Genealogie van der Kruijk - van der Harst
De tijdreis van onze families.
Treffers 1,751 t/m 2,000 van 2,735
| # | Aantekeningen | Verbonden met |
|---|---|---|
| 1751 | Levensloop Eleonora was een dochter van hertog Richard II van Normandië uit diens huwelijk met Judith van Bretagne, dochter van hertog Conan I van Bretagne. Rond het jaar 1031 huwde ze met graaf Boudewijn IV van Vlaanderen (980-1035), die ongeveer dertig jaar ouder dan haar was, eerder gehuwd was met Otgiva van Luxemburg en reeds vader was van Boudewijn V (1012-1067) — zijn opvolger als graaf van Vlaanderen. Eleonora en Boudewijn IV kregen een dochter: Judith (1033-1094), huwde in 1051 met Tostig Godwinson, graaf van Northumberland, en daarna in 1071 met hertog Welf I van Beieren | van Normandië, Gravin van Vlaanderen Eleonora (I14658)
|
| 1752 | Lid firma Schnell & Kiderlen, commissionairs in tabak te Rotterdam, lid firma E. Kiderlen, distilleerders te Delfshaven, lid firma Nederlandsche Stoombranderij en Distilleerderij te Rotterdam, directeur Societe Generale des Eaux de Vie de Cognac, voorheen Tissot & Co. te Rotterdam, lid raad van Rotterdam, vice-consul van Wurttemberg. | von Kiderlen, Emil (I4329)
|
| 1753 | lidmaat 1721 | Tuijt, Soetje Teunisdr (I5641)
|
| 1754 | Lidmaat op belijdenis | Luytgen Siewertsz (I4274)
|
| 1755 | Lidmaat te De Lier | Boekesteijn (Verhoeck), Pieter Pz (I4186)
|
| 1756 | Liesbeth Jans, eiseres, laat beslag leggen op het vermogen van Crijn Arentsz. van der Helm i.v.m. 21 gld. verdiend huurloon, toekomende aan Dirk Arends van Santen tot ’s-Gravenzande. | van der Helm, Crijn Adriaanszn (I2331)
|
| 1757 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Levend (I1)
|
| 1758 | Liutgard van Vermandois (ca. 914 – 9 februari 978) was een dochter van Herbert II van Vermandois en Adelheid van Bourgondië. Via haar vader was zij een zesde generatie afstammeling van Karel de Grote. Ze huwde eerst met Willem I van Normandië en na zijn dood in 942 een jaar later in 943 met Theobald I van Blois. | van Vermandois, Liutgard (I14598)
|
| 1759 | Lodewijk I, geb. bij Poitiers tussen 16 april en de herfst van 778, door paus Hadrianus I tot koning van Aquitanië gezalfd Rome Pasen (154)-781; na de dood ,van zijn oudere broers Karel en Pippijn door zijn vader tot keizer gekroond en als mederegent aangesteld Aken 11.9.813; alleenheerser 28.1.814; doet zich door paus Stephanus IV opnieuw tot keizer kronen Reims 28.10.816; ontwerpt in Aken juli 817 een regeling van de toekomstige verdeling van zijn rijk (Ordinatio Imperii) welke hij echter in 829 wijzigt ten gunste van de uit zijn tweede huwelijk geboren zoon Karel hetgeen tot een reeks burgeroorlogen leidt; tot afstand gedwongen Compiègne okt. 833 doch door zijn jongere zoons hersteld Saint-Denis 1.3.834; dit bevestigd door hernieuwde kroning Metz 28.2.835; overl. op een eiland in de Rijn bij Ingelheim 20.6.840, begr. Saint-Arnould bij Metz; had in ca. 793 een verhouding met een onbekende vrouw, tr. (1) 794 of 795 Irmingard, overl. 3.10.818, dr. van Ingram, graaf in deHaspengouw, en N.N.; Lodewijk de Vrome (Chasseneuil bij Poitiers, 11 april 778 – Ingelheim am Rhein, 20 juni 840), ook wel de Eerlijke en de Joviale, was de koning van Aquitanië vanaf 781. Hij was ook koning der Franken en medekeizer (als Lodewijk I) met zijn vader, Karel de Grote, vanaf 813. Als de enige overlevende volwassen zoon van Karel de Grote en Hildegard, werd hij de enige heerser der Franken na het overlijden van zijn vader in 814, een positie die hij bekleedde tot zijn overlijden, met uitzondering vande periode 833-834, waarin hij was afgezet. Tijdens zijn bewind in Aquitanië werd Lodewijk belast met de verdediging van de zuidwestelijke grens van het rijk. Hij veroverde Barcelona op de moslims in 801 en liet de Frankische autoriteit gelden over Pamplona en de Basken ten zuiden van de Pyreneeën in 812. Als keizer nam hij zijn volwassen zonen - Lotharius I, Pepijn I van Aquitanië en Lodewijk de Duitser - op in de regering en zocht naar een geschikte verdeling van het rijk tussen hen. Het eerste decennium van zijn bewind werd gekenmerkt door tragedies en vernederingen, met name de brutale behandeling van zijn neef Bernhard van Italië, met wie hij zich verzoende in een publieke act van zelfvernedering. In de jaren 830 werd zijn rijk verscheurd door een burgeroorlog tussen zijn zonen, verergerd door pogingen van Lodewijk om zijn zoon Karel de Kale op te nemen in zijn opvolgingsplannen. Hoewel zijn bewind eindigde op een hoge noot, met orde grotendeels hersteld, werd het gevolgd door drie jaar burgeroorlog. Lodewijk wordt over het algemeen on Geboorte en naamgeving Terwijl Karel de Grote in Noord-Spanje op veldtocht was, beviel zijn vrouw Hildegard, hetzij op 11 april, in juni of augustus 778 in de palts van Chasseneuil bij Poitiers van een tweeling. Na Karels terugkeer werden ze als Lodewijk en Lothar gedoopt. De Karolingische koningsnamen Karel, Karloman en Pepijn waren al aan Karels eerder geboren zonen vergeven, zodat er besloten werd terug te grijpen op de namen van de belangrijkste Merovingische koningen Chlodowech I, oftewel Clovis, en Chlotarius I. De kleine Lothar overleed al in 779, maar Lodewijk overleefde. Koning van Aquitanië Ten tijde van de geboorte van Lodewijk begon Karel de Grote een politiek van decentralisatie van bestuur en militair bevel vorm te geven. Doel daarvan was om in alle strategische grensgebieden een permanent aanwezige macht te hebben, onafhankelijk van de verblijfplaats van Karel zelf. Hiertoe creëerde Karel koninkrijken voor zijn zoons, die daar moesten gaan wonen en het bestuur en het militaire bevel op zich moesten nemen. Lodewijk, drie jaar oud, werd in 781 koning van Aquitanië en daarmeebelast met de confrontatie met de Omajjaden van Andalusië, onder regentschap van een hofhouding van ervaren hovelingen, bestuurders en bevelhebbers, die zijn taken voor hem waarnamen. Lodewijk ontving als kind goed onderwijs, hij sprak vloeiend Latijn en beheerste ook Grieks. Hij werd verder opgevoed volgens de gebruiken en wetten van Aquitanië. In 797 verwierf Lodewijk Barcelona nadat de Arabische gouverneur van die stad in opstand was gekomen en toen zijn opstand mislukte de stad liever aan de Franken overdroeg. In 799 ging Barcelona verloren maar in 800 leidde Lodewijk met Willem met deHoorn en zijn zoon Bera, een leger van Aquitaniërs, Basken, Visigoten (uit Septimanië en de Provence) en belegerde Barcelona, de stad valt uiteindelijk in 801. Hiermee ontstond de Spaanse Mark. In 806 regelde Karel de Grote zijn erfenis. Volgens deze verdeling zou Karel de Jongere vermoedelijk koning worden boven zijn broers en kreeg hij de kern van het rijk, Pepijn kreeg Italië en gedeelten van Zuid-Duitsland en Lodewijk kreeg Aquitanië,een gedeelte van Bourgondië en de Provence. In 812 bedwong Lodewijk een Baskische opstand. Hij ging voor zijn vader minstens een keer op campagne tegen Benevento in Zuid-Italië. | Keizer, Koning van Aquitanië Lodewijk I, De Vrome (I4798)
