122 in 1556 | (van Schilperoort), Cornelis Jacobs (I4891)
|
| 2052 | Persoonskaart aanwezig PB 203261, 3-10-1941 | van der Kruk, Neeltje (I5410)
|
| 2053 | Persoonskaart aanwezig PB 2890, 10-11-1941 | Hoekstra, Fokje (I7381)
|
| 2054 | Persoonskaart aanwezig PB 291218 NH Visser | Pronk, Willem (I5408)
|
| 2055 | Persoonskaart aanwezig PB 390207, 22-11-1941 | Vrolijk, Antje (I6528)
|
| 2056 | Persoonskaart aanwezig PB 6561, 31-10-1941 Winkelier, Cafehouder en fouragehandelaar te Westhem. | Tolsma, Dominicus (I6551)
|
| 2057 | Persoonskaart aanwezig PB 8235, 10-11-1941 Zijlstra naamsvermeldingen en literatuurreferenties: • Naamsaanneming Grouw 1811: Klaas Zylstra, ovl. 1812, geb. te Pietersyl (Gr.) [Hoekema-1975, p 268]. • Durk Klazes Zijlstra (Monnikezijl 1800-Ternaard 1855) [Brouwer-1965, p 28]. • Jasper Pyters Zijlstra, Brantgum 1811, boer; zoon van Pyter Heyns [K.J. Bekkema, 'Foar- en neiteam fan Heyn Botes', in: Genealogysk jierboekje (1986), p 39]. • Naamsaanneming in Grijpskerk 1812 [Vries de-1939, p 54]. • [G. Hovinga-Zijlstra, Kroniek van de familie Zijlstra, Assen 1992]. • [S. Zijlstra, Het geslacht Zijlstra (derde en vierde verantwoording), Bodegraven 1981]. • [S. Zijlstra, Het geslacht Dubbelt Bouwes Zijlstra, 's-Hertogenbosch 1982]. • [Stichting geslachten Zijlstra, nieuwsblad (familieblad: (1993), nr 3)]. • [S. Zijlstra, Het geslacht Zijlstra (27e verantwoording), Bodegraven 1996]. | Zijlstra, Sybrigje (I7379)
|
| 2058 | Persoonskaart aanwezig Persoonsbewijs 2274, 4-7-1941 | van der Houwen, Adrianus (I5911)
|
| 2059 | Persoonskaart aanwezig. PB 245782, 10-10-1941 | van der Houwen, Josina (I4429)
|
| 2060 | Persoonskaart aanwezig. PB 246686, 10-10-1941 Kaartnr: 6448 | van der Kruijk, Cornelis Marinus (I4430)
|
| 2061 | Persoonskaart aanwezig. PB 290487, 25-10-1941 Pronk verklaring: 1. Het Middelnederlandse woord pronk betekende 'stuurs, misnoegd, pruilerig, knorrig'. Betreft Pronk van origine een bijnaam op grond van deze kwalificaties of kan gedacht worden aan een bijnaam die voortkomt uit het werkwoord pronken 'pralen, trots zijn'? 2. Indien deze naam als een variant van Bronk uit Bronckers kan worden beschouwd, kunnen we er ook een patroniem in zien gebaseerd op de voornaam Bronger (vgl. Brongers). naamsvermeldingen en literatuurreferenties: • [WFB]. • Voor zover bekend betreft de eerste naamsvermelding Willem Hendricksz Pronck, in 1493-94 wonend in de Damstraat te Haarlem. In de loop van de 16e en 17e eeuw komen her en der in Noord-Holland families op die de naam Pronk voeren. In Zuid-Holland wordt in 1522 Pieter Janszn alias Pronck als poorter van Leiden ingeschreven. Omstreeks 1600 ontstaat op Scheveningen een familie Pronk die wel uitermate talrijk zou worden. Ook in Nieuwerkerk aan de IJssel en in Berkenwoude (Krimpenerwaard) onstaan Pronk-families. In Berkenwoude met Isbrant Anthonisz Pronck (ca. 1620-ca. 1672), schoolmeester aldaar, en later schout, die mogelijk een zoon was van Anthonis Arijen Jacobsz (ovl. voor 1626) en Heyltje Isbrantsdr [S.E. Pronk & F.H.J. van Aesch, 'Het geslacht Pronk uit Berkenwoude', in: GN 44 (1989), nr 11, p 439-444]. • Jan Claes Pronck, houtkoper, aangeslagene bij de capitale impositie van 1585 te Amsterdam [Dillen van-1941, p 87]. • Pieter Pietersz Pronck, ovl. Hoorn ca. 1602 (welgesteld inwoner van deze stad); Pieter Jacobsz Pronck, notaris te Hoorn 1650-72. Een mogelijke relatie met een familie uit Beets wordt naar voren gebracht, onder wie Jacob Pieter Clai en Simon Pieter Claes, geb. ca. 1500 [S.E. Pronk, 'Notaris Pieter Pronck wn zijn - mogelijke - verwanten', in: GN 43 (1988), p 184-190]. • Cornelis Claessen Pronck, Den Helder 1636 [Schoorl-1998, p 79]. • Heyn Pronk, geb. Volendam 1736 (vader afk. van Ens, Schokland) (met uitgebreid nageslacht in Waterland) [H. Pronk, Hoezo Heyn Pronk?, Veenendaal 1995; vgl. Genealogie-CBG 2 (1996), nr 4, p 91]. • [S.E. Pronk, 'De naam Pronk', in: Pronk-stukken (1972), nr 2, p 26-48]. • [S.E. Pronk, 'Hendrik Pronk, een zeventiende-eeuwse commandeur van de VOC en zijn verwanten', in: De Indische Navorscher 14 (2001) nr 1]. • Vergelijk in Roosendaal omstreeks 1930 de bijnaam Nelleke Pronk = Nel Broeren, die graag pronkte. In Baarn had in diezelfde tijd ene Jan Dijs de bijnaam Jan Pronk of De Pronkerd [A. Verkouteren, 'Bijnamen uit de dertiger jaren', in: Heemkundekring Roosendaal en Nispen (1988), nr 12, p 42; J. Kruidenier, 'Baarnse bijnamen: misschien kent u ze nog?', in: Baerne. Tijdschrift van de Historische Kring Baerne 13 (1989), nr 1, p 16]. | Pronk, Johanna Helena (I5414)
|
| 2062 | Persoonskaart aanwezig. PB 6585, 1-9-1941 | 't Lam, Otto (I7532)
|
| 2063 | Persoonskaart aanwezig. | Boersma, Johanna Regina (I6553)
|
| 2064 | Persoonskaart aanwezig. | Biermans, Anna Catharina (I7529)
|
| 2065 | Persoonskaart aanwezig. | Leeuwenkamp, Grada Cornelia (I7533)
|
| 2066 | Persoonskaart aanwezig. Heet daarop Johannes Henricus Rauch. Mogelijk Hendrikus, Hendricus. | Rauch, Johannes Henricus (I6539)
|
| 2067 | PETRONILLA hertogin van SAKSEN, ook bekend als Geertruid (geb. ca. 1082 – gest. 23-5-1144), door haar huwelijk gravin van Holland. Dochter van Dirk II, hertog van Opper-Lotharingen (gest. 1115), en Hedwig van Formbach (ca. 1056-1085/90). Omstreeks 1100 trouwde Petronilla van Saksen met Floris II (‘de Vette’), graaf van Holland (reg. 1091-1121). Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren. Petronilla werd als oudste dochter geboren uit het huwelijk van Hedwig van Formbach met Dirk II, hertog van Opper-Lotharingen. Zij werd vernoemd naar haar grootmoeder van moeders zijde, Geertruid van Haldesleben, en komt dan ook onder die naam voor in de Saksische bronnen. Haar moeder was eerder getrouwd geweest met Gebhard van Supplinburg (†1075). Uit dit huwelijk was onder anderen Lotharius geboren, die later roomskoning/keizer van Duitsland zou worden. Petronilla had dus een machtige halfbroer. Als halfzuster van Lotharius III wordt zij veelal Petronilla van Saksen genoemd, hoewel zij haar jeugd vermoedelijk in het veel zuidelijker gelegen Opper-Lotharingen heeft doorgebracht. Ze zal zijn opgevoed op de wijze die voor meisjes van hoge adel in die tijd gebruikelijk was. Naast handwerken en borduren leerden zij lezen en schrijven. Ook poëzie en muziek werden aan de vorstelijke hoven omstreeks 1100 onder invloed van het Franse cultuurgebied druk beoefend. Lezen was van groot belang voor de religieuze vorming: het gaf de mogelijkheid tot het lezen van stichtelijke werken, zoals de levens van heilige vrouwen. In haar latere leven gaf Petronilla er blijk van zeer vroom te zijn. Gravin Petronilla Geertruid/Petronilla trouwde omstreeks 1100 of niet lang daarna met de Hollandse graaf Floris II, die door een tijdgenoot wordt beschreven als ’zeer rijk en zwaarlijvig’. Mogelijk ter gelegenheid van haar huwelijk nam zij de naam Petronilla aan. Met deze naamswijziging wilde zij wellicht haar verbondenheid met de Heilige Stoel onderstrepen. De heilige Petronilla, martelares en volgens de legende de dochter van Petrus, wordt immers beschouwd als de eerste ‘dochter van de Kerk’. Tevens kan zij met deze naamsverandering haar steun tot uitdrukking hebben willen brengen aan de Gregoriaanse hervormingsideeën die op dat moment vanuit Rome werden gepropageerd. Floris II overleed ‘in de bloei van zijn jeugd’, aldus de Egmondse annalen. Boven de ingang van de abdijkerk van Egmond, waar de graaf werd bijgezet, liet gravin Petronilla een timpaan aanbrengen waarop zij en haar jeugdige zoon Dirk VI staan afgebeeld ter weerszijden van Petrus: ‘Hier bidt Dirk, Petronilla verfraait dit werk’ staat er op te lezen. Dit timpaan bevindt zich thans in het Rijksmuseum te Amsterdam. Politiek Na de dood van haar man ontplooide gravin Petronilla een grote activiteit op politiek en religieus gebied. In de jaren 1123-1125 steunde zij met een militaire expeditie haar halfbroer Lotharius in diens strijd tegen keizer Hendrik V, en in 1127 mengde zij zich in de Vlaamse opvolgingsstrijd in de hoop er haar jongere zoon Floris op de graventroon te krijgen. Maar ook met de binnenlandse politiek van het graafschap hield zij zich intensief bezig: een hoogst opmerkelijke zaak omdat haar oudste zoon al ruim meerderjarig was. Zij deed dat bovendien ‘met krachtige hand’, melden de Egmondse annalen. Bij alle belangrijke gebeurtenissen uit de periode 1121-1133 zien we gravin Petronilla handelend optreden. Zo zorgde zij er in 1124 voor dat haar kapelaan Ascellinus tot abt van de abdij van Egmond werd benoemd. Zij deed dat op instigatie van enkele machtige Kennemer edelen die zich tegelijkertijd als bewindvoerders van de abdij lieten aanstellen. Overigens moest Ascellinus al in 1129 aftreden wegens zijn zwakke beleid. Toen gravin Petronilla en de bisschop van Utrecht in het volgende jaar het klooster bezochten schrokken zij van de toestand die ze aantroffen. De bouw van de nieuwe abdijkerk was gestagneerd, en de geestelijke en materiële schade was enorm. De rol van de gravin in deze affaire is opvallend: de bisschop overlegde met haar over de keuze van een nieuwe abt en gezamenlijk zonden zij een gezantschap naar Gent. Er werd een krachtige opvolger gevonden in de persoon van Wouter, die op 7 september 1130 door de Utrechtse bisschop werd gewijd. Onder hem brak een nieuwe bloeiperiode voor Egmond aan. In de jaren tussen 1129 en 1132 speelde gravin Petronilla ook een rol in de conflicten tussen twee van haar zoons, graaf Dirk VI en zijn jongere broer Floris ‘de Zwarte’. De laatste wordt in de Egmondse annalen beschreven als intelligent, ambitieus en charmant. Tweemaal kwam Floris in opstand tegen zijn oudere broer. Bij de eerste opstand werd hij gesteund door Petronilla, de bisschop van Utrecht en de roomskoning, zijn oom Lotharius III, waardoor hij zich in officiële stukken enige tijd ‘graaf van Holland’ kon noemen. Maar in 1131 werd het conflict kennelijk bijgelegd, want in een oorkonde van Lotharius van maart dat jaar worden Dirk en Floris respectievelijk de ‘graaf van Holland en zijn broer’ genoemd. Kennelijk kon Floris zich toch niet bij de nieuwe situatie neerleggen, want al in augustus 1131 kwam hij opnieuw in opstand. Ditmaal steunde zijn moeder hem niet en moest hij uitwijken naar het gebied van de opstandige West-Friezen, waar hij een jaar bleef. Opnieuw werd door bemiddeling Floris de Zwarte verlegde zijn ambities naar Utrecht, waar hij Heilwive van Rode – een rijke erfdochter en familie van de bisschop van Utrecht – wilde trouwen. Een oude familietwist leidde echter tot een zo hoog opgelopen conflict dat hij tijdens een jachtpartij in het najaar van 1133 werd vermoord. Stichting klooster Rijnsburg Gravin Petronilla heeft zich niet alleen met Egmond bemoeid; haar religieuze ijver deed haar in het begin van de jaren dertig ook een nieuw klooster stichten op het grafelijk grondgebied in Rijnsburg. Op 15 september 1133 werd de abdijkerk gewijd door de Utrechtse bisschop. Aan dit klooster schonk zij al haar bezittingen in Rijnsburg en goederen in Delft, Leiden, Noordwijk en Aalsmeer. De nonnen liet zij uit het in Oost-Saksen gelegen klooster Stötterlingenburg komen. Het klooster was kort daarvoor hervormd vanuit het gedachtegoed van Cluny en stond bekend om de goede geest die er heerste. Kort na de wijding van de abdijkerk van Rijnsburg werd haar geliefde zoon Floris de Zwarte er bijgezet. Van de gravin vernemen we nadien weinig meer. In 1140 droeg haar zoon Dirk in Rome mede namens zijn moeder de abdijen van Egmond en Rijnsburg met al hun goederen in eigendom en bescherming over aan de Heilige Stoel. Mogelijk heeft Petronilla zich na de dood van haar zoon teruggetrokken in de schaduw van haar nieuwe stichting te Rijnsburg, waar zij na haar dood op 23 mei 1144 haar laatste rustplaats vond. Gravin Petronilla was een opmerkelijke vrouw die een grote invloed heeft gehad op de politieke gebeurtenissen van haar tijd. Zij heeft daarbij beoordelingsfouten gemaakt, waarbij vooral de ongelukkige abtskeuze voor de abdij van Egmond ernstige gevolgen heeft gehad. Hierover snierde de Egmondse monnik die de gebeurtenissen optekende ‘het vrouwelijk geslacht laat zich gemakkelijk beïnvloeden’. Maar met het stempel dat Petronilla heeft gedrukt op de gebeurtenissen van haar tijd, kan zij niet anders dan een sterke persoonlijkheid zijn geweest. Na de vroege dood van haar man in 1122 voerde zij het regentschap voor haar zoon, graaf Dirk VI van Holland. Petronella vond dat Dirk niet voldoende kwaliteit had om graaf te worden en ze weigerde haar functie op te geven Petronella steunde haar halfbroer in zijn poging om keizer te worden. | van Saksen, Petronilla, Geertruid, Gertrude (I4844)
|
| 2068 | Piecken | van der Cruijck, Dirk Leendertse (I1554)
|
| 2069 | Pieter Heijndrijcxsz. smid, poorter van ’s-Gravenzande bekende verkocht te hebben aan Adriaen Pietersz. ’t Luck en Hubert Claesz. poorters van ’s-Gravenzande 2½ morgen land gelegen in het ambacht van ’s- Gravenzande ten noorden van het Heilige Geesthuisje en nog 2 hond land gelegen in het Oudeland | Luck, Lucq, Adriaen Pietersz (I2608)
|
| 2070 | Pieter Jansz Taell vishacker ten haringh 1 Man 1 Vrouw 3 kinderen booven 10 jaer een daer van te haringh 2 kinderen boven 10 jaer in huijs 1 kindt booven 8 tot 10 jaer | Taal, Pieter Jansz (I5453)
|