|
| 1760 | Lodewijk VI, volledig: Lodewijk Theobald, de Dikke, (Parijs, 1 december 1081 – Château de la Douye te Béthisy-Saint-Pierre, 1 augustus 1137) was koning van Frankrijk van 29 juli 1108 tot 1137. Zijn bijnaam was letterlijk bedoeld, Lodewijk was dik en werd bij zijn leven al "de Dikke" genoemd. Lodewijk werd geboren in Parijs als zoon van Filips I van Frankrijk en Bertha van Holland (1055-1094). Lodewijk werd opgevoed in de abdij van Saint-Denis, samen met zijn latere raadsman Suger. In 1092 werd hij benoemd tot graaf van de Vexin en de steden Mantes-la-Ville en Pontoise. Dit plaatste hem in het front tegen Normandië/Engeland. Zijn vader verstootte zijn moeder om te kunnen trouwen met Bertrada van Montfort, wat leidde tot een politieke crisis in Frankrijk. De jonge Lodewijk bleef zo veel mogelijk weg van het hof. In 1097 nam hij deel aan de verdediging van de Vexin tegen Willem II van Engeland en in 1098 werd hij tot ridder geslagen. Ondanks de pogingen van zijn stiefmoeder om haar zoons koning te laten worden, werd Lodewijk in 1100 door zijn vader als erfgenaam aangewezen. In dat jaar maakte hij een reis naar Londen. Een poging van Bertrada om hem daar gevangen te laten nemen mislukte. Op de terugweg werd een aanslag op Lodewijk door een geestelijke verijdeld. In 1101 werd Lodewijk benoemd tot graaf van Vermandois. Zijn vader was toen al zo verzwakt dat Lodewijk in feite al als koning regeerde. Hij werd in 1101 vergiftigd maar werd genezen door een joodse arts. In 1104 verzoende Lodewijk zich met Bertrada en hij verloofde zich met Lucienne de Rochefort, een verwante van Bertrada. In 1107 verbrak Lodewijk de verloving, met een te nauwe bloedverwantschap als excuus. In 1106 accepteerde Lodewijk dat Hendrik I van Engeland Normandië veroverde, waardoor Engeland en Normandië weer een verenigd rijk werden. Koning Filips overleed op 29 juli 1108. Lodewijk was formeel zijn erfgenaam maar zijn positie werd bedreigd door zijn stiefbroers. Kroning Lodewijk werd op 3 augustus 1108 in grote haast te Orléans tot koning gekroond. De kroning kon niet in Reims (de gebruikelijke plaats voor de kroning van Franse koningen) plaatsvinden omdat die stad door een conflict over de bisschopsfunctie onder een interdict viel. Bovendien werd de stad gecontroleerd door Lodewijks halfbroer Filips en diens bondgenoot Theobald IV van Blois. Er waren nauwelijks grote vazallen of kerkvorsten aanwezig bij de kroning. De geldigheid van de kroning werd tevergeefs aangevochten door zijn halfbroers. Betrada besloot daarna om zich terug te trekken in een klooster. Guy van Rochefort kwam echter in opstand. Lodewijk veroverde zijn kasteel in Gournay-sur-Marne. Guy stierf en zijn partij werd nu aangevoerd door Hugo van Crécy, die zich weer verbond met Hugo van le Puiset. Omdat Hugo van le Puiset de fout maakte om de gebieden rond Chartres te plunderen, koos Theobald van Blois de kant van Lodewijk. Met de steun van Theobald kon Lodewijk zich handhaven, maar het gebied dat hij daadwerkelijk onder controle had was niet groter dan de regio rond Parijs, Orléans en Senlis. De rest van Frankrijk werd geregeerd door edelen die feitelijk onafhankelijk waren. Binnenlandse strijd Lodewijk was bijna 30 jaar koning en al die tijd was hij verwikkeld in conflicten met Normandië (en dus ook met Engeland) en lokale opstandige edelen en roofridders binnen zijn eigen domeinen. Vlaanderen en Vermandois waren meestal zijn bondgenoot, Blois en Anjou wisselden regelmatig van kant. In 1109 veroverde Lodewijk La Roche-Guyon, op de grens van Normandië. Zijn poging om in 1110 het sterke Normandische kasteel van Gisors te veroveren, liep echter uit op een nederlaag. Dit leidde tot enkele jaren van schermutselingen. Lodewijk veroverde het jaar daarop (1111) samen met Theobald IV van Blois Le Puiset en nam Hugo gevangen. Lodewijk bouwde in de omgeving een eigen kasteel, Toury. De Normandische edelman Robert I van Meulan brandschatte Parijs als vergelding voor plunderingen van zijn bezittingen door koninklijke troepen. Toen in 1112 de graaf van Corbeil zonder directe erfgenaam overleed, verklaarde de koning dat het graafschap terug toeviel aan de kroon. Theobald van Blois maakte echter ook een aanspraak op het graafschap en koos nu de kant van de opstandelingen. Lodewijk liet in reactie hierop Hugo van le Puiset vrij, met de afspraak dat die zich tegen Theobald zou keren. Ondanks zijn beloften sloot deze zich direct bij de opstandelingen aan, waarop Lodewijk een bondgenootschap met Robrecht II van Jeruzalem sloot. Hugo van le Puiset veroverde het kasteel van Toury maar Lodewijk wist het weer te heroveren. Lodewijk en Rudolf I van Vermandois versloegen in een veldslag Hugo van le Puiset, Hugo van Crecy, Theobald van Blois en anderen. Later dat jaar versloeg en doodde Theobald van Blois Robrecht van Vlaanderen in een veldslag bij Meaux. In 1113 sloot hij het eerste verdrag van Gisors met Hendrik I van Engeland. Lodewijk moest hierbij grote concessies doen. Ondertussen bleef Lodewijk evenwel de Normandische tegenstanders van Hendrik steunen. Ook sloot Lodewijk een bondgenootschap met Anjou. Lodewijk wist het jaar daarop (1114) ten slotte Hugo van Crecy en zijn familie te onderwerpen. Hugo werd monnik en zijn familiebezit werd door Lodewijk verdeeld: Bray-sur-Seine werd aan Theobald van Blois gegeven. Zelf hield hij Montlhéry, Gometz en Châteaufort. Lodewijk stuurde troepen naar Amiens ter ondersteuning van de bisschop tegen Thomas I van Coucy. Toen Thomas ook nog de moordenaars van de bisschop van Laon onderdak bood, liet Lodewijk hem excommuniceren. Lodewijk wist in 1115 Thomas te verslaan, maar kreeg tijdens de strijd een pijl in zijn borst. Na de onderwerping van Thomas en het overlijden van diens vader in 1116, gaf Lodewijk het graafschap Amiens aan Adelheid van Vermandois. Dit zou tot een langdurige vete tussen Thomas en de familie van Vermandois leiden. Lodewijk onderwierp in 1118 Hugo van le Puiset definitief en dwong hem om naar Palestina in ballingschap te gaan. Lodewijk steunde een opstand van Normandische edelen onder leiding van Willem Clito tegen Hendrik I van Engeland. Willem was een neef van Hendrik en eiste de titel van hertog van Normandië op, omdat Hendrik die titel in 1106 op zijn vader had veroverd. Lodewijk kon echter geen leger sturen door het verzet van Theobald van Blois, die Hendrik steunde. Hendrik wist de opstand grotendeels te onderdrukken. Nadat hij in 1119 Theobald had onderworpen en trok hij met zijn leger