| 2071 | Pieter komt om het leven in het garnizoen te Middelburg, de moeder van zijn kind, Adriana van der Houwen zal later huwen met Nicolaas Cz van den Ende. | van Dijk, Pieter (I4487)
|
| 2072 | Pieter neemt de achternaam van zijn vrouw over. | Berkhout, Pieter Jacobsz (I6030)
|
| 2073 | Pieter van Dijk erkent op geboorte aangifte de vader van Adrianus te zijn. | van der Houwen, Adrianus (I5896)
|
| 2074 | Pietertje Jans van Dorp, JD van Maassluis & Pieter Pieterse van Westveen, JM van Maassluis datum (onder)trouw 10-02-1683 trouwboek(en) ML 3-37 | Gezin: Pieter Pietersz Scharp / Pietertje Jansdr van Dorp (F1590223523)
|
| 2075 | Pink De Jonge Krijn is tijdens een storm vergaan; Stuurman Arie Roos; Reder/Rederij Krijn Hasenoot Bron: Vissersnamenmonumentscheveningen | van der Harst, Willem Maartense (I14151)
|
| 2076 | Pleun en Neeltje zijn op dezefde dag overleden. In de Kerk, graf 98, het lijk van man en vrouw agter elkander. | Noordam, Pleun Lz (I5840)
|
| 2077 | Pleun en Neeltje zijn op dezefde dag overleden. In de Kerk, graf 98, het lijk van man en vrouw agter elkander. | Thoen, Neeltje Wdr (I5841)
|
| 2078 | Pokkenepidemie | Ouwendijk, Klaasje (I5888)
|
| 2079 | Potier, Augustina Pronk, Cornelis Woutersze Pronk, Leuntje Wouterze Roelevelt, Arij Roelevelt, Cornelia Roelevelt, Krijn Roelevelt, Wouter | Pronk, Leuntje Wouterse (I5725)
|
| 2080 | Pouwels Adrijaensz. van Dijck koopt op 31 december 1598 van Neelgen Claesdr., weduwe van Dirck Vercroft Jansz., een woning als huis, schuren, bargen en geboomte staande op vier hond eigen grond, met nog 24 morgen 3 hond eigen land, waarvan 21 morgen drie hond in Naaldwijk en de rest aan de zuidzijde van de Lierweg in het ambacht De Lier. Daarenboven neemt Pouwels vier morgen 4½ hond tarwepachtland over, gehouden van de vrouwe van De Lier. Hij betaalt met een custingbrief van 23.500 gld. | van Dijck, Pouwels Adriaensz (I4669)
|
| 2081 | Pouwels Adrijaensz. van Dijck koopt op 31 december 1598 van Neelgen Claesdr., weduwe van Dirck Vercroft Jansz., een woning als huis, schuren, bargen en geboomte staande op vier hond eigen grond, met nog 24 morgen 3 hond eigen land, waarvan 21 morgen drie hond in Naaldwijk en de rest aan de zuidzijde van de Lierweg in het ambacht De Lier. Daarenboven neemt Pouwels vier morgen 4½ hond tarwepachtland over, gehouden van de vrouwe van De Lier. Hij betaalt met een custingbrief van 23.500 gld. | van Dijk, Pouwels Adriaensz (I7113)
|
| 2082 | Pouwels Ariensz. van Dijck ende Jannitgen Jans van der Burch maken op 10 februari 1609 hun testament en benoemen hun kinderen tot erfgenamen. | van Dijck, Pouwels Adriaensz (I4669)
|
| 2083 | Pouwels Ariensz. van Dijck ende Jannitgen Jans van der Burch maken op 10 februari 1609 hun testament en benoemen hun kinderen tot erfgenamen. | van Dijk, Pouwels Adriaensz (I7113)
|
| 2084 | Praaibericht 1988 blz.34 citeert het hypotheekregister van Den Haag: op 25 mei 1573 Adriaen Koenen van Scilperoort en Apollonia Koenen, wed. Cornelis Eeuwouts jonge Langevelt vrijwaren Wouter Jansz Snijder (=Bom) i.v.m. een aan deze verkochthuis en geven daarvoor hypotheek op een huis van de Korendijck | Bom, Wouter Jansz (I5427)
|
| 2085 | Predikant: Hermanus Bertling | van der Kruk, Jacobus (I5965)
|
| 2086 | Pro Deo In 't kraambed overleden | Tuit, Maria Cornelisse (I8595)
|
| 2087 | Pro Deo | Nadijk (Nodijk, Naaldijk), Hendrik (I4153)
|
| 2088 | Pro Deo | van der Harst, Leendert Cornelisz (I8052)
|
| 2089 | Pro Deo | van der Harst, Cornelis Leendertsz (I8071)
|
| 2090 | Proces Verbaal afschrift 445 d.d. 26-2-1945, Betreft: Bomaanval Spuistraat. Ondergeteekende Marinus van Dijk, Hoofdwachtmeester de Staatspolitie, Verklaart op den eed afgelegd als buitengewoon veldwachter het navolgende: Op maandag 26 februari 1945, om ongeveer 10 uur 50 minuten heeft een bomaanval plaats gehad in de Spuistraat, waarbij ik als "Commandant plaats Ongeval" ben opgetreden. De gevolgen en bijzonderheden hiervan zijn als volgt: Aantal afgeworpen projectielen: 1 brisantbom, voor perceel Spuistraat 11 Aantal zwaargewonden Nederlandsche politie: 1 Aantal dooden burgerbevolking: 27 Aantal zwaargewonden burgerbevolking: 31 Aantal lichtgewonden burgerbevolking: 23 Graf C95 | van der Kruijk, Teuna Adriana (I4243)
|
| 2091 | Proces Verbaal afschrift 445 d.d. 26-2-1945, Betreft: Bomaanval Spuistraat. Ondergeteekende Marinus van Dijk, Hoofdwachtmeester de Staatspolitie, Verklaart op den eed afgelegd als buitengewoon veldwachter het navolgende: Op maandag 26 februari 1945, om ongeveer 10 uur 50 minuten heeft een bomaanval plaats gehad in de Spuistraat, waarbij ik als "Commandant plaats Ongeval" ben opgetreden. De gevolgen en bijzonderheden hiervan zijn als volgt: Aantal afgeworpen projectielen: 1 brisantbom, voor perceel Spuistraat 11 Aantal zwaargewonden Nederlandsche politie: 1 Aantal dooden burgerbevolking: 27 Aantal zwaargewonden burgerbevolking: 31 Aantal lichtgewonden burgerbevolking: 23 Graf C95 | van der Kruijk, Cornelia (I4244)
|
| 2092 | Proclamaties: 30-12-1798, 6-1-1799 en 13-1-1799 Volgens de akte afkomstig van Breda... Pro Deo | Gezin: Henricus Broekman / Arijaantje Maarleveld (F1590222669)
|
| 2093 | Prometheus - Kwrtrst Noordam | Maartje Woutersdr (I12870)
|
| 2094 | PRONK (Jacob), ged. in de Oude kerk te Scheveningen 14 Mrt. 1762, overl. te Scheveningen 18 Jan. 1838, zoon van Klaas Jacobse Pronk en Rookje Teunis Zuurmond, was reeder en koopman en vervulde in de Novemberen Decemberdagen van 1813 een gewichtige rol. Geruimen tijd voor de omwenteling in den Haag was Pronk, die zich reeds in 1795 als een vurig Oranjeman had doen kennen, in de plannen van het Driemanschap ingewijd. Op last van den graaf van Limburg Stirum zette hij 17 November Scheveningen in oranje en deed de fransche wacht aldaar aftrekken. Door het Provisioneel Bestuur van den Haag als Provisioneel Commissaris voor Scheveningen benoemd, bewees hij niet alleen de stad, maar ook den lande belangrijke diensten. Zoo zond Pronk een aantal bomschuiten ten kruistocht langs de kust om de engelsche vloot op te sporen; twee wagens met gewapende Scheveningers gingen naar de kustdorpen om de seintoestellen af te breken. Toen van 27 November af dagelijks engelsche mariniers werden aan wal gezet en groote hoeveelheden ammunitie uit zee doorde engelsche marineschepen werden aangevoerd, was zijn taak zeer omvangrijk en zwaar. Voor de verzorging der Engelschen werd hij trouw bijgestaan door zijne echtgenoote Wilhelmina Catrina Sarter. De kerk werd gebruikt als tijdelijke opslagplaats der ammunitie, die later met wagens - transporten van 20 tot 60 voertuigen - naar Delft werd overgebracht. Door zijn maatregelen had geen enkel ongeluk plaats. Dank zij ook het toezicht van P. kwam de Prins 30 November te Scheveningen behouden op den vaderlandschen grond en na aan de pastorie eenige oogenblikken verwijld te hebben, met een rijtuig in den Haag aan. In de eerste helft van December hield het landen van engelsche troepen en het aanvoeren van ammunitie steeds aan. De 's Gravenhaagsche Courant van 10 Dec. 1813 meldt: ‘Bij voortduring heeft men troepen op Scheveningen aan den wal zien komen, terwijl tevens aldaar de grootste werkzaamheid heerscht om ammunitie en wapenen te ontschepen, waarin de brave ingezetenen van Scheveningen, om strijd, de behulpzame hand bieden, en waaronder voornamelijk verdient aangemerkt te worden de zoo verdienstelijke als weldenkende Jacob Pronk, die van het oogenblik der heugchelyke omwenteling, door zijnen onvermoeiden yver, en activiteit, niet opgehouden heeft de grootste diensten aan den staat te bewijzen; zoo dat hij dus te regt aanspraak mag maken op de welwillendheid van alle zijne landgenooten’. Dat P. door de omstandigheden en door zijn persoonlijkheid zoo op den voorgrond was getreden, was velen niet naar den zin, en toen P. zich 15 Januari 1814 liet verleiden tot het samenstellen en afkondigen van een Bekendmaking aan de visschers betrekkelijk het vervoer van passagiers, alleen met paspoorten, zonder daartoe door het Provisioneel Bestuur gemachtigd te zijn, viel hij ook bij den magistraat in ongenade; zijn vijanden bleven hem bestoken en niettegenstaande hij nog in Februari d.a.v. verklaarde dat ‘zijn handelingen tot het algemeen welzijn verstrekten’, viel 30 Maart 1814 het besluit in de vergadering van het Provisioneel Bestuur ‘de commissie van Jacob Pronk in te trekken en denzelve na dankbetuiging voor zijne betoonden iever en activiteit in de hem opgedragen taak bij missive uit deszelfs betrekking op de honorabelste wijze te ontslaan’. Koning Willem I benoemde hem tot broeder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw. Alle pogingen van Pronk om een lands- of stadsbetrekking te krijgen mislukten; alleen bleef hij postmeester voor het vervoer op Engeland, dat in die dagen via Scheveningen plaats had. In 1817 werd de postroute verlegd over Hellevoetsluis en Pronk met een gratificatie van ƒ 500 ontslagen. Een jaar later richtte Pronk, ter zijde gestaan door zijne wakkere echtgenoote, een zeebadinrichting ten Noorden van het dorp op en werd de grondlegger van de badplaats Scheveningen. Van zijn inrichting, bestaande uit een houten gebouw met ontvangkamer en vier badkamers, en uit een tweetal badkoetsen werd al spoedig een betrekkelijk druk gebruik gemaakt, zelfs door Engelschen en Duitschers, en toen het bleek dat de zaak levensvatbaarheid had, besloot het Gemeentebestuur in 1826 het badbedrijf in eigen beheer te nemen; in 1828 was het houten gebouw vervangen door een steenen, geheel ingericht naar de eischen van dien tijd. Pronk werd toen schadeloos gesteld door zijn benoeming tot badmeester op een jaarwedde van ƒ 1000. In 1820 werd Pronk aangesteld als agent voor de engelsche correspondentie te Scheveningen op een jaarwedde van ƒ 450. -; in den winter van genoemd jaar konden de engelsche brievenmalen niet via Hellevoetsluis gaan, vanwege het vele drijfijs op de reede aldaar en deze omstandigheid zou zich meermalen kunnen voordoen. Pronk had drie zoons: de een stierf op jeugdigen leeftijd, de tweede vestigde zich aan de Kaap de Goede Hoop; de derde koos den militairen dienst en stierf in 1855 als majoor provinciaalcommandant van Noord-Brabant. Zijn vrouw overleed 13 Maart 1839. Zijn portret, geschilderd door C. van Cuylenburg, bij Mr. A. Pronk van Hoogeveen te de Bildt. Zie: J.C. Vermaas en P. Hoogenraad, | Pronk, Jacob (I5317)
|
| 2095 | Pronk, Arij Japikse Pronk, Arijtje Pronk, Dirk Pronk, Gerrit Pronk, Lena Roos, Aagje Roos, Gerrit | Roos, Aagje Gerritse (I5196)
|
| 2096 | Pronk, Gieltje Wouterse Pronk, Jannetje Spaans, Cornelis Spaans, Diewertje Spaans, Geertje Spaans, Jacob Spaans, Leenderd Wit, Aaltje Leendertsdr. de | de Wit, Aaltje Leenderts (I8652)
|
| 2097 | Querijntje (Crijntje) is mogelijk kort na 1578 overleden ofwel zij was weduwe voor zij Vranck Oliviers trouwde; Vrank Oliviers verklaart zich namelijk ‘als getrouwd hebbend de weduwe van ArentJoris aan de Maasdijk’ op 28-6-1579 schuldig aan Cornelis Joris 77 gld. wegens koop van het huis genaamd de Valck te Naaldwijk onder verband van de helft van een huis en erf te Naaldwijk, o: ’s Herenweg, z: Zier Pietersz. backer, w: Cornelis van Reynegom, n: de ergenamen van Maertgen Crijnen (ora Naaldwijk 3, 83). | Crijntje Jans (I2708)
|
| 2098 | Quijntijn de Veer (magistraat) met sijn vrou en Haesge Gerritsdr. | Pals, Harmen (I12707)
|
| 2099 | R.A. Poortugaal no. 2, 15 januari 1665: Aert van Driel. dijkgraaf van Albrantswaerd en zijn vrouw Cornelia Spruyt transporteren. Not. Oud-Beiierland 539, 4 oktober 1667: Aerdt Jansen vam Driel, ‘Dijckgraeff van Albrantswaert, geeft procuratie. R.A. Poortugaal no. 2. 30 oktober 1675: Aert van Driel, dijkgraaf van Albrandswaard, transporteert aan Jacobs van DrieL te Poortugaal en aan Mr. Nicolaas van Driel, regerend burgemeester van Schiedam. Zie ook ,,Ons Voorgeslacht”, jrg. 1961, blz. UO-111 | van Driel, Aert Jansz (I12710)
|
| 2100 | Rederij W. van der Toorn & J.C. Pronk. Werfstraat 115 | Pronk, Johannes Cornelis (I14181)
|
| 2101 | regel 1, graf XX | NN, NN (I5804)
|
| 2102 | regel 1, graf XXII | Lalleman, Lambrecht (I5805)
|
| 2103 | rentmeester (van de memorie- en kosterijgoederen in Rijnland, Delfland en Schieland) van de abdij van Egmond 1494-1506 (1519 | van Dorpe, Bartholomeus Hendricksz (I4242)
|
| 2104 | Rentmeester van Holland | van Schipliede, Coppaerd (I995)
|
| 2105 | Richard I Leeuwenhart (Engels en Frans: Richard Cœur de Lion, Engels ook wel: Lionhearted, Occitaans: Ricard Còr de Leon) (Oxford, 8 september 1157 – Châlus bij Limoges (Frankrijk), 6 april 1199) was koning van Engeland van 1189 tot 1199 en nam als kruisvaarder deel aan de Derde Kruistocht. Hij was de derde zoon van Hendrik II en Eleonora van Aquitanië. | van Engeland, Hertog van Aquitanië Richard I (I14447)
|
| 2106 | Richards hersenen en ingewanden zijn begraven in de Abdij van Charroux in Poitou, zijn hart in de kathedraal van Rouen in Normandië en de rest van zijn lichaam is vijf dagen na zijn overlijden bijgezet, aan de voeten van zijn vader, in de Abdij van Fontevraud in Anjou. Richards hersenen en ingewanden zijn begraven in de Abdij van Charroux in Poitou, zijn hart in de kathedraal van Rouen in Normandië en de rest van zijn lichaam is vijf dagen na zijn overlijden bijgezet, aan de voeten van zijn vader, in de Abdij van Fontevraud in Anjou. | van Engeland, Hertog van Aquitanië Richard I (I14447)