naar Normandië. Hij veroverde Ivry, maar werd verslagen bij Breteuil. Boudewijn VII van Vlaanderen werd door Hendrik verslagen en gedood. Een nieuwe inval van Lodewijk in Normandië mislukte en hij kon alleen door te vluchten aan gevangenneming ontsnappen. Fulco V van Anjou koos de kant van Hendrik en Lodewijk moest de strijd opgeven. Lodewijk intervenieerde in 1122 tegen de lokale graaf in Auvergne ten gunste van de bisschop. Het volgende jaar (1123) mislukte een nieuwe poging om Willem Clito aan de macht te brengen in Normandië. In 1126 kwam het opnieuw tot een interventie in Auvergne, waarop de graaf steun vroeg aan de hertog van Aquitanië, die er juist voor koos om nu de koning te huldigen. Lodewijk bestrafte in 1127 de moord op Karel de Goede door de betrokkenen van een toren in Brugge te laten werpen. Omdat Karel geen erfgenamen had, wees Lodewijk nu Willem Clito aan als graaf van Vlaanderen, maar die kreeg algauw met veel verzet te maken. Uiteindelijk werd Diederik van de Elzas als nieuwe graaf van Vlaanderen aangesteld. Tijdens Lodewijks afwezigheid kwam het tot een conflict tussen de koningin en de machtige kanselier Stephanus van Garlande, die steeds meer macht voor zichzelf en zijn familie trachtte te verwerven. Adelheid liet daarom de huizen van Stephanus en zijn partijgangers in Parijs verwoesten. Het volgende jaar (1128) kreeg Stephanus steun van Theobald van Blois en Hendrik I van Engeland. Na een beleg van twee maanden veroverde Lodewijk samen met Roeland van Vermandois zijn kasteel bij Livry. Lodewijk werd evenwel door een pijl van een kruisboog in het been getroffen en Roeland verloor een oog, maar de macht van Stephanus was gebroken. Hij verzoende zich met Lodewijk en zou zelfs nog een keer kanselier worden. In 1129 wees Lodewijk zijn oudste zoon, Filips, die zijn oogappel was, aan als opvolger en liet hem op 14 april tot medekoning benoemen. Het jaar daarop (1130) versloegen en doodden Lodewijk en Roeland van Vermandois Thomas van Marle, nadat die eerder Vermandois had aangevallen en een jongere broer van Roeland had gedood. Filips, Lodewijks medekoning en kroonprins, stierf op 13 oktober 1131 door een ongelukkige val van zijn paard. Lodewijk wees nu zijn zoon Lodewijk, die tot dan toe in de abdij van Saint-Denis was opgevoed, aan als opvolger, die door paus Innocentius II in Reims tot medekoning werd gezalfd en gekroond. In 1132 huldigde de graaf van Vlaanderen, Diederik van de Elzas, Lodewijk als zijn heer. Lodewijk trok in 1137, tegen het advies van zijn adviseurs, die van mening zijn dat hij door zijn zwaarlijvigheid (zijn bijnaam is letterlijk bedoeld en werd al tijdens zijn leven gebruikt) en chronische buikklachten niet tot deze onderneming in staat was, op tegen de roofridders van Saint-Brisson-sur-Loire. Lodewijk werd getroffen door dysenterie en overleed. Buitenlandse politiek Lodewijk trouwde op 28 maart 1115 met Adelheid van Maurienne, wat aangaf dat zijn ambities tot in het zuiden van Frankrijk reikten. In 1119 steunde hij de verkiezing van paus Calixtus II en kwam daarmee in conflict met keizer Hendrik V. In 1124 trok Hendrik V met een leger naar Frankrijk. Het lukte Lodewijk met de steun van Theobald van Blois en de hertog van Aquitanië om een groot leger op de been te brengen. De legers ontmoetten elkaar bij Metz en vanwege de onverwachte sterkte van het Franse leger besloot Hendrik om van strijd af te zien en zich terug te trekken. Bestuur Lodewijk werd door alle tijdgenoten beschreven als een vriendelijke en vrolijke man. Hij was ook een krachtdadige koning en van groot belang voor de vestiging van de koninklijke macht in Frankrijk. Onder zijn bewind bloeiden de economie en de steden in de gebieden die onder zijn bewind stonden. Vanaf 1110 gaf hij steden stadsrechten. Bij zijn dood was Parijs de grootste stad van Frankrijk. Lodewijk stichtte daar de abdij van Saint-Victor, de priorij van Saint-Lazare en een vrouwenklooster op de Montmartre. Hij stelde een jaarmarkt in te Parijs en liet de oude Romeinse brug door een nieuwe stenen brug vervangen. Lodewijk rekruteerde zijn dienaren uit de lage adel en geestelijkheid om zo de macht van de grote adellijke families in te perken. Hij dwong zijn directe vazallen om zijn wetten te hanteren en geen eigen wetten te maken. Lodewijk stelde een koninklijke raad in. In 1137 werd hij door de stervende hertog van Aquitanië belast met de taak om een goede echtgenoot voor zijn erfdochter Eleonora van Aquitanië te vinden. Lodewijk liet deze kans om de positie van de Franse kroon te versterken niet voorbijgaan en verloofde haar direct met zijn zoon en kroonprins Lodewijk VII van Frankrijk. | van Frankrijk, Lodewijk VI (I14602)
|
| 1761 | Lodewijk VII de Jongere (geboren 1120 – Parijs, 18 september 1180) was koning van Frankrijk van 1137 tot 1180. Lodewijk was de tweede zoon van Lodewijk VI van Frankrijk en Adelheid van Maurienne. Hij was daarom voorbestemd voor een geestelijk ambt en werd opgevoed door de abt Suger van St. Denis, de belangrijkste adviseur van zijn vader. In 1131 overleed zijn oudere broer door een ruiterongeluk en nu werd Lodewijk de kroonprins. Hij werd op 15 oktober 1131 gezalfd en tot medekoning gekroond. Er was nog een complot om Lodewijk te vervangen door zijn jongere broer Robert maar dat werd verijdeld. In 1137 overleed hertog Willem X van Aquitanië zonder mannelijke erfgenamen. Hij benoemde zijn oudste dochter Eleonora van Aquitanië tot zijn opvolger en verzocht Lodewijk VI om haar belangen te beschermen en een goede huwelijkskandidaat voor haar te vinden. Voor Lodewijk VI was dit een politiek wonder: het hertogdom Aquitanië met de bijbehorende graafschappen en steden was de grootste, rijkste en machtigste feodale staat van Frankrijk. Controle over Aquitanië zou de koning de kans geven om geheel Frankrijk werkelijk aan zijn gezag te onderwerpen – Lodewijk VI en zijn voorouders hadden alleen werkelijk macht over het gebied rond Parijs en Orléans gehad en de grote feodale vorsten vonden zichzelf gelijkwaardig aan de koning. Lodewijk VI besloot binnen een dag dat Eleonora met Lodewijk zouden moeten trouwen. Lodewijk trok samen met Suger, Theobald IV van Blois en Roeland I van Vermandois, met een gevolg van 500 ridders, naar Bordeaux. Op 25 juli trouwden Lodewijk en Eleonora daar in de kathedraal. Bij het huwelijk werd echter overeengekomen dat Lodewijk geen macht over Aquitanië zou krijgen maar dat alleen Eleonora hertogin van Aquitanië zou zijn. Pas een eventuele zoon zou de functies van hertog van Aquitanië en koning van Frankrijk werkelijk verenigen. Kort na het huwelijk overleed Lodewijk VI en volgde Lodewijk hem op. Het huwelijk van Eleonora en Lodewijk was stukgelopen, en ze hadden nog geen mannelijke erfgenaam geproduceerd. De oude abt Suger verzette zich echter uit alle macht tegen een scheiding. Toen die in 1152 overleed, werd de scheiding al snel uitgesproken (11 maart 1152) op grond van te nauwe bloedverwantschap (in die tijd het gangbare excuus voor een scheiding). | van Frankrijk, Koning van Frankrijk Lodewijk VII (I4806)
|
| 1762 | Lodewijk werd in 1179 getroffen door een beroerte. Hij wees Filips van de Elzas, de Vlaamse graaf aan tot eerste raadgever en begeleider van de op dat ogenblik veertienjarige kroonprins Filips. Daarna was hij niet meer in staat om te regeren. Zijn zoon werd in Reims gekroond maar Lodewijk was verlamd en al zo zwak dat hij de ceremonie niet kon bijwonen. Een jaar later overleed hij. Lodewijk werd begraven in de abdij Notre-Dame-de-Barbeaux bij Fontainebleau. In 1817 werd hij herbegraven in de Kathedraal van Saint-Denis. | van Frankrijk, Koning van Frankrijk Lodewijk VII (I4806)
|
| 1763 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Levend (I1)
|
| 1764 | Lokatie: 52°11.854' N 04°19.583' O | van der Harst, Johannes Zier (I4101)
|
| 1765 | Loteling in het derde regiment infanterie. | Harteveld, Willem (I13581)
|
| 1766 | Louris Ariensz van der Does, omtrent 55 jaren en Pieter Jacobsz van der Moor, omtrent 55 jaren, beide wonend in t Noordlant in Zandbambacht leggen een verklaring af op verzoek van Arien en Doe Jaspers van Alenburg wonend tot Vlaardingen en 's-Gravesande. Pieter Arentsz Spronsen wonend te 's-Gravesande heeft gebruikt in de jaren 1655, 1656 em 1657 een morgen weiland in het Nieuweland buiten 's-Gravesande. Het land was van de heer dijckgraeff van Nieuwelant. | van Alenburgh, Doe Jaspersz (I2273)
|
| 1767 | Machteld was een zus van hertog Hendrik II. Na de dood van haar man in 1234 koos zij haar residentie in 's Gravenzande. Zij kreeg toen de voogdij over haar 6 jarige zoon Willem, de latere Willem II. Ze zorg de ervoor dat 's Gravenzande stadsrechten kreeg en in 1246 ook een begijnhof. Na de dood van Floris IV in 1234 kwam ze in conflict met haar zwager Willem over het regentschap. In 1235 werd met hulp van de aartsbisschop van Keulen een regeling getroffen waarbij Willem regent van Holland werd. Na de meerderjarigheid van haar zoon Willem II trok zij zich terug op haar bezittingen in het Westland. Ze woonde in ‘s-Gravenzande en gaf die plaats stadsrechten. Ze stichtte daar ook een kerk en begijnhof. Machteld werd begraven in het cisterciënzer klooster in Loosduinen, dat zij in 1230 samen met haar man had gesticht. Dit ondanks dat ze in een akte van 1244 had aangegeven dat zij en haar dochters in de abdij van Affligem moesten worden begraven. | van Brabant, Gravin van Holland Machteld (I5807)
|
| 1768 | Machtelt Kers Jacobsz., overleden 11-10-1524, heeft het Kapittel te Naaldwijk besproken 5 gouden gulden voor een eeuwige memorie en 4 pond Hollands ten behoeve van 't loff' (?) (53). | van Dorpe (Dorpius), Machteld Bartholomeusdr (Meesen) (I4654)
|
| 1769 | Maerten Maertensz de Wit door Robin Houben Terug naar familiefragmenten In vele kwartierstaten prijkt de naam van Maertens Maertensz de Wit. Met hem stopt echter bij velen de De Wit afstamming. In onderstaand betoog wil ik zijn familie aantonen. Maerten Maertensz de Wit huwde 3x. [Bron: Trouwboek Scheveningen]: "Maerten Maertens j.m. van Schevel: met Maertie Cornelis j.d. van Schevelingen woonende beijde alhier haer eerste gebode gehadt den 13 september 1648 getrout den 8 november". "Maarten Maertens de Wit weduwenaer vy Maertie Corn: Pronck met Corsje Jans j.d. beijde vy Schevel: ende alhier woonachtug haer eerste gebode gehadt dy 29 april 1663 getrout dy 13 maij pynsterdach maandach". "18 januari 1693 Maerten Maertens de Wit wedr van Corsie Jans met Peternelletie Eeuwits beiaarde dochter beide woonende alhier getrouwt dy 1 febr". Hoewel ook uit zijn 2e huwelijk kinderen zijn geboren is voor de afstamming van Maerten Maertensz de Wit vooral zijn 1e huwelijk belangrijk. Bij het dopen van zijn kinderen treden een aantal doopgetuigen op die de eerste aanwijzing voor zijn familie oplevert [Bron: Doopboek Scheveningen]. Dit zijn: "Corn Maertensz" op 10-1-1649. "Pr Maertsz" op 20-3-1661. "Jannetge Jochums" op 20-3-1661. Afgaande op de patroniemen zijn de eerste twee personen vermoedelijk broers van Maerten. Er is nu nog geen aanwijzing dat Jannetje Jochums ook familie is, maar ik noem haar toch omdat, zoals later blijkt, zij de stiefmoeder van Maerten Maertensz was. Zijis een belangrijke factor in de bewijsvoering van de afstamming van Maerten Maertensz de Wit. Ook in Delfshaven zijn verschillende personen met de naam De Wit te vinden. Tegenwoordig heeft het Rotterdams Gemeentearchief, waar de gegevens van Delfshaven zich bevinden, een aantal zeer belangrijke bronnen op internet gezet. Dit maakt de bronnen gemakkelijk toegankelijk. In het notarieel archief van Delfshaven vinden we de volgende aanwijzigingen: 2-8-1669: [Bron: Not. Archief Delfshaven 3846-95/382] Jannetgen Jochems van Hardenbergh, vrouw van Buyser Jacobs stierman legateert 50 gld. aan Cornelis Jochems van Hardenbergh, wonend in s Gravenhage, haar broer; en vermaakt haar kleding aan Pietertjen Maertens de With, vrouw van Adriaen Gerrits Cocxhoorn;Jaepjen Benjamijns van der Brugge, vrouw van Pieter Maertens de With en Geertjen Abrahams Walingh, vrouw van Floris Maertens de With en benoemt tot haar erfgen. haar man. 9-1-1693: [Bron: Not. Archief Delfshaven 3861-3/22] Op verzoek van Buisert Jacobsz, weduwnaar van Jannetje Jochemsdr die eerder wed. was van Maerten Claesz, verklaren Cornelis Maertensz de Wit en Ary Gerritsz Bocxhoorn, gehuwd met Pietertje Maertensdr de Wit, beiden kinderen en erfgenamen van Maerten Claesz, stierman, dat het huis gelegen aan de oostzijde van de Oudehaven bij de boedelscheiding is toegevallen aan genoemde Jannetje Jochemsdr 11-5-1657: [Bron Not. Archief Rotterdam 142 339/510] Jannetge Jochems 58 jaar weduwe van Maerten Claesz wonende te Delffshaven en haar drie zonen Cornelis Maertensz 25 jaar, Pieter Maertensz 18 jaar, Floris Maertensz 16 jaar verklaren op verzoek van Pieter Huchtenbrouck coopman dat voornoemde Maertenin opdracht van requirant 10 halve zakken hop naar Hul in Engeland gebracht heeft. De hop is daar verkocht aan Timothij Lunnen. Uit deze 3 akten blijkt dat Jannetje Jochums eerst gehuwd moet zijn met ene Maerten Claes. Deze Maerten moet de vader geweest zijn van o.a. Cornelis, Pieter, Floris en Pietertje Maertens de Wit. Onduidelijk is nu nog of Jannetje Jochums de moeder of de stiefmoeder was. Meer informatie omtrent Jannetje Jochums is te vinden in de trouwboeken van Scheveningen en Delfshaven. Op 29-4-1650 gaan op Scheveingen in ondertrouw "Maerten Claesen weduwenaer met Jannetie Jochems j.d. beijde woonende alhier toe Schevel. haer