|
| 2107 | Ridder, Kasteelheer op het slot Wijdenesse, welk slot hij na belegering door de Friezen moest overgeven, op voorwaarde van een vrije aftocht naar Holland. Dit lot trof ook kasteel Nieuwendoren, door Graaf Floris V mede tegen de Friezen opgericht. Ridder van Schoorl | van Naeldwick, Ridder van Schoorl Boudijn (I3434)
|
| 2108 | RK gedoopt | Torgerstedt, Petrus (I2589)
|
| 2109 | Robert de Sterke, ook Rutpert (ca. 820 - Brissarthe, 2 juli 866), was hertog in Neustrië. Zijn familie staat bekend als de Robertingen of Robertijnen en is naar hem genoemd. Zijn bijnaam "de Sterke" werd hem gegeven vanwege zijn militaire successen, vooral tegen de Vikingen. Leven en Loopbaan Robert was een zoon van Robert van Worms en Waldrada van Orléans. Robert was graaf van de Wormsgouw als opvolger van zijn broer Guntram. In 840 trok hij naar de omgeving van Orléans om de familiegoederen van zijn overleden moeder te gaan beheren. Als buitenstaander zou hij zich ontwikkelen tot een belangrijke medestander van Karel de Kale tegen de lokale aristocratie. Hij werd benoemd tot markgraaf van Neustrië, ter verdediging tegen Bretagne en de Vikingen. In 852 werd Robert ook lekenabt van Marmoutier en een jaar later was hij als zendgraaf in Maine, Anjou en Touraine. In 855 werd hij benoemd tot hertog van het gebied tussen de Seine en de Loire. Toen Karel een jaar later zijn zoon Lodewijk de Stamelaar tot onderkoning in Neustrië benoemde, betekende dat een gevoelig verlies voor Robert. Karel compenseerde hem met de graafschappen Autun en Nevers. In 857 verdedigde Robert Autun tegen Lodewijk de Duitser, die probeerde te profiteren van het overlijden van Lotharius I. Robert gaf in 858 leiding aan een coalitie van edelen uit Bretagne en Neustrië die Lodewijk de Duitser vroeg om koning van West-Francië te worden. Deze poging mislukte echter. Robert wist zich op tijd weer te verzoenen met Karel en werd in 861 beloond met het graafschap Anjou. Toen Lodewijk de Stamelaar in 862 in opstand kwam tegen zijn vader, bleef Robert trouw aan Karel. Hij vocht tegen Lodewijk en tegen zijn bondgenoten: hertog Salomon van Bretagne en Pepijn II van Aquitanië. Zowel Robert als Salomon huurden Vikingen in om hun legers te versterken. Deze gevechten bleven de volgende jaren voortduren. Ook moest Robert in 863 wederom Autun verdedigen tegen Lodewijk de Duitser, die nu probeerde te profiteren van de dood van Karel van Provence. | Robert (Rutpert) de Sterke (I14624)
|
| 2110 | Robert en Constance hadden de volgende kinderen: Constance (ca. 1005), gehuwd met Manasses van Dammartin-en-Goële. Hedwig (ca. 1003 - 5 juni na 1063), gehuwd met Reinoud I van Nevers, ze kreeg Auxerre als bruidsschat. Hugo (1007 - 28 augustus 1025). In 1017 gekroond tot medekoning en later in opstand om een volwaardige functie op te eisen maar verzoende zich later met zijn vader. Begraven te Compiègne. Hendrik. Robert. Odo (ca. 1013 - ca. 1058), steunde zijn broer Robert tegen zijn broer Hendrik maar werd in 1041 verslagen en gevangengenomen. Hij vocht later voor Hendrik tegen Normandië maar werd in 1054 verslagen. Adela (1009 - 8 januari 1079), huwde met hertog Richard III van Normandië en met graaf Boudewijn V van Vlaanderen. | Gezin: Koning van Frankrijk Robert II van Frankrijk / Constance d'Arles (F1730625707)
|
| 2111 | Robert en Waldrada waren ouders van: Oda, gehuwd met Werner, graaf van de Wormsgouw Guntram dochter, gehuwd met Megingoz I, graaf van de Wormsgouw Robert de Sterke (ca. 820-866). | Gezin: Robert III van Worms / Waldrada van Orléans (F1730637139)
|
| 2112 | Robert II van Haspengouw (ca. 765 - 12 juli 807) was een zoon van graaf Thuringbert en kleinzoon van Robert I van de Haspengouw en Williswinda. Hij was graaf van Wormsgouw, Rijngouw en de Haspengouw, en heer van Dienheim, als opvolger van zijn neef Heimrich. Robert was een belangrijke hoveling van Karel de Grote en wordt veel in aktes genoemd. Hij overleed na terugkeer van een missie naar het Midden-Oosten. Zijn eerste huwelijk was met Theoderata (ca. 770 - 789), waaruit zoon Robert van Worms geboren werd, de oudst bekende voorvader van de Robertijnen. Later volgde een tweede huwelijk met Isengarde. | van Haspengauw, Robert II (I14628)
|
| 2113 | Robert III van Worms (voor 790 - voor 834), ook Rutpert, was een zoon van Robert van Haspengouw, uit het bekende geslacht der Robertijnen. Robert was in 807 graaf van de Wormsgouw en de Oberrheingau, keizerlijk gezant in Mainz en een vooraanstaand hoveling van Lodewijk de Vrome. Hij was gehuwd met Waldrada van Orléans, erfdochter van graaf Hadrianus van Orléans (en daardoor kleindochter van Gerold van Vintzgouw) en Waldrada van Hornbach. Zij erfde in 822 omvangrijke goederen in de omgeving van Orléans. 19 december 834 deed Waldrada samen met haar zoon Guntram een schenking voor het zielenheil van Robert aan de Abdij van Lorsch. | van Worms, Robert III (I14626)
|
| 2114 | Robert is ca. 895 gehuwd met Beatrix van Vermandois. Omdat een dochter van Robert met de broer van Beatrix zou trouwen, moet die dochter geboren zijn uit een eerder huwelijk met een onbekende vrouw, die volgens sommige bronnen misschien Adelheid zou heten. Uit zijn eerste huwelijk was Robert vader van: Adelheid (ca. 890-943), gehuwd met Herbert II van Vermandois Uit zijn tweede huwelijk was Robert vader van: Hugo de Grote, de vader van Hugo Capet Emma, in 921 gehuwd met Rudolf van Bourgondië | Gezin: Graaf van Tours Robert I van Frankrijk / Adelheid NN (F1730637136)
|
| 2115 | Robert is waarschijnlijk verwekt door een duitser. | Vermeulen, Robert (I4434)
|
| 2116 | Robert was de jongste zoon van hertog Robert de Sterke en een broer van Odo I van Frankrijk, die zijn vader opvolgde als hertog. In 885 vocht Robert met zijn broer Odo tijdens de verdediging van Parijs tegen de Vikingen. Toen Odo in 888 tot koning van West-Francië werd gekozen, droeg hij al zijn andere titels over aan Robert. Robert werd daardoor hertog van Francië, markgraaf van Neustrië, graaf van onder andere Parijs, Tours en Orléans, en lekenabt van onder andere Saint-Denis, Marmoutier en Saint-Martin in Tours, Saint-Germain-des-Pres in Parijs, Notre-Dame de Morienval en Saint-Amand. In 893 benoemde Odo hem ook tot graaf van Poitiers maar hij werd door de lokale adel verdreven. Na de dood van Odo in 898 had Robert een kans om zelf koning te worden maar zag ervan af en steunde het koningschap van Karel de Eenvoudige. In ruil bevestigde Karel Robert in al zijn functies en bezittingen. De vrede tussen Karel en Robert bleef duren tot in 921. In die periode versloeg Robert in 911 de Vikingen onder Rollo bij Chartres. Karel begon onderhandelingen met Rollo en toen Rollo zich daarop liet dopen, was Robert zijn peetoom en liet Rollo zich als Robert dopen. In 914 verzekerde Robert de opvolging door zijn zoon Hugo. Karel was inmiddels ook koning van Lotharingen geworden. De Lotharingse graaf Hagano kreeg een sterke positie aan het hof van Karel en werd boven alle andere edelen begunstigd. Dit leidde tot steeds grotere weerstand onder de andere edelen en de bisschoppen. Toen Karel de Abdij van Chelles, waar de moeder van Hugo's eerste vrouw abdis was, confisqueerde om aan Hagano te schenken, kon Robert dat niet tolereren. Met de hulp van de belangrijkste edelen voerde Robert een staatsgreep uit: Robert werd op 22 juni te Reims tot koning gekozen en op 30 juni 922 daar tot koning gekroond. Na enkele korte gevechten rondom Reims en Laon, wist Robert de koninklijke schat in Laon in handen te krijgen en moest Karel vluchten. Hendrik de Vogelaar erkende Robert als koning van West-Francië en Lotharingen. Karel verzamelde echter een leger in Lotharingen en trok op tegen Robert. In 923 wist Robert tijdens de Slag bij Soissons Karel te verslaan. Robert kwam hier zelf echter bij om het leven - volgens de overlevering werd | van Frankrijk, Graaf van Tours Robert I (I14619)
|
| 2117 | Robert was zoon van koning Hugo Capet. Hij kreeg een voor die tijd bijzonder goede opvoeding. Zijn leraar was Gerbert van Aurillac, de latere paus Silvester II. Daardoor had Robert een voorliefde voor muziek, dichtkunst en religie. Doordat hij tijdens zijn regering bovendien streng optrad tegen ketters, kreeg hij de bijnaam "de Vrome". In 987 werd Robert gekroond tot medekoning naast zijn vader, om zijn kansen voor de opvolging zo groot mogelijk te maken.[3] Robert wilde trouwen met Bertha van Bourgondië, maar omdat ze verwant waren in de zesde graad, was dit tegen de wetten van de kerk en Hugo weigerde daarom in dit huwelijk in te stemmen. In plaats daarvan probeerde Hugo om Robert met een Byzantijnse te laten trouwen en toen dat niet lukte arrangeerde hij in 989 een huwelijk met de ongeveer 20 jaar oudere Suzanna van Italië. Zij was weduwe van Arnulf II van Vlaanderen en moeder van de minderjarige Boudewijn IV van Vlaanderen. Door dit huwelijk kreeg de kroon een sterke invloed in een van Als kroonprins speelde Robert een actieve rol. Hij nam deel aan de gevechten tegen Karel van Neder-Lotharingen om Laon. In 991 verhinderde hij Franse bisschoppen om deel te nemen aan een synode in Mousson, dat toen in Duitsland lag. In 991 en 994 was hij voorzitter van concilies in Frankrijk. In 996 overleed zijn vader en werd Robert koning. Robert scheidde direct van Suzanna om te kunnen trouwen met Bertha, die inmiddels weduwe was van Odo I van Blois. Wel behield hij de bruidsschat van Suzanna, zo genaamd om die voor haar te beheren. Wegens de bloedverwantschap met Bertha en de onwettige scheiding van Suzanna, stond Robert onder grote druk van de kerk om zijn huwelijk met Bertha te ontbinden. Toen hij bleef weigeren, werd het echtpaar uiteindelijk geëxcommuniceerd door paus Gregorius V. Robert volhardde zijn verzet tegen de kerk en bleef getrouwd met Bertha tot 1003. Toen wilde hij het hertogdom Bourgondië rechtstreeks aan de kroon brengen en was de excommunicatie een te grote politieke handicap. Na onderhandelingen met paus Silvester II, zijn oude leermeester, scheidde hij van Bertha en trouwde met Constance van Arles. De excommunicatie werd ongedaan gemaakt. Zijn politieke en militaire pogingen om de macht in Frans Bourgondië direct in handen te krijgen, mislukten echter door de tegenstand van de lokale adel en bisschoppen. Robert zette naast zijn huwelijk zijn relatie met Bertha gewoon voort. Het hof werd daardoor verdeeld in twee vijandige kampen. Het huwelijk met Constance zorgde wel voor erfgenamen maar was verder een grote mislukking. In 1005 veroverde Robert Auxerre, in 1015 volgde Sens en in 1016 had Robert eindelijk het hertogdom Bourgondië in handen. In deze periode trok hij samen met Bertha naar Rome, om hun zaak bij de paus te bepleiten maar die wilde niet toestemmen in een hernieuwd huwelijk. In 1020 overleed Stefanus I van Champagne en probeerde Robert om diens graafschappen aan de kroon te laten hechten. Robert kwam daardoor in conflict met Stevens erfgenaam (en Bertha's zoon) Odo II van Blois. In 1023 moest Robert uiteindelijk toestaan dat Odo de graafschappen van Stefanus in bezit nam. Robert sloot daarop direct een bondgenootschap met keizer Hendrik II om Odo's macht te beteugelen. Dit had enig succes want Odo moest Reims opgeven aan de bisschop en hij moest Dreux overdragen aan Robert. Na de dood van Hendrik kwam Robert in 1024 tot een vergelijk met Odo en steunde hij de tegenstanders van Koenraad II de Saliër. Een poging om Metz te veroveren mislukte. Een aanbod om koning van Italië te worden sloeg hij af. | van Frankrijk, Koning van Frankrijk Robert II (I14611)
|
| 2118 | Robrecht de Fries had het plan opgevat om op pelgrimstocht naar Palestina (het "Heilige Land") te trekken (1086–1091) (dus nog geen decennium voor de Eerste Kruistocht). Dus de positie van de christenen was er niet dramatisch slecht en de kruistochten dienden vooral andere belangen.[1] In 1086 vertrok hij vergezeld door een klein leger uit Vlaanderen. Hij liet het bestuur van het graafschap in handen van zijn zoon, de latere Robrecht II. Robrecht de Fries verbleef twee jaar in Jeruzalem. Bij zijn terugkeer knoopte Robrecht betrekkingen aan met de Byzantijnse keizer Alexius Comnenus, aan wie hij militaire hulp verleende in diens strijd tegen de Seltsjoeken.[2] In een gevecht reden Robert en drie van zijn metgezellen voor de hoofdmacht van het leger uit in een charge tegen troepen onder commando van Kerbogha, wiens troepen in dit gevecht door de christenen volledig uit elkaar werden geslagen. | van Vlaanderen, Graaf van Holland Robrecht I (I14653)
|
| 2119 | Robrecht en Geertruida van Saksen kreeg mogelijk zes kinderen: Adela van Vlaanderen, gehuwd met Knoet IV van Denemarken, en de ouders van Karel van Vlaanderen de Goede, graaf 1119-1128 Robrecht II van Vlaanderen, (ca 1065 - 1111), graaf vanaf 1093 tot 1111 en vader van Boudewijn VII van Vlaanderen, graaf 1111-1119 Filips van Lo, vader van de bastaard Willem van Ieper Ogiva, abdis van Mesen mogelijk Boudewijn, jong gestorven Gertrudis, in haar tweede huwelijk getrouwd met Diederik van Opper-Lotharingen, en de ouders van Diederik van de Elzas, graaf van Vlaanderen vanaf 1128 tot 1168. | Gezin: Graaf van Holland Robrecht I van Vlaanderen / Geertruida van Saksen Billung (F1730807055)
|