eerste gebode gehadt dy 24 april 1650 getrout dy 8 mey". [Bron: Trouwboek Scheveningen]. Op 26-5-1658 trouwen in Delfshaven "Buijser Jacobsz, weduwnaar van Neeltje Cornelis, wonende Catwijc O/ Zee en Jannetje Jochems weduwe van Maerten Claesz, wonende Delfshaven". [Bron: Trouwboek Delfshaven] Gezien de leeftijd van de verschillende kinderen van Maerten Claesz genoemd in de bovenvermelde not. Akten moet Jannetje Jochums dus hun stiefmoeder zijn. Wederom terug naar Scheveningen, de plaats waar Jannetje Jochums voor het eerst in het huwelijk trad. In de weeskamer van Den Haag [Bron: Weeskamer Den Haag 402-1550] vinden we op 18-4-1650 "Maerte Claes stierman als vader eenre ende Cornelis Joppe Pronck, Arent Arents Koock en Arijen Doens als ooms en voogden van het nagelate weeskind van za. Lijsbet Pieters met name Pieter en Floris Maertens, alle woonachtig op de dorpe van Scheveninge alsdat sij Maerte Claes zal bij de weeskamer te s gravenhage soodanig somme van hondert gulden gecomen van Arijen Jans Knijn halve broeder van voors kinderen." Gezien de datum en de namen van de kinderen moet dit wel dezelfde Maerten Claesz betreffen als degene die Jannetje Jochums zou huwen. Eerst eens verder inzoomen op het echtpaar Maerten Claesz en Lijsbeth Pieters. Zij lieten in Scheveningen 2 kinderen dopen: [Bron: Doopboek Scheveningen] In 1638 "Den 7e Novemb gedoopt het kint van Maerte Claesz gent Pr, get Corn Ingensz Frederick Cornsz". In 1643 "Den 8e gedoopt het kint van Maerte Clsz gent Trijntge, get Cees Joppe Jannetge en Gerritge Pieters" Dat het hier dezelfde Maerten Claesz betreft wordt bevestigd doordat zijn zoon Pieter op 11-5-1657 inderdaad 18 jaar was zoals in de not. akte van Delfshaven staat. Ook de dochter Trijntje is aan hem toe te schrijven gezien de doopgetuigen. Cornelis JoppePronck werd in de weesakte van 1650 als oom van de weeskinderen genoemd. De beide meisjes Pieters zullen zussen van Lijsbeth Pieters zijn geweest. Trijnge is vermoedelijk als kind gestorven in Delfshaven. De begraafboeken beginnen daar pas in 1695 dus vanhaar is verder niets meer te vinden. Van zoon Floris is geen doopinschrijving op Scheveningen te vinden. Gezien zijn 16 jarige leeftijd in 1657 moet hij omstreeks 1641 zijn geboren. Dit past prima tussen beide genoemde doopdatums in. In deze periode missen wel meer doopinschrijvingen op Scheveningen. Lijsbeth Pieters zelf tenslotte stierf in 1649. "Den 12e begraven Lijsbet Prsdr huijsvrou van Maerte Claesz opt kerkhof aen noortsijde". [Bron: Begraafboek Scheveningen]. Lijsbeth Pieters was dus de moeder van Pieter en Floris Maertensz. Jannetje Jochums had echter nog meer stiefkinderen: op zijn minst Cornelis en Pietertje. Jannetje Pieters moet echter reeds eerder gehuwd zijn geweest met ene Jan Knijn. Het is dus zeker niet ondenkbaar dat Maerten Claesz ook al eerder gehuwd was voordat hij met Lijsbeth Pieters in het huwelijk trad. Hij zou dan dus 3x gehuwd zijn geweest. Zoon Cornelis Maertensz de Wit was in 1657 25 jaar. Hij moet dus geboren zijn omstreeks 1632 uit het 1e huwelijk van Maerten Claesz de Wit. Onze Maerten Maertensz de Wit huwde in 1648. Hij werd begraven op 22-4-1709 [Bron: Begraafboek Scheveningen]. Vermoedelijk zal hij omstreeks 1625 geboren zijn. Qua tijdsperiode zou hij dus makkelijk een zoon uit het eerste huwelijk van Maerten Claesz kunnen zijn. Als (oudste?) zoon was hij reeds zelfstandig toen zijn vader naar Delfshaven vertrok en is hij op Scheveningen achter gebleven. Zijn jongere broers en zusters zijn wel naar Delfshaven gegaan. Om deze theorie verder te onderbouwen moeten we eens naar de verschillende bronnen over huizen op Scheveningen kijken. Op 26-6-1688 verkoopt Maerten Maertensz de Wit een huis op Scheveningen "op dn hoeck van den heer van Wassenaerstraetje te Scheveningen", belend in het NO "Cornelis Cath". In mei 1649, 29-6-1658 en 11-11-1665 wordt op dit perceel in belendingen een Maerten Claesz genoemd. [Bron: Transportregister Den Haag] Al met al genoeg bewijs om Maerten Claesz aan te wijzen als vader van Maerten Maertensz de Wit. | de Wit, Maerten Claesz (I10003)
|
| 1770 | Maerten Willemze Fiereman Begraven op het koor Impost 8-0-0 | Saeneke, Maerten Willemsz (I3868)
|
| 1771 | Maertje Bastiaene weduwe van Arij Jercks kagenaer 1 Vrouw 1 meijt | Maertje Bastiaenen (I2512)
|
| 1772 | Margareta Stevensz wed Bastiaen Claesz de Wit 1 Vrouw 1 kindt booven 10 jaer 1 kindt booven 8 tot 10 jaren 1 kindt beneden 8 tot 4 jaren 1 kindt beneden 4 jaer | Overklift, Margarita Steffens (I2269)
|
| 1773 | Margaretha van Dampierre (1272 - 1331). Margaretha van Dampierre (niet te verwarren met haar gelijknamige halfzuster Margaretha van Dampierre, die leefde van ca. 1251 - 1285) was de dochter van Gwijde van Dampierre en zijn tweede vrouw Isabella van Luxemburg. Zij werd als tienjarige op 15 november 1282 te Roxburgh (Schotland) uitgehuwelijkt aan de negentienjarige Alexander van Schotland (1263-1283), erfprins van Schotland, die een jaar later stierf. Op 3 juli 1286 werd ze, inmiddels veertien jaar oud, te Namen (Wallonië) uitgehuwelijkt aan Reinoud I van Gelre (1255-1326), graaf van het hertogdom Gelre. In 1293 schonk Margaretha een stuk grond aan de Dominicanermonniken van Zutphen bedoeld voor de bouw van een klooster, de huidige Broederenkerk. | van Dampierre, Margaretha (I4306)
|
| 1774 | Mari Oliviers een eygen huys, maar alsoe dese van aelmis leeft daerover hier nyet. | Marijcken Vranckendr (I3560)
|
| 1775 | Maria Hoogewerff, weduwe van Adriaen van Roijen, die dijkgraaf van de zuid Beijerlanden en de Eendrachtspolder was, benoemt tot haar erfgenamen Cornelis, Jacobus, Magdalena, Henricus en Pieter van Driel, allemaal kinderen van haar broer Aert van Driel, dijkgraaf van Albrantswaard. Met de voorwaarde, dat haar genoemde broer zijn leven lang het vruchtgebruik heeft. Als executeur en voogd over de minderjarigen benoemt ze haar broer Aert van Driel. | van Driel, Aert Jansz (I12710)
|
| 1776 | Maria Tasman, wed. van Bastiaan van der Harst Aelbertsz., verkoopt aan Bastiaan van der Harst substituut-schout de helft in de bomschuit, genaamd „de Jonge Apolonia", stuurman Cornelis Wou- ters Pronk voor ƒ 300.— | van der Harst, Bastiaan Jacobse (I5197)
|
| 1777 | Maria Tasman, wed. van Bastiaan van der Harst Aelbertsz., verkoopt aan Bastiaan van der Harst substituut-schout de helft in de bomschuit, genaamd „de Jonge Apolonia", stuurman Cornelis Wou- ters Pronk voor ƒ 300.— | Tasman, Marijtje Maartens (I14000)
|