| 2120 | Robrecht liet in Kassel in 1072 de Sint-Pieterskerk bouwen op de Terrasse du Château (het platform boven op de Kasselberg) om zijn overwinning op de Franse koning te vieren die hij het jaar voordien op de naamdag van Sint-Pieter had behaald. Robrecht werd in 1093 in een crypte onder de kerk begraven. In 1787 begon men met de afbraak van de kerk. Tijdens de Franse Revolutie werden zijn asresten opgegraven en in een goot gegooid. Robrecht werd opgevolgd door zijn zoon, Robrecht II van Jeruzalem, aan wie hij reeds vóór zijn vertrek op pelgrimstocht gedeeltelijk het bestuur van zijn graafschap overdroeg (sinds 1080) | van Vlaanderen, Graaf van Holland Robrecht I (I14653)
|
| 2121 | ron Burgerlijke stand - Overlijden Archieflocatie Centraal Bureau voor Genealogie (voor Nationaal Archief) Algemeen Gemeente: Den Haag Soort akte: Overlijdensakte Aktenummer: 1117 Aangiftedatum: 19-09-1825 Overledene Trijntje van der Harst Geslacht: V Overlijdensdatum: 18-09-1825 Leeftijd: 25 Overlijdensplaats: Den Haag Vader Cornelis van der Harst Moeder Adriana Klok | van der Harst, Trijntje (I8952)
|
| 2122 | Rond 645 huwde hij met Begga, de dochter van Pepijn van Landen. Ze kregen de volgende kinderen: Pepijn van Herstal, (ca. 635-714), hofmeier van Austrasië, Neustrië en Bourgondië Clothildis van Herstal (ca. 650-699), gehuwd met koning Theuderik III van Neustrië, heilig verklaard | Gezin: Ansegisus (Ansegisel) / Begga van Herstal (F1730794301)
|
| 2123 | Ros, Marytje Ruijter, Leendert de Ruijter, Minicus de Tuijt, Elizabeth | de Ruijter, Leendert Minnekus (I13295)
|
| 2124 | Rothard van de Argengau (ca. 725 - na 771) was een Frankische edelman die geldt als de grondlegger van het geslacht van de Welfen. Hij was zoon van Hardrad. Rothard was een grootgrondbezitter in de Elzas en in de dalen van de Maas en de Moezel. Van 752 tot 762 wordt hij genoemd in meerdere aktes over schenkingen aan de Kathedraal van Saint-Denis en de Abdij van Prüm. In 769 wordt hij benoemd tot graaf van de Argengau. Rothard was hiermee een van de belangrijkste figuren in de politiek van koning Pepijn om het Frankische gezag over de Alemannen te verzekeren door Frankische edelen op sleutelposities in Alemannië te benoemen. De Argengau zou later de kern vormen van het bezit van de Welfen in Duitsland. In 771 wordt hij voor het laatst vermeld bij een schenking aan de Abdij van Gorze in het Moezeldal. Rothard was tweemaal getrouwd. De eerste maal met Haildis, de tweede maal met Ermenane met wie hij de zoon Welf kreeg. | van de Argenau, Graaf van de Argengau Rothard (I13766)
|
| 2125 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Levend (I6486)
|
| 2126 | Samen met Jan Doude in 1354 en 1355 vermeld als pachter van grafelijk goederen te Dixhorne en op de Harnas, | Jan Doude (I2637)
|
| 2127 | Samen met Jan Doude in 1354 en 1355 vermeld als pachter van grafelijk goederen te Dixhorne en op de Harnas, | NN (I2638)
|
| 2128 | Samen met Jan Doude in 1354 en 1355 vermeld als pachter van grafelijk goederen te Dixhorne en op de Harnas, | Jacob Toude (I2641)
|
| 2129 | Samen met Jan Doude in 1354 en 1355 vermeld als pachter van grafelijk goederen te Dixhorne en op de Harnas, | Claes Toude Aerntsz (I3461)
|
| 2130 | Samen met Jannetje Blok vrouw van Samuel de Zoete senior, zijn zuster. | Blok, Maria Arentsdr (I13987)
|
| 2131 | Samen met zijn broer Geryt | Jacob Adriaensz (I4888)
|
| 2132 | Samen met zijn oudere broer Karel werd hij in 754 door paus Stephanus II tot koning gezalfd. Na Pepijns dood in 768 werd het koninkrijk verdeeld onder Karel en Karloman. Karloman kreeg de zuidoostelijke regio toebedeeld, bestaande uit het zuidelijk deel van Austrasië (waarin onder andere Thionville), het zuidelijk deel van Neustrië (waarin onder andere Parijs, Soissons, Samoussy en Attigny), Bourgondië, de Provence, Septimanië, de Elzas, Alemannië en zuidelijk Aquitanië. Hij liet zich kronen in Soissons. Er was behoorlijk wat spanning tussen de broers en dat is mogelijk de reden van het overlijden van Karloman. Karloman was gehuwd met Gerberga en zij hadden twee kinderen, Pepijn en een onbekend kind (mogelijk gaat het hier om de heilige Ida van Herzfeld). Gerberga zou na Karlomans dood met haar twee kinderen naar de Longobarden vluchten waar ze toevlucht zocht bij Desiderius. Na 772 is er niets meer over hen bekend. | Koning der Franken Carloman I (I14249)
|
| 2133 | Samen met zus Kornelia gedoopt. | van der Pol, Martijntje Cornelisse (I5302)
|
| 2134 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Levend (I1)
|
| 2135 | Scheiding geregistreerd op 5-3-1921 | Gezin: Jan Hendrik Steeneken / Anna Snoeck (F1596610243)
|
| 2136 | Scheiding uitgesproken op 31-1-1721 Zoon Gerardus Johannes Jacobus blijft na de scheiding bij Gradus. Janneke vertrekt naar Voorhout. | Gezin: Gradus Stoks / Janneke Bal (F1596610244)
|
| 2137 | Schipper | (Lijkles), Wierd (I4343)
|
| 2138 | Schipper. Zij woonden in 1826 in Idskenhuizen | Lijkle (Sytses) (I4342)
|
| 2139 | Schoonzoon van Jacobus van der Kruk | de Zoete, Arie (I1190)
|
| 2140 | Schout van Delfgauw, gezworene te Hof van Delft (1588,1590, 1599, 1616) Op 22 Jan 1564 is hij 12 jaar oud. Hij werd ook wel Jacob Pouwelszn de Loose genoemd. Hij ging in Delfgauw wonen. Was bouwman in Rijswijk (1621, 1626), schout van Delfgauw, herbergier te Delfgauw en gezworene van het Hof van Delft (1588-1616) In de Ned Herv kerk in Rijswijk bevindt zich een wapen en rouwbord van hem, dat de volgende beschrijving bevat :"op zilver twee gekruiste gaffels, onderaan verbonden door een zwarte streep, zoals zij daar een driekoek vormen." Op dit rouwbord staat de levensgeschiedenis van Jacob Pouwelszn de Loose in rijm beschreven. Volgens dit rouwbord had hij: 8 kinderen, waarvan 1 overleden; 57 kleinkinderen waarvan er 18 overleden waren en 2 achterkleinkinderen. Waard en gezworene van Hof van Delft (1588-1616) Hij wordt ook "De Loose" genoemd en compareert ook als zodanig in diverse akten, hij is zelfs onder die naam begraven. Sommige van zijn nakomelingen hebben die (bij)naam afwisselend en in sommige gevallen zelfs constant als familienaam gebruikt. Jacob Pouwels was een boer van aanzien. Als lasten va de boedel worden opgevoerd pachten aan diverse eigenaren over 37 morgen land. In eigendom heeft hij het gebruikelijke "huys, schuren, bargen en geboomte" en bovendien nog "seve mergen twee hondert vijftig roeden weyland, te leen gehouden wordende van de Graffelijkheit van Holland, gelegen te Ruyven, belent ten zuyden de Molensloot". Het zijn waarschijnlijk dezelfde gronden als die van zijn kleinzoon Abraham Paulus. Jacob werd blijkbaar niet voor niets "Capitalist" genoemd. Niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen uit zijn gezin konden schrijven ! Dit blijkt uit een rekening van 16 stuivers van meester Huybert Lely wegens schoolgeld van een dochter Maartje Jacobs (waarschijnlijk uit het eerste huwelijk van zijn tweede vrouw). Hij was schepen van Ruyven en tekende met verSpeck. Dat hij een lastig man was blijkt uit de processen die buren tegen hem voerden wegens aan hem gedane leveranties die niet betaald werden. "De[n] negende grafstede toecomen[de] d´voors[chreven] erffgenamen, ad idem ut s[upra]. Den 20en [decem]b[ris] 1628 hierin begraven Jacob Pouwelsen den Loosen." transcriptie C.J.J. Stal, ´s-Gravenhage In Morgentalen 1587 komt hij voor als Jacob Pouwelsz Loose met 17 mergen in de Noordpolder van Delfgauw [Archief Noordpolder inv. 68 Hoogheemraadschap Delfland, bewerking van der Hoeven]. Sommige van zijn nakomelingen hebben die (bij)naam afwisselend en in sommige gevallen zelfs constant als familienaam gebruikt. Op 23 januari 1621 maakt het echtpaar een testament (NA. Not. Arch. inv. 1634 nr. 102) waarin zij vermaken "uit sonderlinge affectie en liefde tot ´t kint van Pouwel Jacobsz. genaemt Jacob Pouwelsz. de somma van 25 gulden van XL grooten". Tot voogd gesteld en beheerder, tot het kind 25 jaar is, de vader Pouwels Jacobsz. Op 29 december 1626 vermaakt het echtpaar eenzelfde legaat (NA. Not. Arch. inv. 1634 nr. 5) aan het kind van Neeltje Jacobs, genaemd Cornelis Aryensz. Tot voogden worden gesteld de zonen van de testateurs Pouwels Jacobsz. en Dirck Jacobsz.. In deze akte wordt van Jacob Pouwels de Loose gesteld dat hij "sieckelick van lighame" is. | Verspeck, Jacob Pouwels (de Loose) (I4217)
|
| 2141 | Schriftelijke volmacht om zaken af te handelen. In dit geval betreffende de echtscheiding en verdeling der boedel. | van der Harst, Albertus, Aalbert Bastiaansz (I13984)
|
| 2142 | Sersjantten. Cornelis Cornelisz. van Rijn, een hellebaert, een sjarp en sijtgeweer | van Rijn, Cornelis Cornelisz (Sr) (I8675)
|
| 2143 | Sijmen woont in 1544 op boerderij Vrederust. Hij heeft deze woning met 6 morgen omringend land dan in eigendom (zie tekstkader). Daarnaast heeft hij in 1544 de beschikking over 29 morgen in Monster en 21 morgen in Eikenduinen, en verder nog, deels samen met een ander, 17 morgen in Wateringen. In 1553 is de gebruikssituatie weinig anders. Landgebruik door Sijmen Jan Philipsz. Sijmen staat vermeld in de kohieren voor de 10e Penning van Monster. Volgens deze bron beschikt hij in 1544 en 1553 over 3 M van Vrouwe van Loosduinen, 3 M van Convent te Warmond, 18 M van Vrouwe van Waalwijk, 2½ M van Bagijnen te Delft, 2½ M van Jan Jacobs te Leiden, 6 M eigen land en een huis. Sijmen is ook te vinden in de kohieren voor de 10e Penning van Eikenduinen. In die voor 1543 en 1544 wordt hij gekwalificeerd als een pachter die in Monster woont. In 1543, 1544 en 1553 gebruikt hij 7½ (of 8½) M van de Heilige Geest in Den Haag en 16 H van de Delftse brouwer Dirk Claasz., beide gelegen in Escamp. In 1543 en 1544 beschikt Sijmen ook nog over stukken van 5 M en 6 M. In het Kohier voor de 10e Penning van Wateringen in 1544 is Sijmen eveneens opgeno- men als een gebruiker die in Monster woont. Hij heeft dan een stuk land van 6 M en, samen met Pieter Jansz., een stuk van 11 M. In 1553 beschikt hij over 2 M eigen land. De erfgenamen van Sijmen krijgen te maken met een proces voor het Hof van Holland dat wordt aangespannen door Philip Philipsz. in Den Haag. Of laatstgenoemde een familielid van Sijmen is, komt niet uit de geziene stukken naar voren. Op 24/26 januari 1559 oordeelt het Hof, dat sprake is van elkaar tegensprekende feiten. Partijen wordt de gelegenheid geboden om nieuwe stukken aan te leveren. Krap een half jaar later, op 3 juni 1559, compareren Sijmens erfgenamen voor de griffie, waarbij zij aangeven het proces te accepteren en procureur Cornelis van Haaften te constitueren hun zaak te behartigen. Als erfgenamen worden door de griffie genoteerd: Cornelis, Jan en Sebastiaan Sijmonsz., zijnde gebroeders en vervangende hun moeder Lijsbeth Cornelisdr., Jan Dirksz. Vercroft als man en voogd van Maritgen Sijmonsdr., Cornelis Jacobsz. als man en voogd van Grietgen Sijmonsdr., Pieter Claasz. als man en voogd van Geertrui Sijmonsdr. en Wouter Damasz. als man en kerkelijk voogd van Aachtgen Sijmonsdr. Zoals later nog ter sprake komt, heeft Sijmen ook nog een zoon Maarten. Merkwaardigerwijs wordt hij hier niet geregistreerd. Het verloop van het proces is nog niet achterhaald. Op 6 mei 1591 laten Sijmens erfgenamen opnieuw van zich horen bij de griffie van het Hof van Holland. Op die datum compareren Huijch Jansz. uit Naaldwijk en Arent Willemsz. Dom uit ’s-Gravenzande, mede namens de andere erfgenamen van Sijmen Jan Philipsz. te Monster. Zij con- stitueren dan procureur Gerrit van der Burch in hun proces tegen Claas Adriaansz. aan de Maasdijk. In dit geval noteert de griffie niet de namen van alle erfgenamen. Zoals onder Sijmens kinderen nog wordt toegelicht, zijn zowel Huijch Jansz. als Arent Willemsz. getrouwd met een kleindochter van Sijmen. Ook het verloop van het tweede proces is nog niet boven water. | Sijmen Jan Philipsz (I3541)
|
| 2144 | Sijmon Leendertsz. van der Wint als man en voogd van Lijsbeth Jorisdr., Leentgen Jansdr. weduwe van Joris Jorisz. van der Meer geassisteerd met Jan Jansz. haar zoon en verkoren voogd in deze, Jan Vrancken van Velden wonende in De Lier als man en voogd van Soetgen Pouwelsdr., voorn. Sijmon Leendertsz. als oom en voogd van zijn huisvrouwswege van vaderszijde en Adriaen Claesz. van Geest als oom en bloedvoogd van moederszijde van het nagelaten weeskind van Cornelis Jorisz. van der Meer geprocreerd bij Griete Claesdr., en dezelfde Sijmon Leenderts. in kwaliteit voorsz. als oom en voogd van vaderszijde van de twee nagelaten weeskinderen van de voorn. Cornelis Jorisz. van der Meer geprocreerd bij Soetgen Pouwelsdr. zijn tweede huisvrouw geassisteerd met de heer baljuw en weesmeesters van Naaldwijk als oppervoogden van de voorsz. drie nagelaten weeskinderen bekenden, te weten voorn. Sijmon Leendertsz. en Leentgen Jansdr. elk voor een derde part, Jan Vrancken van elden voor een zesde part en de voogden van de voorn. drie weeskinderen te samen voor een zesde part, verkocht te hebben aan de heer schout Sijmon van Catshuijsen een huis 9 hond 48 roeden zowel boomgaard als teelland waarop ten dele de voorsz. huising is staande, staande en gelegen op Honselersdijk, met al de huisraad, inboedel en roerende goederen met de kleding van Arent Pietersz. Dom die alle te samen op boelhuisrecht zijn verkocht, alles hun comparanten opgekomen en aanbestorven door overlijden van Rusgen Dircxsdr. en Arent Pietersz. Dom. | van der Meer, Cornelis Jorisz (I4671)
|
| 2145 | Simon is reeds weduwnaar, doch op de akte van ondertrouw wordt hij vermeld als 'J.M. in 't ambagt van 't Dorp' Neeltje als 'JD in Noordkethel' | Gezin: Simon Jcz Berkhout / Neeltje Huibregtsdr Poot (F1590223495)
|
| 2146 | Slagveld, een terrein of wildernis nabij de Korendijkstraat. Den 4 den Dec. 1779 werd dat in erfpacht uitgegeven; het was belend „aan de N.O. zijde 't wejjland van Jacob van Dun'n, aan de N.W.zijde de Korendijk, mitsgaders de huyssinge en erven van Leendert en Jacob Starrenburgh, Jacob Zuurmond, Jan van der Lubbe en Maarten van den Doorn, aan de Z.W.zijde het slag, toekomende aan substituut-schout Bastiaan v. d. Harst." Het werd gebruikt sedert 't begin der 18e eeuw voor 't drogen van vischwant, tot berging van mest en vuilnis enz. | van der Harst, Bastiaan Jacobse (I5197)
|
| 2147 | Slechts eenmaal hebben wij deze toestemming verleend op een verzoek van den Burger Cornelis van der Harst, te Scheveningen; waar van wij terstond aan het Provinciaal Committe, Departement van Algemeen Welzijn kennis gaven, by eene Misfive van 22 December 1796. | van der Harst, Cornelis Leenderts (I5312)
|
| 2148 | Slechts: J.M. | Gezin: Cornelis Teunisse van der Boon / Jannetje Leendertse van Duijvenbode (F1590223217)
|
| 2149 | Snaphaen Of wel musket is een geweer dat in de 17e en 18e eeuw werd gebruikt in het leger. Hierbij werd de haan op een vuursteen overgehaald. Het geweer was zwaar en moest op een vork worden ondersteund waarbij elke 5 minuten een schot kon worden afgevuurd met een draagwijdte van maximaal 300 meter. | Roeleveld, Crijn Crijne (I5477)
|
| 2150 | Soldaat, tamboerijn der Cloveniersdoelen in 1635, bottelier en zilverbewaarder van de Prinses Royaal (Maria Stuart, de echtgenote van stadhouder Willem II) in 1642 tot zijn dood in 1648. Was bij zijn huwelijk in 1631 reeds weduwnaar. {overlijden niet in Den Haag gevonden} | van Gogh, Gerrit (I13883)
|
| 2151 | Soort akte: Contrat de vente d'immeuble Object: Maison Plaats: Middelburg Huisnaam: Groot Nazareth Adres: St. Geertstraat of Reijgerstraatje A 86 Notaris: Johannes van den Broecke | van der Harst, Leendert (junior) (I13962)
|
| 2152 | Soort akte: Proces-verbaal van publique verkooping van vastgoed Aktedatum: 15-06-1814 Object: Huis en erve Plaats: Middelburg Adres: Reigerstraat A 117 | van der Harst, Leendert (junior) (I13962)
|
| 2153 | Stefanus II Hendrik van Blois (?, 1045 - Ramla, 19 mei 1102) was graaf van Blois, Chartres, Dunois en Meaux, en was een van de leiders van de Eerste Kruistocht. Hij was de oudste zoon van Theobald III van Blois en zijn, vrij snel verstoten, eerste echtgenote Garsende van Maine. Als jonge man nam Stefanus deel aan de oorlog van Blois tegen Anjou in 1061. In 1074 kreeg hij van zijn vader het bestuur over Blois en Chartres. Hij trouwde in 1080 met Adela van Normandië, een zus van Robert van Normandië en dochter van Willem deVeroveraar. Stefanus nam in 1088 deel aan de mislukte opstand tegen koning Filips I van Frankrijk. Daarna onderwierp hij zich aan de koning. In 1089 volgde hij zijn vader op als graaf van Blois, Chartres, Dunois, Châteaudun, Sancerre en Meaux, en deed hij een schenking aan de abdij van Pontylevoy voor het zielenheil van zijn ouders. Stefanus onderdrukte voor de koning een opstand van graaf Bouchard van Corbeil. Ook verwierf hij door erfenis het graafschap van de Champagne. Stefanus nam deel aan de Eerste Kruistocht en ontpopte zich als een van de leiders van de onderneming. Twee van zijn enthousiaste brieven aan zijn vrouw zijn bewaard gebleven. Stefanus was de leider van het beraad van de kruisvaarders tijdens het beleg van Nicea en een van de aanvoerders tijdens het Beleg van Antiochië. Stefanus begon eraan te twijfelen of de stad kon worden ingenomen en kreeg genoeg van de maandenlange ontberingen en gevaren van het beleg. Daarom verliet hij het beleg en keerde terug naar huis, twee dagen na zijn vertrek werd de stad door de kruisvaarders ingenomen. Stefanus kwam thuis met grote schatten maar kreeg al snel de reputatie van een lafaard. Toen hij in 1100 de kans kreeg om met de Kruisvaart van 1101 mee te gaan, stond zijn vrouw erop dat hij meeging. Deze kleine kruistocht wist nog Ankara te veroveren maar was daarna eigenlijk een mislukking. Stefanus wist na de nederlaag bij Mersivan (waar hij Raymond IV van Toulouse wist te redden) via Tarsus naar Antiochië te vlucht | van Blois, Graaf van Champagne Stephanus II (I4830)
|
| 2154 | Stefanus werd in Frankrijk geboren als zoon van Stefanus II van Blois, graaf van Blois en Chartres, en Adela van Engeland, de dochter van Willem de Veroveraar. Hij stond in bijzondere gunst bij zijn oom, koning Hendrik I van Engeland, en verkreeg van hem in 1115 de graafschappen Lancashire, Mortain en werd heer van Eye. Hij verbleef vooral op zijn Normandische bezittingen en vocht meerdere conflicten uit met andere edelen. Voor 1125 trouwde Stefanus met Mathilde van Boulogne, de erfdochter van graaf Eustatius III van Boulogne. In 1127 organiseerde hij voor Hendrik een campagne tegen Willem Clito, de nieuwe graaf van Vlaanderen, en Lodewijk VI van Frankrijk. Hierdoor kon Willem, die een tegenstander van Hendrik was, zich niet handhaven als graaf van Vlaanderen. Na de dood van zijn schoonvader erfden Stefanus en Mathilde niet alleen het graafschap Boulogne maar ook zijn grote bezittingen in Normandië en het zuidoosten van Engeland. Stefanus was nu een van de rijkste edelen in Engeland en Frankrijk. Hij waseen belangrijke hoveling in Engeland maar ook een regelmatige gast van Lodewijk VI aan zijn hof in Parijs. Opvolging van Hendrik Hendrik had geen mannelijke erfgenamen. Voor zijn overlijden had hij daarom zijn edelen, waaronder Stefanus, laten zweren om zijn dochter Mathilde als vorstin te zullen steunen. Toen Hendrik in 1135 stierf, ontstond er een complexe situatie. Veel edelen en kerkvorsten konden niet zomaar een vrouw als koning accepteren, die bovendien getrouwd was met een niet Normandisch/Engelse edelman (Godfried V van Anjou). Er ontstond fel debat over de invulling van het koningschap en tegelijkertijd stelden de edelen uit Normandië Stefanus' oudste broer Theobald IV van Blois kandidaat als koning. Stefanus maakte gebruik van de impasse door zich in Londen tot koning uit te roepen. Met steun van zijn broer bisschop Hendrik van Winchester kreeg hij de steun van de koninklijke kanselier en schatbewaarder. Stefanus bezette met een klein leger Canterbury en Dover om een mogelijke invasie te kunnen afslaan. Stefanus kocht de steun van de kerk door te beloven de kerk in vrijheid bisschoppen te laten benoemen. En hij kocht de steun van de edelen en de steden door de belasting voor het Danegeld af te schaffen. Theobald gaf zijn aanspraken op in ruil voor het regentschap van het hertogdom Normandië. Mathilde gaf echter niet toe en daarmee begon een periode van strijd die de hele regering van Stefanus zou voortduren (Anarchie). Omdat Stefanus' vrouw ook Mathilde heette, werden zij en de kandidaat-koningin van elkaar onderscheiden door de vrouw van Stefanus "koningin Mathilde" te noemen en de kandidaat-koningin "keizerin Mathilde", omdat ze in haar eerste huwelijk met keizer Hendrik V getrouwd was geweest. In de eerste jaren van Stefanus' regering had hij nog een kans om zijn macht te vestigen en een stabiel bestuur op te bouwen. Keizerin Mathilde bezat niet echt de middelen om hem te bedreigen. Belangrijke edelen zagen echter hun kans om voordeel tehalen uit de onzekere situatie. De eerste was koning David I van Schotland, die ook grote Engelse goederen in leen had. In 1136 viel hij met een Schots leger Engeland binnen maar toen Stefanus een groot leger op de been wist te brengen werd in Durham een vrede onderhandeld waarbij David en zijn zoons belangrijke goederen in het noorden van Engeland verwerven. Tijdens een rijksdag erkenden bijna alle edelen het koningschap van Stefanus en de enkele weigeraars werden snel onderworpen, maar Stefanus heeft ze slechts licht of helemaal niet bestraft. Inmiddels had Godfried van Anjou Normandië aangevallen. In 1137 onderhandelde Stefanus met veel moeite een overeenkomst waarbij Godfried zich terug trok tegen een betaling van 2000 pond per jaar. De Schotten vielen in 1138 weer het noorden van Engeland binnen. Stefanus viel op zijn beurt Schotland binnen. Over en weer werden gebieden geplunderd en verwoest, totdat een lokaal Engels leger de Schotten wist te verslaan in de slag van de Standaard. Stefanus moest zich terug trekken uit Schotlandomdat zijn neef Robert van Gloucester, bastaardzoon van Hendrik I van Engeland, ontevreden was geworden over de beperkte rol die Stefanus hem had gegeven in het bestuur, en besloot om keizerin Mathilde te steunen. Stefanus wist de meeste gebieden van Robert te veroveren maar zag af van een aanval op Bristol - Roberts belangrijkste machtsbasis. Omdat zijn adviseurs vonden dat hij te mild was voor opstandelingen, liet Stefanus het grootste deel van het garnizoen van Shreswbury vermoorden nadat ze zich hadden overgeg Stefanus' broer bisschop Hendrik werd rond deze tijd benoemd tot pauselijk legaat voor Engeland. Stefanus stichtte de abdij van Furness. Koningin Mathilde onderhandelde in 1139 een nieuwe overeenkomst met David van Schotland waarbij die de controlekreeg over Northumbria, inclusief de strategische kastelen van Newcastle upon Tyne en Bamburgh, maar wel Stefanus als koning erkende. In 1139 leek Stefanus, afgezien van enkele lokale problemen, duidelijk de macht in handen te hebben in Engeland en Normandië. Maar in dat jaar begonnen de problemen pas echt, voor een groot deel door Stefanus zelf veroorzaakt: Stefanus kreeg een ernstig conflict met zijn kanselier, de bisschop van Salisbury. Hierdoor koos diens familie de kant van keizerin Mathilde. Omdat Stefanus in reactie hierop steeds meer de benoeming van vertrouwelingen in kerkelijke ambten doordrukt, en daarmee zijn belofte van 1135 breekt, wordt de relatie met de kerk als geheel slechter. Keizerin Mathilde bezocht met Robert van Gloucester onverwacht haar moeder in Arundel. Stefanus was zo nobel om ze een vrijgeleide naar Bristol te geven, terwijl hij ze ook gevangen had kunnen nemen. Mathilde en Robert begonnen toen rondom Bristol een nieuwe machtsbasis op te bouwen. Stefanus had nog de gelegenheid om in 1140 de abdij van Coggeshall te stichten. Hij belegerde het kasteel van Lincoln en werd daar op 2 februari 1141 door Robert van Gloucester aangevallen (Slag bij Lincoln). Stefanus werd verslagen en gevangengenomen. Tegelijk was Stefanus' broer Theobald verwikkeld in een conflict met de koning van Frankrijk. Daardoor kon hij niet voorkomen dat Godfried van Anjou Normandië veroverde. Keizerin Mathilde riep zichzelf uit tot "Heerseres van Engeland en Normandië" en begon voorbereidingen voor een kroning. Hendrik, de pauselijke legaat en broer van Stefanus, probeerde een vrijlating van Stefanus te onderhandelen en bood daarbij aan dat Stefanus van de koningstitel zou afzien. Keizerin Mathilde wilde daar niet op ingaan en Hendrik weigerde daarna mee te werken aan de kroning, waardoor die niet door kon gaan. Keizerin Mathilde werd door de boze bevolking uit Londen verjaagd. In september trok zij met een leger naar Winchester om Hendrik te dwingen aan een kroning mee te In 1142 werd keizerin Mathilde drie maanden lang belegerd in Oxford maar ze wist op gedurfde wijze te ontsnappen. Stefanus en Hendrik werden in 1143 verslagen door Robert van Gloucester. De paus nam Hendrik in dat jaar zijn functie als pauselijk legaat af. Stefanus had toen alleen nog controle over het noorden en oosten van Engeland en was niet bij machte om een campagne tegen keizerin Mathilde of naar Normandie te ondernemen. Hij had grote problemen om zijn vazallen onder controle te houden. Na 1143 volgden enkele jaren van betrekkelijke rust. Dat veranderde toen Robert van Gloucester in 1147 overleed en Hendrik, de zoon van keizerin Mathilde de leiding van de strijd op zich nam. Hendrik was nog jong en wilde in actie komen. Hetzelfde jaar viel hij met een leger van huurlingen Stefanus aan maar de campagne mislukte. Hendrik sloot een overeenkomst met Stefanus waarbij Hendrik zich terugtrok maar Stefanus het achterstallige loon van zijn soldaten zou betalen. Later probeerde Hendrik nog om Stefanus vanuit Schotland aan te vallen maar hij moest vluchten toen Stefanus met een groot leger naar York trok. Hendrik werd gevangengenomen en uiteindelijk teruggestuurd naar Normandië. In 1151 wilde Hendrik Stefanus vanuit Normandië aanvallen, maar blies de onderneming af toen zijn vader overleed. Toen Hendrik in 1152 trouwde met Eleonora van Aquitanië beschikte hij over alle middelen die nodig waren om een grootscheepse invasie te ondernemen. In 1153 stak Hendrik met een legerover naar Engeland en Stefanus overleed in 1154 in de priorij van Dover aan ingewandproblemen en inwendige bloedingen. Hij is begraven in de abdij van Faversham, waar zijn vrouw twee jaar eerder ook was begraven. Volgens de kronieken was Stefanus een vriendelijke man die graag door iedereen aardig werd gevonden. Hij hield er niet van om hard of streng te zijn en had daardoor op zijn minst een deel van zijn problemen aan zichzelf te wijten. Aan de andere kant had hij een reputatie dat hij zich niet aan afspraken hield. Ook heeft hij meerdere malen edelen een vrijgeleide gegeven om ze vervolgens gevangen te kunnen nemen. De "Anarchie" is een periode die geliefd is in Engelse en Amerikaanse fictie. Stefanus wordt daarin meestal als een onbetrouwbare usurpator afgeschilderd. | van Blois, Graaf-gemaal van Boulogne Stephanus (I4249)