| 1778 | Maria van Schotland (1082 - 1116) was de jongste dochter van koning Malcolm III van Schotland en zijn tweede vrouw Margaretha van Schotland. Maria was de jongste van acht kinderen. Haar broers waren: Eduard, Edmund, Ethelred, Edgar, Alexander en David. Maria had een zuster, Edith, eerste echtgenote van Hendrik I van Engeland. Maria werd in 1086 samen met haar zuster Edith door hun ouders naar het klooster van Romsey gestuurd. De twee meisjes besteedden hun vroege leven in het klooster onder de hoede van hun tante, van wie zij ook hun onderwijs kregen. Edith ontving veelhuwelijksaanzoeken, maar sloeg deze af. Edith verliet ten slotte het klooster in 1100 om te trouwen met Hendrik I van Engeland. Aanvankelijk was het huwelijk onaanvaardbaar, omdat Edith en Maria beide hun jeugd in in het klooster doorbrachten en werden beschouwd als nonnen. Hendrik kreeg echter toestemming om te trouwen. Maria verliet het klooster in 1096. Op verzoek van haar zus werd Maria door Hendrik uitgehuwelijkt aan Eustaas III van Boulogne, zoon van Eustaas II van Boulogne en Ida van Verdun. Het huwelijk duurde twintig jaar, waaruit een dochter voortkwam: Mathilde van Boulogne (1105-1152). Door haar huwelijk met Stefanus van Engeland werd zij koningin van Engeland. | van Schotland, Maria (I3387)
|
| 1779 | Marijken Vranckendr., wed. wijlen Olivier Adriaensz. met Cornelis Corvijn, haar gecoren voogd is schuldig aan de twee weeskinderen haar achtergelaten bij dezelve Olivier Adriaensz., te weten Vranck Oliviersz. en Willemken Oliviers te samen de somma van zeven pond wegens vaderlijk erf; elk kind op huwelijksdag 1 pond groot en alle jaren daarop volgend 1 pond onder verband van hypotheek op haar huis te Naaldwijk, oost: ’s Herenweg, zuid: Neeltje Focken, noord: Marijtje Herpers, west: heer Jan van Eyndhoven, alsmede haar boomgaard. | Marijcken Vranckendr (I3560)
|
| 1780 | Marijtje, nu meerderjarig, ontvangt uit handen van de weesmeesteren de somma van F 95,= inzake de nalatenschap van haar vader en de helft van het deel van haar zuster Trijntje, welke is overleden. | van der Harst, Marijtje (I13992)
|
| 1781 | Maritge Adriaensdr Nieuwaerts is geboren rond 1501. Dit blijkt wanneer haar moeder op 1 maart 1514 met haar tweede man voor de weeskamer verschijnt | Nieuwwaerts, Maritge Adriaensdr (I13483)
|
| 1782 | Maritge Adriaensdr Nieuwaerts is geboren rond 1501. Dit blijkt wanneer haar moeder op 1 maart 1514 met haar tweede man voor de weeskamer verschijnt | Bloem, Adriaen Hendricksz (I13484)
|
| 1783 | Maritge Adriaensdr Nieuwaerts is geboren rond 1501. Dit blijkt wanneer haar moeder op 1 maart 1514 met haar tweede man voor de weeskamer verschijnt | Alijt Jansdr (I13485)
|
| 1784 | Maritgen Pieters huisvrouw van Maerten Maertensz. Sprockenburg nieuw graf, 5x, 8.-.- | Maritgen Pietersdr (I2703)
|
| 1785 | Mathilde en Hendrik kregen de volgende kinderen: Maria van Brabant (-1260), gehuwd met keizer Otto IV en daarna met Willem I van Holland Margaretha van Brabant (ovl. 1231), begraven in de abdij van Roermond, gehuwd met Gerard III van Gelre Adelheid van Brabant Machteld Hendrik II van Brabant Godfried van Leuven-Gaasbeek | Gezin: Graaf van Brussel Hendrik I van Brabant / Hertogin van Brabant Mathilde I van Boulogne (F1590224566)
|
| 1786 | Mathilde schonk hem acht kinderen: Robrecht III van Vlaanderen (1249 - 17 september 1322), graaf van Vlaanderen (1305-1322) Willem van Dendermonde, ook Willem Crèvecoeur genoemd (1248 of 1249-1311) Jan van Vlaanderen (omstreeks 1250 - 14 oktober 1291), bisschop van Metz van 1280 tot 1282, prins-bisschop van Luik van 1282 tot 1291 Margaretha van Dampierre (omstreeks 1251 - 3 juli 1285), huwde in augustus 1273 met hertog Jan I van Brabant Boudewijn (rond 1252-1296) Maria van Dampierre (omstreeks 1253-1297), huwde met Willem V van Gulik in 1266. Na zijn dood, op 17 maart 1278 huwde ze in 1281 met Simon van Château-Villain. Twee zoons uit haar huwelijk met Willem hadden dezelfde voornaam als hun vader en sneuvelden in de strijd tussen Vlaanderen en Frankrijk: Willem van Gulik de Oudere in de Slag bij Bulskamp (1297); Willem van Gulik de Jongere in de Slag bij Pevelenberg (1304). Beatrix van Vlaanderen, (omstreeks 1253 - 23 maart 1296), huwde met graaf Floris V van Holland in het jaar 1269. Filips van Chieti (omstreeks 1257 - november 1308), huwde in 1284 met Mathilde van Courtenay, gravin van Chieti. Na haar dood in 1301 huwde hij met Filippa van Milly, regent van Vlaanderen na Guldensporenslag van 1303 tot aan het verdrag van Athis-sur-Orge in 1305. | Gezin: Heer van Dampierre Gwijde III van Dampierre / Mathilde van Béthune (F1590224536)
|
| 1787 | Mathilde trouwde rond 1051 met Willem de Veroveraar en werd daarmee hertogin van Normandië. Maarhaar echtgenoot werd vervolgens door de Engelse koning Edward de Belijder aangewezen als troonopvolger. Mathilde werd tot zijn gemalin gekroond in de kathedraal van Winchester. Verzet tegen het huwelijk kwam van koning Hendrik I van Frankrijk en Paus Leo IX. De laatste gaf in 1059 alsnog zijn zegen, en wellicht daarom stichtte ze dat jaar de Abbaye aux Dames te Caen. Hun huwelijk hielp Willem niet alleen aan Vlaamse steun voor de inval in Engeland in 1066 maar ook rustte ze van eigen geld een schip uit voor de invasievloot. Op Pinksteren 1068 werd ze tot koningin van Engeland gekroond in Westminster Abbey. Ze kreeg van Willem grote bezittingen in Engeland. Mathilde regeerde bij afwezigheid van Willem in zijn naam, waarbij Mathilde steeds in Engeland was als Willem in Normandië was en omgekeerd. In 1079 steunde ze haar opstandige zoon Robert Curthose tegen zijn broers en later zelfs tegen Willem, maar in 1080 wist ze een verzoening te bereiken. Ze is begraven in de Abbaye aux Dames. Haar dood was volgens tijdgenoten de oorzaak van Willems tirannieke bestuur in zijn laatste jaren. Sommigen beweren dat Mathilde het Tapijt van Bayeux gemaakt heeft maar dat is zeker niet het geval. Het is in Engeland gemaakt op bestelling van bisschop Odo, een halfbroer van Willem. Lange tijd werd algemeen aangenomen dat Mathilde bijzonder klein was maar dit berust op een schrijffout. Uit de oorspronkelijke aantekeningen van de metingen aan haar skelet blijkt dat ze 1,52 m was, voor haar tijd een heel gewone lengte. Willem en Mathilde kregen de volgende kinderen: Robert Curthose, erft het hertogdom Normandië Richard (ca. 1055 - 1075 of 1081), verongelukt tijdens de jacht in New Forest, begraven in de kathedraal van Winchester Adelheid, verloofd met Harold II van Engeland in 1064 maar niet met hem getrouwd, non in Préaux (Seine-Maritime) Mathilde (ovl. ca. 1113), abdis van la Trinité te Caen Cecilia (ovl. juli 1126/1127), abdis van la Trinité te Caen als opvolgster van Mathilde, begraven in Caen Willem Rufus, erft het koninkrijk Engeland Constance (ovl. 13 augustus 1090), getrouwd met Alan IV van Bretagne, begraven in een kerk bij Redon (plaats) Agatha Adela Hendrik Beauclerc Vanwege het grote aantal kinderen dat ze hadden, en omdat er van Willem geen buitenechtelijke kinderen bekend zijn, wordt er algemeen van uitgegaan dat Willem en Mathilde een goed huwelijk hadden. | van Vlaanderen, Hertogin van Normandië Mathilde (I4167)