|
| 2155 | Suzanna van Italië of Rosala van Ivrea (ca. 950 - 26 januari 1003) was een dochter van Berengarius II van Italië en van Willa van Toscane. In haar jeugd was ze hofdame van keizerin Adelheid. Na het overlijden van Arnulf hertrouwde Rosala in 988 met de Franse kroonprins Robert de Vrome, die zeker twintig jaar jonger was dan zij. Het huwelijk was tegen de zin van Robert maar overeenkomstig de wil van zijn vader Hugo Capet, wiens oog op Vlaanderen was gevallen. Zij bracht een mooie bruidsschat mee: Montreuil-sur-Mer en Ponthieu. Na de dood van zijn vader verstootte Robert spoedig zijn echtgenote onder het voorwendsel dat ze te oud was om nog kinderen te krijgen. Hij trouwde met Bertha van Bourgondië en Rosala trok zich terug in Vlaanderen. Er ontstond een conflict tussen Vlaanderen en de koning omdat die weigerde Montreuil terug te geven, zijn enige "eigen" zeehaven. Na een periode waarin Vlaanderen de tegenstanders van de koning had gesteund, werd een compensatie overeengekomen. Rosala had een belangrijk aandeel in het bestuur van Vlaanderen en overleed in 1003. | van Italië, Gravin Gemalin van Vlaanderen Suzanna (I14660)
|
| 2156 | Tamboer | (Cruck, Cruijck), Gerrit Leendertsz (I3814)
|
| 2157 | Te Lowestoft, Suffolk, Engeland overleed Joris Buitenhek en aldaar begraven | Buitenhek, Joris Arense (I13593)
|
| 2158 | Te Maassluis sloot hij een tweede huwelijk. Daarover staat genoteerd in het doopboek van Monster; "Rochus Arentse Luck, wedr van Monster met Maertje Sans van der Hoof j d van alhier woonende nu ter Heide Alhier getrout den 9 nov 1690" (161). | Gezin: Rokus Arentsz Luck / Maertje Jans van der Hoof (F1728824119)
|
| 2159 | Te samen met Klaar Jacobse | Knoester, Evert Wouterse (I5612)
|
| 2160 | Ten aanzien van de vader des bruidegoms het volgende citaat uit de akte: "Voorts is door partijen en getuigen onder ede verklaard, dat de vader van de bruidegom, in de geboorteakte van den laatsten voortkomende onder den naam van Jacob van der Kruijk, dezelfde persoon is, die in de overlijdensakten van de ouders des bruidegoms is genaamd Jacobus van der Kruk, en Jacob van der Kruk". Blijkbaar is vader Jacob al bij leven en welzijn zich 'van der Kruijk' gaan noemen. Verder valt op dat bruidegom Willem tekent met 'van der Kruk'. | Gezin: Willem van der Kruijk / Neeltje de Jong (F1590222487)
|
| 2161 | Ter belooning van aangewenden yver voor 1,5 morgen woeste duingrond. | van der Harst, Cornelis Leenderts (I5312)
|
| 2162 | Tesamen met haar zoon Machiel begraven | Valstar, Lijsbeth (I8790)
|
| 2163 | Tesamen met zijn moeder Elisabeth Valstar begraven. | Wijnands (Wijnlant, Wijmans), Machiel (I8168)
|
| 2164 | Testament tussen Arij Crijnen van der Helm en (de ziekelijke) Maartie Noordervliet | van der Helm, Arie Crijnsz (I4527)
|
| 2165 | Testament van Betgen Cornelis, weduwe van Cornelis Heijnricksz, schipper, wonend in Poeldijck. Zij noemt haar 5 kinderen: Corn. Cornelisz; Philps Cornelisz; Sent Cornelisz; Annetgen Cornelis, huisvrouw van Leendert Gijsen; Dirckgen Cornelis, huisvrouw van Adriaen Dircksz. Tevens de kinderen van Henrick Cornelisz, haar zoon zaliger. | Betgen Cornelisdr (I12808)
|
| 2166 | Testament van Dieuwertgen Gerritsdr wonend inden convente vanden Sint Ursula van Delft en eertijds conventeael van st. Marie clooster inde poort? van den Haege. Legaten aan: - Cornelis Gerritsz zoon van wijlen Gerrit Adriaensz Landman uit Geertruidenberg; - haar neef Jan Jaspers wonend te 's-Gravenzande, zoon van Jasper Gerritsz - Frans Dircxs wonend te Geertruidenberg - Trijn Cornelis eertijds Mees Gerrits jonckwijff - Maritge Vincenten - Annitgen Jansdr - Machtelt Henricx huisvrouw van Harman Thiemans - de 4 medebewoonsters bij haar convent, de conventualen van Sint Barbara te Delft, Agnietge Buijsmaker, Martijntge moeder in t selve convent, Jannitge Corn., Anna Jans. Wat zij naast de legaten achterlaat wordt nagelaten aan (niet met name genoemde) personen van vaders en moederszijde. | van Alenburgh, Jan Jaspersz (I2276)
|
| 2167 | Testament van Dieuwertgen Gerritsdr wonend inden convente vanden Sint Ursula van Delft en eertijds conventeael van st. Marie clooster inde poort? van den Haege. Legaten aan: - Cornelis Gerritsz zoon van wijlen Gerrit Adriaensz Landman uit Geertruidenberg; - haar neef Jan Jaspers wonend te 's-Gravenzande, zoon van Jasper Gerritsz - Frans Dircxs wonend te Geertruidenberg - Trijn Cornelis eertijds Mees Gerrits jonckwijff - Maritge Vincenten - Annitgen Jansdr - Machtelt Henricx huisvrouw van Harman Thiemans - de 4 medebewoonsters bij haar convent, de conventualen van Sint Barbara te Delft, Agnietge Buijsmaker, Martijntge moeder in t selve convent, Jannitge Corn., Anna Jans. Wat zij naast de legaten achterlaat wordt nagelaten aan (niet met name genoemde) personen van vaders en moederszijde. | van Alenburgh, Dieuwertgen Gerrits (I14269)
|
| 2168 | Testament van Dirckgen Claesdr, weduwe van Jasper Gerrits, schoemacker wonende in de Papestraet te Delft. Zij vermaakt en legateert aan: - Tonis Jans en Martijntgen Jansdr voorkinderen van haar dochter Rusgen Jaspersdr en wijlen Jan Thonis (1e man): ieder een som van 600 car. gld. - de voorkinderen van wijlen haar man, genaamd: Jan Jaspers en Cornelis Jaspers, 10 ponden - de 2 kinderen van wijlen Dirckgen Jaspersdr, 25 car. gld. - Rusgen Jaspers is de enige erfgenaam Het testament is opgemaakt en ten huize van Dirck Vincents van Schapensteijn, brouwer in de Candelaer in aanwezigheid van Dirck Vincents en zijn zoon Vincent Dircks als getuigen. | Dirckgen Claesdr (I14266)
|
| 2169 | Testament: 17-5-1651. Heeft 7k gehad (Notaris: Gerard van der Wel, Delft) | Verhouck, Pieter Clz (I4185)
|
| 2170 | Teunis vertrok naar "Het Westland ", waar het werk in de tuinderijen te vinden was dat hem aantrok. | Bakkenes, Teunis (I5871)
|
| 2171 | Tevens op 12-2-1796 | van der Harst, Cornelis Leenderts (I5312)
|
| 2172 | Theobald de Oude (ca. 880-943) geldt als de stamvader der Theobalders. Hij was burggraaf van Blois, Tours en Troyes, en lekenabt van Saint-Florent. In 904 kocht hij Chartres van de Vikingen. | Theobald (I14599)
|
| 2173 | Theobald huwde rond 1090 met Elisabeth, dochter van heer Milon I van Montlhéry. Dit huwelijk leverde het huis Dampierre veel prestige op, daar het huis Montlhéry een zijtak was van het huis Montmorency, een van de meest illustere adellijke geslachten in Frankrijk. Elisabeth bracht tevens het burggraafschap Troyes binnen het huwelijk, waardoor hij een belangrijke figuur in het graafschap Champagne werd. Theobald en zijn echtgenote Elisabeth kregen minstens drie kinderen: Gwijde I (overleden in 1151), heer van Dampierre Odo (overleden na 1136) een dochter, die huwde met een ridder genaamd Godfried | Gezin: Heer van Dampierre Theobald van Dampierre / Elisabeth van Montlhéry (F1730708832)
|
| 2174 | Theobald I van Blois, bijgenaamd de Bedrieger, (voor 905 - 16 januari 975/978) was een West-Frankisch edelman. Hij wordt beschouwd als de grondlegger voor de macht van het huis Blois-Champagne dat gedurende enkele eeuwen een prominente rol zou spelen in de geschiedenis van Frankrijk en van Engeland, en tijdens de eerste kruistochten. In 935 versloeg Theobald voor zijn vader Theobald de Oude de Vikingen van de Loire. In 940 volgde hij zijn vader op als burggraaf van Tours en steunde zijn leenheer Hugo de Grote tegen Lodewijk IV van Frankrijk. Theobald sloot in 943 een zeer gunstig huwelijk met Liutgard van Vermandois, dochter van Herbert II van Vermandois en weduwe van Willem I van Normandië. Bij het huwelijk bracht zij het graafschap Provins in. Toen Hugo kort daarna de erfenis van Herbert verdeelde, kreeg Theobald door zijn vrouw een ruim aandeel: hij werd ook nog graaf van Blois, Troyes, Beauvais, heer van Montagu, Montagne, Vierzon en Sancerre. Hij noemde zichzelf nu ook graaf van Tours. Theobald nam in 945 Lodewijk gevangen voor Hugo en kreeg van Hugo het commando over de stad Laon. In 948 werd hij voor deze daden tegen de koning geëxcommuniceerd door de synode van Laon. In de troebele tijden daarna wist Theobald zijn positie nog verder te versterken en werd graaf van Rennes en Chartres, burggraaf van Châteaudun en regent van Bretagne. In 961 kwam hij in conflict met Richard I van Normandië. Theobald viel Évreux aan terwijl de Normandiërs Châteaudun aanvielen. Het volgende jaar versloeg Richard Theobald bij Rouen, veroverde Chartres en brandde de stad tot de grond toe af. Theobald zocht nu politieke steun bij koning Lotharius van Frankrijk. In de volgende jaren heroverde Theobald Vierzon, veroverde Saint-Aignan en Anguillon in Berry. Tevens versterkte hij Chartres en Châteaudun, en bouwde het kasteel van Saumur. In 964 werd hij geëxcommuniceerd door aartsbisschop Odelric van Reims omdat hij zich bezittingen van het aartsbisdom had toegeëigend. In 974 legde Theobald zijn func | van Blois, Theobald I (I14597)
|
| 2175 | Theobald III van Blois (1012 – 30 september 1089) was de oudste zoon van Odo II van Blois uit diens tweede huwelijk met Irmgard van Auvergne, en wist diens machtige positie en bezittingen voor een groot deel te behouden. Theobald heeft in 1026 voor zijn vader gevochten bij Saumur en in 1037 in de slag bij Bar-le-Duc (Meuse) waar zijn vader sneuvelde. Na de dood van zijn vader erfde Theobald Blois, Chartres, Dunois, Meaux, Sancerre, Châteaudun, Tours, Sens, Beauvais, Château-Thierry, Provins en Saint-Florentin (Yonne). Theobald en zijn broer Stefanus II van Champagne weigerden aanvankelijk om aan koning Hendrik I van Frankrijk de eed van trouw te zweren, waarop die hen met steun van Anjou aanviel. Uiteindelijk versloeg Godfried II van Anjou Theobald en Stefanus in de slag bij Nouy (bij Saint-Martin-le-Beau) en was Theobald gedwongen om Tours aan Anjou af te staan. In ruil voor Sens en Beauvais verzoende Theobald zich daarna met koning Hendrik en sloot een verbond met hem tegen Anjou. Theobald kreeg de functie van paltsgraaf. Ook verstootte hij zijn vrouw Gersende van Maine, mogelijk wegens de banden van haar familie met Anjou. Stefanus overleed in 1048 en Theobald bezette met steun van keizer Hendrik III diens goederen in Champagne hoewel Stefanus' zoon Odo II van Champagne zich daar nog lang tegen verzette. Theobald steunde in 1054 koning Hendrik tegen Normandië en huldigde in datzelfde jaar keizer Hendrik te Mainz voor zijn Lotharingse bezittingen. In 1066 werd hij formeel graaf van Champagne omdat zijn neef zijn aanspraken opgaf en in het gevolg van Willem de Veroveraar naar Engeland trok. Theobald deelde in 1074 zijn macht met zijn zoon Stefanus. Hij was in 1081 nog gastheer van het concilie van Meaux en steunde de paus tegen de koning. Theobald werd begraven in de Sint-Maartenskerk te Épernay. | van Blois, Theobald III (I4284)
|
| 2176 | Theobald was een zoon van Wouter van Moëslains uit diens huwelijk met Maria van Saint-Just. | van Dampierre, Heer van Dampierre Theobald (I14640)
|
| 2177 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Levend (I7264)
|
| 2178 | Thuis teruggekeerd uit Jeruzalem huwde hij met Aleid of Adelheid van Heusden (1060-1145), een dochter van Jan II van Heusden. Zijn vrouw was mogelijk al weduwe uit een vorig huwelijk, omdat er een groot leeftijdsverschil was. | Gezin: Heer van Arkel Jan III van Arkel / Adelheid van Heusden (F1730448506)
|
| 2179 | Tijd: 13:00 Moeder van Arie bij huwelijk aanwezig. Beide ouders van Urmpje aanwezig. | Gezin: Arie Arijense Pronk / Urmpje Leendertse Spaans (F1590222479)
|
| 2180 | Tijd: 13:30 De beider ouders van bruid en bruidegom aanwezig. | Gezin: Leendert van der Harst / Aagje Korvink (F1640165980)
|
| 2181 | Tijdens de eerste 25 jaar van zijn bewind was Filips volop bezig om zijn binnenlandse positie te versterken, ten koste van de grote leenmannen in het noorden van Frankrijk. Hierin was hij niet altijd succesvol. Een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen: 1068: Filips verwierf de Gâtinais in ruil voor zijn steun aan Fulco IV van Anjou 1071: Filips verloor de slag bij Kassel tegen Robrecht I de Fries die de macht in Vlaanderen had gegrepen ten koste van de rechtmatige graaf Arnulf III van Vlaanderen. Filips kreeg de abdij van Corbie in ruil voor de erkenning van Robrecht als graaf. 1072: versterking van de band met Robrecht door een huwelijk met diens stiefdochter Bertha van Holland 1076: Filips ontzette de stad Dol die door Willem de Veroveraar werd belegerd 1077: vrede met Willem die stopte met zijn pogingen om Bretagne te veroveren 1079: Filips stelde het kasteel van Gerberoy ter beschikking van Robert, de opstandige zoon van Willem de Veroveraar 1082: Filips annexeerde de Vexin 1090: Filips verwierf Bourges in Berry Problemen met de kerk Na 1090 werd Filips' bewind beheerst door zijn huwelijksverwikkelingen en de conflicten met de kerk die daaruit voortkwamen: Filips begeerde Bertrada, de mooie en jonge vijfde vrouw van zijn oude vazal Fulco IV van Anjou. Tegelijk vond Filips dat koningin Bertha dik en onaantrekkelijk was geworden. Dus scheidde hij op 15 mei 1092 van haar en verbande haar van het hof. Daarna trouwde Filips met Bertrada. Bertrada was toen nog niet gescheiden van Fulco. Niet alle bisschoppen konden dit accepteren en er kwam verzet tegen deze gang van zaken. In 1094 excommuniceerde de aartsbisschop van Lyon het nieuwe paar. Dit werd in 1095 door de paus bevestigd. Onder druk van de excommunicatie verliet Filips Bertrada, waarop de excommunicatie werd opgeheven; Filips en Bertrada gingen echter weer samenwonen en werden opnieuw geëxcommuniceerd. Dit herhaalde zich enkele malen tot 1104. Toen legden Filips en Bertrada een plechtige eed af om te zullen scheiden, en werd de excommunicatie opgeheven. Natuurlijk braken ze hun eed en bleven bij elkaar maar de excommunicatie werd niet opnieuw ingesteld. Als dank gaf Filips tijdens een ontmoeting in Saint-Denis steun aan paus Paschalis II tegen keizer Hendrik V. | van Frankrijk, Koning van Frankrijk Filips I (I14604)
|
| 2182 | Tijdens het huwelijk met Boudewijn I baarde Judith vier kinderen: Karel, geboren ca. 864, jong gestorven Boudewijn II (865–918), (later naar zijn grootvader Karel en via de langs zijn moeder Judith geërfde kaalheid Boudewijn de Kale genoemd) Rudolf van Kamerijk (870-896) vermoedelijk nog een dochter, de kronieken van het klooster van Waulsort vermelden bij de dood van Rudolf van Kamerijk (Cambrai) dat Wouter, de zoon van Rudolfs zuster, probeerde hem te wreken. Gunhilda, gehuwd in 877 met Wilfred I el Velloso, graaf van Urgel en Barcelona, wordt ook vaak als dochter van Boudewijn en Judith genoemd maar dit is gebaseerd op een verkeerde interpretatie van een middeleeuwse tekst. Zij was afkomstig uit de omgeving van Barcelona. | Gezin: Graaf van Terwaan Boudewijn I van Vlaanderen / Koningin van Wessex Judith van West Francie (F1590224352)
|
| 2183 | Tijdens Jan II’s regeerperiode stichtte hij een kerk te Spijk en ook in Dalem. Trok in 1076, met Robrecht de Fries en diens stiefzoon Dirk V van Holland, op tegen Koenraad, de Bisschop van Utrecht, en hielp het slot te IJsselmonde belegeren. Hij kwam om het leven bij die opstand bij IJsselmonde, mogelijk kon dit ook de Slag bij IJsselmonde zijn geweest. | van Arkel, Heer van Arkel en Heukelum Jan II (I14563)
|
| 2184 | Tijdens storm is de pink 'De Jonge Gerard' omgeslagen. Op 16 september kwam er per telegraaf een bericht dat op Vlieland de pink als wrak en zonder masten of zeilen op het strand was geworpen. | Pronk, Jan (I13583)
|
| 2185 | Toen Floris sneuvelde, was Dirk nog minderjarig en zijn moeder trad op als regentes. Bisschop Willem I van Utrecht maakte van deze situatie gebruik om het Rijnland en het Kennemerland te annexeren. Deze annexatie werd formeel bevestigd door keizerin Agnes van Poitou, de regentes van Duitsland. Van Dirks graafschap bleven alleen de meest noordelijke en zuidelijke gebieden over. Zijn moeder besefte dat Dirk een sterke bondgenoot nodig had en ze trouwde in 1063 met Robrecht I van Vlaanderen (Zie Graven Vlaanderen nr. 8c), de broer van de graaf Boudewijn VI van Vlaanderen. Die gaf zijn aanspraken in Vlaanderen op (ten gunste van zijn neef Arnulf III van Vlaanderen) en wijdde zich aan zijn Friese belangen. Daaraan ontleent hij in Vlaanderen zijn bijnaam “de Fries”. Dirk ontving Vlaanderen ten oosten van de Schelde en de eilanden ten westen van de Schelde (o.a. Walcheren), als apanage. Robrecht en Boudewijn wisten het Rijnland en Kennemerland weer terug te veroveren maar de keizer gaf hertog Godfried III van Lotharingen van Neder-Lotharingen opdracht om de bisschop te verdedigen. Godfried werd op 26 februari 1076 vermoord in Delft of Vlaardingen, volgens de overlevering werd hij toen hij zijn behoefte deed, van onderen dodelijk verwond. Toen bisschop Willem een paar maanden later ook overleed, verzamelde Dirk een Vlaams leger en probeerde opnieuw zijn graafschap te heroveren. De nieuwe bisschop Koenraad verschanste zich in het kasteel van IJsselmonde. De gevechten werden beslist doordat Dirk het kasteel kon veroveren: Koenraad sloot vrede en gaf daarbij het Rijnland en Kennemerland terug aan Dirk. | van Holland, Graaf van Holland Dirk V (I4264)
|
| 2186 | Toestemming voor dit huwelijk is 29 januari 1762 verkregen te Monster. | Gezin: Pieter Matthijsz van Gaalen / Josina van Westmase (F1590222591)
|
| 2187 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Levend (I6512)
|
| 2188 | Tonis Jans en Martijntgen Jansdr voorkinderen van haar dochter Rusgen Jaspersdr en wijlen Jan Thonis (1e man): ieder een som van 600 car. gld. | Tonis Jans (I14272)
|
| 2189 | Tonis Jans en Martijntgen Jansdr voorkinderen van haar dochter Rusgen Jaspersdr en wijlen Jan Thonis (1e man): ieder een som van 600 car. gld. | Martijntgen Jansdr (I14273)
|
| 2190 | Toorn, van der Bronvermelding Titel: Toorn, van der Opmerking: Dit wapen is in 2018 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van [persoonsgegevens verwijderd conform AVG 2018], vader van de aanvrager en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Arent Wouterse van der Toorn, begr. Scheveningen 24 november 1652. Hij huwde ca. 1635 met Barbar Flooren Reijers. Familienaam Toorn, van der Wapen: in blauw een gouden schietlood, vergezeld rechts van een gekanteelde zilveren toren, zwart verlicht met rode deur en links drie goud gekroonde haringen van natuurlijke kleur, boven elkaar Helm: aanziend Wrong: blauw en goud Helmteken: een zilveren vlucht Dekkleden: blauw, gevoerd van goud Schildhouder: twee gouden aanziende leeuwen, rood getongd en genageld, het geheel geplaatst op een groene arabesk gestoken door een zilveren ring Wapenspreuk: DUM VIVIMUS VIVAMUS Trefwoorden arabesk gekanteeld gekroond laars leeuw toren vis Maker H.K. Nagtegaal Akkoord: ja Bron collectie H.K. Nagtegaal Delft COLLECTIE DERDEN: Het Centraal Bureau voor Genealogie stelt zich niet garant voor de correctheid van de hierboven genoemde genealogische en heraldische gegevens | van der Toorn, Arent Wouterse (I5484)
|
| 2191 | Tot 1 mei 1936 cafehouder annex fouragehandelaar te Roodhuis, daarna veehouder te Westhem. Persoonskaart aanwezig PB 8229, 10-11-1941 | Zijlstra, Pier (I7380)
|
| 2192 | Traditioneel wordt de forestier Odoaker als zijn vader gezien, maar Odoaker (als vader van Boudewijn) en zijn voorouders worden tegenwoordig als speculatief beschouwd omdat dit alleen is gebaseerd op teksten uit de twaalfde eeuw.[4] Een andere theorie is dat Boudewijns vader wel Odoaker heette maar een lagere hoveling was. Schaking van en huwelijk met Judith van West-Francië Boudewijn is bekend als grondlegger en eerste graaf van het graafschap Vlaanderen. Hij schaakte op kerstmis 861 Judith van West-Francië, dochter van de koning van West-Francië, Karel de Kale.[5] De 17-jarige Judith was al twee keer weduwe: zowel van koning Æthelwulf van Wessex als van diens zoon koning Æthelbald.[6] Haar vader wilde haar natuurlijk een derde keer gunstig uithuwelijken, maar ze vluchtte met Boudewijn. Het stel werd daarbij geholpen door Judiths broer Lodewijk de Stamelaar, die steeds in conflict was met zijn vader. Ze vluchtten naar het noorden. Maar Karel de Kale stuurde brieven aan Rorik van Dorestad en bisschop Hunger van Utrecht dat zij de vluchtelingen geen onderdak mochten geven. Karel liet het paar door bisschoppen excommuniceren.[7] Het paar reisde via Lotharingen naar Rome en bepleitten hun zaak bij paus Nicolaas I, waarop de excommunicatie door de paus werd ongedaan gemaakt.[8] Twee jaar lang schreef paus Nicolaas brieven naar de woedende vader, Karel de Kale, waarin hij voor verzoening pleitte. Op 13 december 863 volgde het officiële huwelijk te Auxerre met de uiteindelijke toestemming van Karel, alhoewel hij niet bij het huwelijk aanwezig was.[9] Omstandigheden en belang van zijn huwelijk met Judith Boudewijn was vaak te gast aan het Karolingisch hof en kende Lodewijk, later bekend als Lodewijk de Stamelaar, zoon van keizer Karel en broer van Judith. Lodewijk verving zijn vader tijdelijk toen die probeerde het graafschap Provence bij Frankrijk te voegen. Toen Lodewijk Judith in een klooster te Senlis opzocht, nam hij Boudewijn mee. Een huwelijk tussen beiden gaf Judith de kans om aan het kloosterleven te ontsnappen, terwijl Boudewijn lid werd van de Karolingische dynastie. Ook Lodewijk trouwde later zonder toestemming van zijn vader en zijn jongere broer Karel. Hincmar, de aartsbisschop van Reims, tekende het verhaal van de vlucht en het huwelijk op. Hij excommuniceerde Judith ook en beriep zich daarvoor op de canon 10 van het Romeins concilie van 721. Die slaat echter op roof van een vrouw met geweld en aangezien zij instemde kon er geen sprake zijn van roof. De legende van de Brugse Beer Het Beertje van de Loge Het Brugse Beertje van de Loge verwijst naar de schaking van Judith: toen Boudewijn met Judith naar Vlaanderen terugkeerde, werden zij in het bos aangevallen door een reusachtige witte beer (een bruine beer wit van sneeuw), volgens de legende "de oudste bewoner van Brugge". Deze beer was al eerder gesignaleerd omdat hij de omgeving onveilig maakte. Reizigers die zich buiten de muren van Brugge waagden, werden vaak door de beer aangevallen. En dus ook Boudewijn I. Hij wierp zich zonder aarzelen in de strijd met de beer. Niemand durfde dichterbij te komen, ook niet om hun leenheer te helpen. Op een bepaald moment stelde de beer zich recht op zijn achterste poten en ging met zijn rug tegen een boom staan om zo met meer kracht opnieuw aan te vallen. Maar net op dat moment sprong Boudewijn vooruit en doorboorde de beer met zijn lans. De stoot was zo hevig en krachtig dat de lans zich door de beer onwrikbaar in de boom vaststak. Boudewijn was zijn naam met den ijzeren arm dus waardig. Volgens de legende sch Vandaag is in de gevel van de Poortersloge aan het Jan van Eyckplein in Brugge nog een beeldje van een rechtopstaande, schilddragende beer te zien. De beer die een schild vasthoudt, verscheen echter pas in 1304, dus het gaat niet om hetzelfde beeldje als het geschenk aan Boudewijn. De Poortersloge was van 1417 tot 1715 het lokaal van het Genootschap van de Witte Beer, een selectieve steekspelvereniging die een tijdje na de heldendaad van Boudewijn werd opgericht. Het belangrijkste evenement dat ze organiseerden was de Wapenpas van de Gouden Boom, van 3 tot 11 juli 1468, ter gelegenheid van het huwelijk van Karel de Stoute met Margaretha van York. In 1417 had het gezelschap van de stad de toestemming gekregen een beeldje van hun mascotte, een rechtopstaande beer, in de gevel te plaatsen. Graaf van Vlaanderen Als onderdeel van de verzoening kreeg Boudewijn het bestuur over de pagus Flandrensis, het gebied rond Torhout, Gistel, Oudenburg en Brugge.[10] Dit was in de ogen van Karel waarschijnlijk een onbetekenende functie: Vlaanderen lag in een uithoek van zijn koninkrijk en werd geteisterd door de Vikingen. Boudewijn bleek echter een succesvol bestuurder. Hij wist de invallen van de Vikingen te stoppen en bouwde daarvoor versterkingen in Arras, Gent en Brugge. In Brugge bouwde hij een kerk die aan Donatianus van Reims werd gewijd en gaf relieken van de heilige aan de kerk. In Veurne stichtte hij een Benedictijner klooster, waaraan hij relieken van heilige Walburgis schonk. In 870 werd zijn bezit uitgebreid en was hij heer van geheel Vlaanderen en Ternois. Hetzelfde jaar werd hij lekenabt van de Sint-Pietersabdij in Gent. Boudewijn I afgebeeld in de Flandria illustrata uit 1641 In 877 steunde hij Lodewijk de Stamelaar bij de opvolging van Karel de Kale.[11] Kort daarna trok hij zich terug en werd monnik in de abdij van Sint-Bertinus, waar hij ook werd begraven. Kinderen Boudewijn en Judith van West-Francië hadden vier kinderen:[12] Karel, geb. ca. 864, jong gestorven Boudewijn Rudolf van Kamerijk vermoedelijk nog een dochter, want kronieken van het klooster van Waulsort vermelden dat bij de moord op Rudolf van Kamerijk een zekere Walter, zoon van Rudolfs zuster, hem probeerde te wreken.[13] Gunhilda, gehuwd in 877 met Wilfred I el Velloso, graaf van Urgel en Barcelona, wordt ook vaak als dochter van Boudewijn en Judith genoemd, maar dit is gebaseerd op een verkeerde interpretatie van een middeleeuwse tekst. Zij was afkomstig uit de omgeving van Barcelona. De graaf van Vlaanderen regeerde over het graafschap Vlaanderen vanaf de 9e eeuw. Vroege graven zoals Arnulf I de Grote werden soms markgraaf genoemd. Deze alternatieve titel werd niet meer gebruikt vanaf de 12e eeuw. Soeverein graaf van Vlaanderen Het graafschap Vlaanderen werd gevormd doordat Boudewijn I de dochter van Karel de Kale had geschaakt. Karel de Kale deed er alles aan om het echtpaar uit elkaar te halen. Door bemiddeling van de paus ging het huwelijk door en kreeg Boudewijn het bestuur over de pagus Flandrensis het gebied rond Torhout, Gistel, Oudenburg en Brugge. Huis Vlaanderen (862-1119) | van Vlaanderen, Graaf van Terwaan Boudewijn I (I4131)
|