|
| 1788 | Mathilde van Boulogne (geboren ca. 1105 – overleden Castle Hedingham, 3 mei 1151) was een dochter van Eustaas III van Boulogne en Maria van Schotland. Mathilde was koningin van Engeland. Mathilde was erfdochter van het graafschap Boulogne en grote bezittingen in Engeland en Normandië. Koning Hendrik I van Engeland bemoeide zich daarom persoonlijk met haar huwelijk en liet haar trouwen met zijn neef Stefanus van Blois. Na het overlijden van Hendrik in 1135 maakte Stefanus zich meester van de Engelse troon. Mathilde was daar niet bij aanwezig, zij verbleef hoogzwanger in Boulogne. Op 22 maart 1136 werd ze in de Westminster Abbey tot koningin gekroond. Hendrik had echter niet Stefanus maar zijn dochter Mathilde van Engeland als erfgenaam aangewezen. Daardoor ontstond er een langdurig en verward conflict tussen de fracties van Stefanus en van Mathilde van Engeland. Mathilde speelde in deze periode een belangrijke rol, ze was duidelijk de tweede "man" van de fractie van Stefanus - na Stefanus zelf: in 1138 leidde ze met succes het beleg van Dover, compleet met een zeeblokkade vanuit Boulogne. in 1139 onderhandelde ze het verdrag van Durham waarmee David I van Schotland in ruil voor grote concessies Stefanus als koning van Engeland erkende. in 1140 arrangeerde ze het huwelijk tussen haar zoon Eustaas IV van Boulogne en Constance (ovl. 1176), dochter van Lodewijk VI van Frankrijk. In dat jaar voerde ze ook verkennende besprekingen met de aanvoerder van de partij van Mathilde van Engeland, Robert van Gloucester. in 1141 organiseerde ze het verzet van de partij van Stefanus na diens gevangenneming, samen met de huurlingenaanvoerder Willem van Ieper. Ze sloten het leger van Robert in toen die Winchester belegerde, en namen hem gevangen. Robert werd daarna tegen Stefanus geruild. Mathilde wist ook een aantal belangrijke edelen terug te winnen voor de zaak van Stefanus, waaronder diens broer Hendrik. ze probeerde Eustaas te laten kronen. Toen de aartsbisschop van Canterbury zich hier tegen verzette, liet zij hem verbannen. Mathilde stichtte meerdere abdijen samen met haar man en stichtte zelfstandig het convent van Higham en het Sint-Catharinahospitaal in Londen. Mathilde gaf schenkingen aan de Tempeliers. Mathilde overleed aan een koorts en is begraven in de abdij van Faversham. Mathilde en Stefanus hadden de volgende kinderen: Boudewijn, ca. 1136 op ongeveer tienjarige leeftijd overleden te Londen en begraven in de priorij van Aldgate Eustaas Willem Mathilde, als peuter met Pasen 1136 verloofd met Walram IV van Meulan maar ca. 1140 op ongeveer zesjarige leeftijd overleden en begraven in de priorij van Aldgate. Maria. | van Boulogne, Gravin van Boulogne Mathilde (I4169)
|
| 1789 | Mattheüs en Maria kregen de volgende kinderen: Ida van Boulogne, erfgename van Boulogne Mathilde van de Elzas | Gezin: Graaf van Boulogne Mattheüs I van de Elzas / Gravin van Mortain en Boulogne Maria van Boulogne (F1590224567)
|
| 1790 | Mattheus was een zoon van de graaf van Vlaanderen, Diederik van de Elzas en Sybilla van Anjou. Hij trouwde in 1160 met Maria van Boulogne, erfgename van het graafschap Boulogne en uitgestrekte bezittingen in Engeland sinds de dood van haar laatste broer in 1159. Dit huwelijk werd gearrangeerd door Hendrik II van Engeland, en niemand trok zich er iets van aan dat Maria in 1159 abdis was van de abdij van Romsey. In 1162 vroeg Mattheus aan de paus om een bisschop aan te stellen in Boulogne. De paus weigerde en in de volgende ruzie excommuniceerde de paus Mattheus en Maria, met als grond dat hun huwelijk niet geldig was omdat Maria als non geestelijke geloften had afgelegd die ze nu niet meer trouw was. Aanvankelijk trok niemand hier zich veel van aan en Mattheus nam in 1166 deel aan een Vlaamse expeditie tegen Holland. Maar in 1168 volgde een interdict voor het graafschap Boulogne. In 1170 werd er met hulp van keizer Frederik I van Hohenstaufen een regeling getroffen waarbij Mattheus en Maria scheidden en de excommunicatie werd opgeheven. Maria trad weer in het klooster en Mattheus mocht het graafschap Boulogne behouden. Mattheus was een trouw volgeling van koning Hendrik II en ontving van hem grote goederen in Normandië en Engeland. Hij gaf stadsrechten aan Calais | van de Elzas, Graaf van Boulogne Mattheüs I (I4256)
|
| 1791 | Mees Henricsz. blijkt d.d. 1-5-1511 een rente van 25 st. te hebben op een huis te Naaldwijk, toebehorende aan Adriaen Adriaansdr., weduwe van Jorijs Jacobsz. Nyetap (46). | van Dorpe, Bartholomeus Hendricksz (I4242)
|
| 1792 | Mees Heynricxz. koopt op 6-2-1473 van Dirck van Bossch Pietersz. de helft van 16 morgen land in Zoeterwoude, de helft van twee percelen elk groot 1 morgen in Voorschoten en de helft van een halve morgen broekland aldaar. Op 10-11-1473 verkoopt hij dat land aan het klooster Sint Anna te Delft (39). | van Dorpe, Bartholomeus Hendricksz (I4242)
|
| 1793 | Mees Heynrixz. koopt op 29-6-1515 van Jan en Willem, Aernt Claesz. kinderen, een rente van 10 pond Hollands, verzekerd op 4$ morgen land te Monster (49). | van Dorpe, Bartholomeus Hendricksz (I4242)
|
| 1794 | Memorienummer: 7/632 | van der Harst, Leendert (I4486)
|
| 1795 | Memorije van de goederen die Arijaentie Oliviers Joncker weduwe van wijlen Willem Cornelisz Loij isbezittende en bij haar opgegeven als volgt op den 10-12-1706. - de helft van een zeeschuijt 325-0-0 - de klederen van de overleden zo van wollen als linnen zijn vermaakt of nog te vermaken voor de kinderen somma 371-2-0 Schulden tot laste van de boedel - aan de schrijver bij haar op de helft van de zeeschuijt verschoten 225-0-0 - aan Leendert van Dijck mede op de schuijt verschoten 100-0-0 - aenden selven nog 50-0-0 - nog aan lopende schulden aan verscheijde luijden 50-0-0 somma 425-0-0 - egter bewijst Arijaantie Oliviers aan hare kinderen voor haar vaderlijk bewijs voor haar gezamentlijk eens de somme van ƒ 1-16-0. | Jonker, Ariaantje Oliviers (I3998)
|
| 1796 | Men zei 80 jaar. Gevonden akte is van 2-5-1803, kan dus een verschrijving zijn. Pro Deo | Vrolijk, Arij Maartense (I8777)
|
| 1797 | Men zei 88 jaar Pro Deo | van der Toorn, Maarten Tysse (I5730)
|
| 1798 | Ment Ariens Spaens zeeman 1 Man 1 Vrouw 1 kindt boven 10 jaer 2 kinderen beneden 8 tot 4 jaer 1 kind beneden 4 jaer | Spaans, Ment Ariens (I4984)
|
| 1799 | Met 2 kinderen >10 jaar en 2 tussen 4 en 8 jaar | Vrolijk, Arij Cornelisse (I5000)
|
| 1800 | met 4 morgen land in de hoeve van Warmond, gelegen in Ruiven’ | van Dijck, Jacob Dirxsz (I3507)
|
| 1801 | Met attest uit Berkel | Gezin: Cornelis Az van der Lely / Jannitgen Ingendr (F1590223620)