| 2193 | Transport Maasland. f. 25v 6-5-1698: Comp. Leendert Pietersz. de Jongh, Pieter Jillisz. de Bruijn en Cornelis Jansz. Noordervliet als in huwelijk hebbende de wed. van Jacob Pietersz. de Jongh ieder voor haar zelf, Bastiaen Jansz. Boer als voogd over Dirckie en Pietertje Pietersdr. de Jongh beide onmondige en nagelaten weeskinderen van zal. Pieter Pietersz. de Jongh in zijn leven gewoond hebbende op het eiland Rozenburg, geprocreerd bij Lauwerentie Hendricksdr. Verkade, mitsgaders de voorn. Leendert Pietersz. de Jongh als hem sterk makende voor Jan Dircxsz. Verboon als in huwelijk hebbende Neeltie Pietersdr. Thoen voormaals weduwe van Hendrick Pietersz. de Jongh en in die kwaliteit te samen kinderen en kindskinderen van zal. Pieter Pietersz. de Jongh en Neeltie Leendertsdr. van der Houff, en transporteren aan Claes Claesz. Trapper de Jonge zeker woninkie als huism schuur, barg en geboomte met de toegift van 1,5 morgen bruikwaar land daar hetzelve woninkie ten dele op staat, staande en gelegen op de Oostkade van de Commandeurspolder. Verwijst naar oude waarbrieven d.d. 2-5-1627 en 22-5-1639. | de Jongh, Pieter Pietersz (I4451)
|
| 2194 | Trijntge Cornelisdr @, tegenwoordig huisvrouw van Pieter Doensz van Ockenburg, wonende aen de Merriendijk in den baljuwschap van Naaldwijk. Voordat ze met haar lieve man Pieter Doensz huwde was overeengekomen dat als ze voor haar tegenwoordige man overleed, met of zonder kinderen, zou hij uit de boedel zeker perceel weiland van acht morgen vooruit erven, leggende omtrent ofte achter de woninge van Claes Jansz in ambacht van Wateringen en nog twee erfpachten op Honselersdijk, van ƒ 20,- ‘s jaers, blijvende voorts alle de ander goederen bij haren man ende haer ten huwelijken gebracht mitsgaders alle opervinge en erfenis, winst ende schade gemeen. Alle welcke conditie sij comparante als inderdaad met kennisse van haar vrienden geschiet sijnde; sij alsnoch is begerende dat sijn voortgang sal hebben ende effect sorteren, sonder dat eenige van haer erfgenamen of voogden er iets tegenin zullen kunnen brengen. get.: Jacob Pieters Touw @, haer stiefvader en Huijg Cornelisse aen de Geest, haer comparants broeder | Arkesteijn, Arckesteijn, Arckensteyn, Trijntje Cornelisdr (I6367)
|
| 2195 | Trouwboek vermeldt: beyde van ’s-Gravensandt | Gezin: Jacob Adriaensz Beuckel / Anna Dircks (F1641367290)
|
| 2196 | Trouwt als: Corvinck Joppe Overklift | Gezin: Kerving Joppe (Overklift) van der Swan / Geertje Jans Thielmans (F1590223395)
|
| 2197 | Tuinder | van Veelen, Hendrikus Martinus (I5885)
|
| 2198 | Tuinder, bollenboer | van der Kruk, Bertus Cornelis (I5914)
|
| 2199 | Tussen 1-9-1624 en 25-7-1625 | Luck, Maritgen Jansdr (I2609)
|
| 2200 | Tussen 1659 en 1672 overleden | Goeijenbier, Arien Clz (I948)
|
| 2201 | Tussen 1670 en 1671, Schipper, schepen De Lier, Heilige Geestmeester, Diaken 1682 | 't Hart, Simon Lz (I4192)
|
| 2202 | Tussen 25-08-1673 en 1680 overleden | van der Kooij, Cornelis Abrahamsz (I6955)
|
| 2203 | Tussen 29-5-1564 en 31-7-1565 | Luck, Lucq, Adriaen Pietersz (I2608)
|
| 2204 | tussen 29-6 en 4-11-1590 | van Dijck, Cors Thonisz (I3610)
|
| 2205 | Tussen 3-8-1594 en 5-4-1595 | Luck, Willem Adriaensz (I2615)
|
| 2206 | Tussen 5-2-1496 en 17-6-1520 wordt Bertelmees Heynricxz. beleend met 2f morgen land in Borqerdijck te Maasland (leen 96) (34). | van Dorpe, Bartholomeus Hendricksz (I4242)
|
| 2207 | Twee dagen hiervoor werd haar man Cornelis begraven.. Begraven als 'Kniertge Arents de vrou van Polletie' | Kniertge Arisdr (I9032)
|
| 2208 | Twee dagen later zou zijn vrouw Kniertge worden begraven.. | van der Pol (Polletie), Cornelis Jacobsz (I9031)
|
| 2209 | Tweeling | Hofland, Arijen Cornelisz (I1427)
|
| 2210 | Tweeling | van der Houwen, Adriana (I5876)
|
| 2211 | Tweeling met zus Leentge. | van der Harst, 't kind (I4905)
|
| 2212 | Twijfel bij ovl datum en plaats | Noordam, Pleun Cornelisz (I3948)
|
| 2213 | Uijt 't Gasthuijs | van Schenaert, Foppe Gerritsen (I5532)
|
| 2214 | Uijt sijn schuijt gevallen en verdroncken | de Wit, Jacob Gerbrants (I8748)
|
| 2215 | Uit 't Gasthuijs In haar eigen graf, midden noordzij, bij het choor. Kerkeregt 4-0-0 | de Wit, Walichie Walings (I9790)
|
| 2216 | Uit 't Gasthuijs Pro Deo | Jol, Aeffie Gijsen (I5558)
|
| 2217 | Uit 't Gasthuijs Pro Deo | Jol, Kniertje Michiels (I5630)
|
| 2218 | Uit 't Gasthuijs Pro Deo | Blok, Aeltie Ghijsen (I5670)
|
| 2219 | Uit 't Gasthuijs Pro Deo | de Wit, Jacobje Flore (I5710)
|
| 2220 | Uit 't Gasthuijs Pro Deo | van der Meulen, Baartje Claasse (I5713)
|
| 2221 | Uit 't Gasthuijs Pro Deo | Ros, Marijtje Ariese (I5716)
|
| 2222 | Uit 't Gasthuijs Pro Deo | Pronk, Lysbeth Wouters (I8462)
|
| 2223 | Uit 't Gasthuijs | Ary Arentsz (I5502)
|
| 2224 | Uit 't Gasthuijs | Toet, Arie Cornelisz (I5529)
|
| 2225 | Uit 't Gasthuijs | Hoeckvermeer, Theunis Chiele (I5552)
|
| 2226 | Uit 't Gasthuijs | Bal, Fop Cornelisz (I5621)
|
| 2227 | Uit 't Gasthuijs | Fix, Ermpje Cornelisse (I5622)
|
| 2228 | Uit 't Gasthuijs | Kervingh (Corvink), Marijtgen Willems (I8300)
|
| 2229 | Uit 't Gasthuijs | Hartevelt, Arij Crijnen (I8609)
|
| 2230 | Uit 't Gasthuijs | van Vollenhoven, Immetje Egberts (I8610)
|
| 2231 | Uit 't Gasthuijs | Neeltje Dircksdr (I8743)
|
| 2232 | Uit 't Gasthuijs op 't choor. | Turfboer, Cornelis Jansz (I8856)
|
| 2233 | Uit Den Haag, opt koor in de kelder. | van der Wilt, Arij (I12729)
|
| 2234 | Uit Genealogische en heraldische merkwaardigheden 'In en uit de Grote Kerk te Maassluis' door A. Bijl Mz.: graf 209 gekocht door Jan Arentsz v d Nol op 15 februari 1673. Op de steen is gebeiteld: 'Dit graf hoort toe Ian Arentsz Nolleman. Dit graf is op 30 januari 1753 door Jan Arentsz van der Nol (welke?) verkocht aan Paulus van Rijn, oud-burgemeester van Maassluis. | van der Nol, Jan Ariensz (I14519)
|
| 2235 | Uit haar eerste huwelijk met Jan Vergoor had zij een dochter Pleuntje Jans die in het gezin is opgenomen. | Gezin: Geryt Adriaensz / Lijsbeth Jans (F1590224728)
|
| 2236 | Uit hem stamt een te Delft gevestigd geslacht Tou, dat als wapen drie gaande v ogels voert, en waarmee de leden vaak verward worden met het Woudtse geslacht. | de Ouden, Aernt (I2635)
|
| 2237 | Uit het Gasthuis | Trijntje Siere Cornelisse (I5572)
|
| 2238 | Uit het Gasthuis begraven Pro Deo | Keus, Geertje Leenderts (I5720)
|
| 2239 | Uit het gasthuis begraven. Zie ook akte 118 d.d. 11-3-1666 | Neeltge Dircksdr (I5493)
|
| 2240 | Uit het Gasthuisin de kerk in den noordhoek, bij de toorn in eigen graf strekkende ten halven neffens No 2364 Bij Leendert Keus. Kerkeregt 4-0-0 | Braa, Ysbrand Jacobse (I5471)
|
| 2241 | Uit het volgende blijkt dat zij tot een tak van de familie Egmond behoort: Op de eerste plaats is haar man en later ook haar zoon rentmeester van de abdij van Egmond. Daarnaast blijkt één van hun kleinkinderen het van Egmondwapen te voeren en wel Jacob Willemsz. van Dorp, schepen en burgemeester van ‘s-Gravenhage. Hij zegelt met een gevierendeeld wapen, waarvan het eerste en vierde kwartier het familiewapen weergeven, nl. in zwart drie rood getongde zilveren leeuwekoppen. Het derde kwartier in goud een zwarte dwarsbalk en een in twee rijen van rood en zilver geschaakt Sint Andrieskruis over alles heen (Van IJsselsteijn). Het tweede kwartier geeft het Van Egmondwapen weer: gekeperd van goud en rood van twaalf stukken. Op 12 september 1515 bevestigen de weesmeesters van Den Haag de uitkoop van Alijt Jansdr. door haar vader Coeman Jan Bruijnsz. volgens de uitkoopceel d.d. 12 januari 1507: ‘heeft Coe- man Jan Bruynsz. bewezen zijn dochter Alijt Jansdochter, oud ca. 11 jaar, gewonnen bij Ariaen Jacobsdr. zijn geëchte wijf de som van 50 pond groot boven de kleren, verzekerd op zijn huis op de Voldersgraf met Ghijsbert van Egmont als borg’. Getuigen waren Cornelis Jansz., de broer van het kind van vaders- en moederszijde, Geertruijt Jacobsdochter als tante van moederskant en van Mees Heinricxz. als (vaders) zwager. In 1515 waren aanwezig: Mees Pietersz., Mees Heijnricxz. als voogd, Godsscalck Oem en broer Cornelis Jansz. 6 Volgens Van Kan is Coman Jan Bruijnsz. vermoedelijk identiek aan Jan Bruunsz., schepen 1530/31, 1531/32, weesmeester 1515, 1520, overleden 1540, zoon van Bruun Albrechtsz. Zijn dochter Alijd Coman Jan Brunendr. is (voor 9-7-1514) getrouwd met Adriaen Jacobsz. De re- gistratie van de uitkoopcedul had kennelijk te maken met dit huwelijk. Mees Heijnricxz. wordt de zwager van Jan Bruijnsz. genoemd. Hoe interpreteren we hier het woord zwager? De betekenis als schoonzoon gaat hier niet op, enerzijds omdat Jan Bruijnsz. en Mees Heijnricxz. generatiegenoten zijn terwijl bovendien Mees in 1507 nog getrouwd is met Baertgen. De enige overblijvende optie wijst naar de overleden moeder van het weeskind, Ariaen(tgen) Jacobsdr. die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een zus was van Baertgen Jacobsdr. Het zal dan ook geen toeval zijn dat een van de dochters van Mees en Baert- gen Adriaentgen werd genoemd. De afkomst van Baertgen was al eerder onderwerp van gesprek. Daarbij speelde het wapen van haar kleinzoon, Jacob Willemsz. van Dorp (VIc.), schepen en burgemeester van Den Haag, een belangrijke rol. Hij voerde een gevierendeeld wapen: het eerste en vierde kwartier: in zwart drie rood getongde zilveren leeuwenkoppen (Uterliere), het tweede kwartier: gekeperd van goud en rood van twaalf stukken (Egmond) en het derde kwartier: in goud een zwarte dwarsbalk en een in twee rijen van rood en zilver geschaakt Sint Andrieskruis over alles heen (IJsselstein). Zijn oomzegger Willem Jansz. van Dorp (VIIc.) voerde dit wapen in een iets gewijzigde vorm: I en IV: Uterliere, II en III: Egmond, met IJsselstein als hartschild. 7 Deze wapens laten zien dat Jacob Willemsz. en neef Willem Jansz. stamden (of in ieder geval pretendeerden te stammen) uit de IJsselsteinse tak van Egmond. Er zijn geen aanwijzingen dat die afstamming zou lopen via Jacobs moeder, maar met het optreden van Ghijsbert van Egmont komt de mogelijke afstamming van Baertgen uit Egmond / IJsselstein in beeld. Volgens de uitkoopcedul is hij borg voor Jan Bruijnsz. De kans daarom groot dat hij op de een of andere manier tot diens (schoon-)familie behoort. Deze Gijsbert kunnen we identificeren als een bastaard van Pieter van Egmond (zelf ook bas- taard), richter van de Veluwe (vermeld 1425-1473). Weliswaar was Pieter later getrouwd met de moeder van Gijsbert, maar omdat die nog ten tijde van Pieters eerste huwelijk, dus in overspel, was verwekt, lag een legitimatie niet voor de hand. Niettemin slaagde Gijsbert, op latere leeftijd, er op 30 augustus 1518 alsnog in zich te laten legitimeren. In deze tak van de Egmonds komt de naam Beerte (Baertgen) voor, evenals Willem (een van de zoons van Mees en Baertgen heette ook zo), maar géén Jacob die zou kunnen doorgaan voor de vader van de drie zusters. We moeten ons daarbij realiseren dat de beschikbare bronnen uit die periode, ook ten aanzien van adellijke bastaards, uiterst schaars zijn. Bovendien dienen we niet uit te sluiten dat de afstam- ming ook kan lopen via de onbekende moeder van de drie Jacobsdochters. | van Egmont, Vrouwe van Baeck Baertgen (I4652)
|
| 2242 | Uit t gasthuis Pro Deo | Cuyp, Klaasje Janse (I5707)
|
| 2243 | Uit t Gasthuis | Pronck, Cornelia Cornelisse (I5661)
|
| 2244 | Uit zijn eerste huwelijk had Cors Jacobsz. een zoon Jacob die woonde in Naaldwijkerbroek, en een dochter Trijntgen, getrouwd met Adriaen Allertsz. op de Schie. Trijntgen en haar kinderen komen een aantal malen voor als doopgetuigen bij kinderen van haar halfzus Baertgen (zie VIg.). We moeten niet uitsluiten dat er tussen Trijntgen en Machtelt nóg een (korstondig) huwelijk van Cors Jacobsz. is geweest met een zekere Alijt die als Alijt Kerstant Jacobsz. bij testament een aantal legaten bespreekt, o.a. 5 £ aan het kapittel van Naaldwijk voor een eeuwige memorie | Gezin: Kerstant Jacobs (Cors) van der Vliet / Alyt NN (F1590223703)
|
| 2245 | Uitkoop van Geertrui, Arij en Cornelis Spaans volgens onderhandse akte dd. 10-10-1800 gepasseerd door Jacoba den Heijer, weduwe van Arij Leendertsz Spaans. Het vaderlijk goed bedraagt 75 gld. Op 28-10-1805 krijgt Geertrui, gehuwd met M. Kuijper, 27,8 gld. Zie gezin 1615. Op 14-12-1809 krijgt Arij 30,13 gld. Op 17-7-1811 krijgt Cornelis 29,13 gld. Zie Wk. 181, fol. 18 dd. 13-10-1800. De tweeling is in een kistje op het kerkhof begraven op 23-9-1789, 11 dagen oud, stuipen. In mei 1804 wordt wederom een akte opgemaakt, waarschijnlijk i.v.m. het overlijden van Jacoba. Zij is later op huw. voorw. getrouwd met Hendrik Verheij, akte gepasseerd voor nots. Boudewijn de Wit op 29-4-1804 (?), Er zijn nu zeven minderjarige kinderen. Ieders part bedraagt 104,4,4 4/7 gld, waarvan 20 gld in kleding. Zie Wk 181, fol. 51 | den Heijer, Jacoba (I5773)
|
| 2246 | Urn Bij Coby Voois | van der Kruijk, Sophia Martina (I11)
|
| 2247 | Uyt Crimpen | Alijt Jansdr (I3621)
|
| 2248 | Vader Aalbert koopt zijn zoon Bastiaan uit naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder Trijntje. Hij brengt in, bij de weesmeesteren van 's-Hage: De somma van F 200,= te renderen tot aan de mondige leeftijd van Bastiaan. Het bedrag zou nog oplopen tot F 258,= | van der Harst, Albertus, Aalbert Bastiaansz (I13984)
|
| 2249 | Vader bruidegom overleden. Moeder bruid overleden. | Gezin: Dirk Pronk / Adriana Plugge (F1640165984)
|
| 2250 | Vader bruidegom overleden. Moeder bruid overleden. | Gezin: Dirk Pronk / Maria Keus (F1640165986)
|
Ik doe er alles aan om het onderzoek te documenteren. Als u iets heeft dat u zou willen toevoegen, neem dan contact met mij op.