|
| 1802 | Met attestatie van Loosduinen. Weduwe van Loosduinen. (of toch Monster?) | Gezin: Cornelis Czn van Middelburgh / Trijntje van Schagen (F1590223506)
|
| 1803 | Met attestatie van Monster en den Haag, pro Deo | Gezin: Gerrit Cornelisz van Middelburch / Ariaantje van Kralingen (F1596015763)
|
| 1804 | Met attestatie van Rijswijk | Gezin: Bastiaan Thijssen / Leuntje Arense van der Toorn (F1590224223)
|
| 1805 | Met attestatie van Rijswijk | Gezin: Claas Cornelisse van der Key / Cornelia Foppe van Schenaert (F1640166082)
|
| 1806 | Met attestatie van Wassenaar | Gezin: Ary Jansz Bom / Hubertie Claes van der Veer (F1590223861)
|
| 1807 | Met een bijgevoegd schrijven van Leendert Cornelis van der Harst | van der Harst, Leendert Cornelisz (I5237)
|
| 1808 | Met hierin een verwijzing naar het testament van wijlen haar man Willem van der Harst op 15-3-1801, gepasseerd te Scheveningen. Over 15 dagen trouwt ze met Gerrit Hoogenraad, nu stelt ze twee voogden aan die de belangen van de kinderen zullen dienen te weten: Cornelis Leenderts van der Harst (haar broer) en Pieter van der Harst. | van der Harst, Maria (I5328)
|
| 1809 | Met Reinout I kreeg zij twee kinderen: Margaretha van Wassenberg (1285-1333) Reinoud II (de Zwarte) van Wassenberg, Hertog van Gelre (1295-1343) | Gezin: Graaf van Gelre Reinoud I van Gelre / Margaretha van Dampierre (F1590224534)
|
| 1810 | Met vier anderen verongelukt op zee | den Heijer, Adrijaan Cornelisse (I10647)
|
| 1811 | Michael was op 15 Aug 1610 Burger van Ulm. Hij moest eerder zijn woonplaats Neuburg verlaten vanwege zijn evangelisch geloof | Küderlin, Michael (I2179)
|
| 1812 | Middelburg Leendert van der Harst aangeslagen bedrag : £ 4.0.0 eigenaar van huis, adres : Groenmarkt zuidzijde wijk 13 nummer 45 koper onroerend goed in september 1796 Middelburg datum : 1796-09 koper : Leendert v.d. Harst verkoper :Cornelis Vermeulen locatie : Middelburg, Lange Burg Object 1 : huis prijs : £ 758:16:8 bron : Archief rekenkamer d 69751 | van der Harst, Leendert (I4486)
|
| 1813 | Middenplein | NN (I5434)
|
| 1814 | Moeder bruid ten tijde van huwelijk overleden. Ouders bruidegom ten tijde van huwelijk overleden. | Gezin: Leendert Hofland / Helena Ros (F1590223011)
|
| 1815 | Moeder bruidegom niet aanwezig, maar toestemming verlenende. Moeder bruid niet aanwezig, maar toestemming verlenende. | Gezin: Cornelis Vrolijk / Maria Wijnands (Wijmans) (F1640165466)
|
| 1816 | Moeder is Christina Geerling .. | Steevens, Maria Catharina (I6247)
|
| 1817 | Moeder is volgens de akte: Marija Hogenraad... | Spaans, Ary Leendertsz (I5768)
|
| 1818 | Moeder Jaantje Keus is een verschrijving van de ambtenaar | van der Toorn, Trijntje Jacobs (I7372)
|
| 1819 | Moeder van Cornelis Sijmonsze | Colen, Aryaentie Cornelis (I5495)
|
| 1820 | Moeder van Jacob Arijsz ??? | Olimans, Claasje Pleunen (I1561)
|
| 1821 | Mogelijk aan tering overleden. Pro Deo | Pronk, Leuntje Wouterse (I5725)
|
| 1822 | mogelijk identiek met Adewij van Vorensis | van Holland, Hadewich Florijsdr. (I3394)
|
| 1823 | Mogelijk in het kraambed overleden. | Sterreveldt, Jannetje Hendriksdr (I2272)
|
| 1824 | Mogelijk is dit de Jacob van Duyne die de erfprins op de bok nam bij zijn landing te Scheveningen in 1813. | van Duyne, Jacob (I5340)
|
| 1825 | Mogelijk zijn Dirck Cornelisz en Trijntje Arends beide in Katwijk geboren. Bestudering van het hoofdgeld Katwijk anno 1623 geeft voor Dirck Cornelisz dan een viertal mogelijke ouders: 1e: Cornelis Ariensz van Berendrecht met Aeltgen Claesdr 2e: Cornelis Dircxz met Aechgen Jacobsdr 3e: Cornelis Claesz met Trijn Dircxsdr 4e: Cornelis Lourisz met Betgen Buijsers de eerste drie wonende te Katwijk Zee en de vierde te Katwijk op Rijn. Voor Trijntje Arendts is het lastiger om mogelijke ouders aan te wijzen omdat er in het hoofdgeld geen Arend genoemd is met een dochter Trijntje. | Haasnoot (Haseneut), Cornelis Dircksz (I4371)
|
| 1826 | Mogelijkerwijs is Ealhmund met Eanmund, die rond 764/765 in Kent heerste, te identificeren. Volgens de traditionele overlevering was Ealhmund afkomstig uit het huis Wessex. Zijn vader heette Eafa, de naam van zijn moeder is niet geweten.[2] Ealhmunds zoon Ecgberht was van 802 tot 839 koning van Wessex.[3] Enige zaken pleiten echter ook voor een Kentische afkomst. Mogelijkerwijs ontstond de "verwantschap" met het Huis Wessex pas in een latere periode toen Ealhmunds zoon Ecgberht en diens nakomelingen zich een bijkomende legitimatie als koningen van Wessex zochten te verschaffen. Koning Ecgberht II (764/765-779/784) van Kent behaalde in 776 in de slag bij Otford een overwinning op Offa (757-796), de koning van Mercia, schudde diens opperheerschappij af en heerste in de jaren die volgden als onafhankelijk koning vermoedelijk over heel Kent. Ecgberhts invloedssfeer strekte zich waarschijnlijk ook tot Surrey en delen van Essex en Sussex uit.[5] Mogelijkerwijs was Ealhmund reeds in de jaren 770 mede- of onderkoning van Ecgberht mogelijkerwijs zijn broer was.[6] Het ten laatste in 779 opgestelde charter S36[7] is het laatste document waarin Ecgberht II opduikt. In 784 wordt Ealhmund als zijn opvolger geattesteerd.[8] In 784 droeg Ealhmund in het enige van hem in een vroeg afschrift bewaard gebleven oorkonde 12 aratra (hoeves, boerderijen) bij Scilduuic (Sheldwich bij Faversham) aan Hwitred, de abt van Reculver en stelde ze vrij van afgaven.[9] Het moet echter wel worden opgemerkt dat deze oorkondes uit een cartularium afkomstig zijn waarvan de dateringen niet enorm betrouwbaar zijn, wat ook voor de datering van zijn regering problemen oplevert.[10] Rond 784/785 geraakte Kent nogmaals onder de controle van Offa, die over dit land tot aan zijn dood in 796 zelf regeerde. Vermoedelijk kwam Ealhmund in deze strijd om Kent in 785 om het leven.[11] Ealhmunds zoon Ecgberht moest in 786 voor Offa vluchten en vond aan het hof van Karel de Grote in het Frankische Rijk asiel. | van Kent, Koning van het Angelsaksische koninkrijk Kent Ealhmund (I13835)
|
| 1827 | Molenmeesteres "De Woudpoler tenslotte geeft nog een bijzonderheid in de roelering te zien, die aangestipt dient te worden. Hier is niet alleen het molenmeesterschap, maar ook het kroosheemraadschap aan hofsteden verbonden, 9 hofsteden (na 1665 zijn het er 8) bezitten het schouwrecht, d.w.z. eenmaal in de 6 (8) jaar zijn de ?possesseurs? van deze woningen aan de beurt om het molenmeesterschap te bedienen, maar in de tussenliggende jaren treden ze op als medeschouwers, niet omdat ze daarvoor door de molenmeester verkozen worden, maar omdat hun woning schouwrecht bezit. Dit schouwrecht is vervreemdbaar, zoals enkele voorbeelden aantonen: De woning van Lijsbeth Arryensdochter bezit in de jaren ?60 van de 17e eeuw sedert onheuglijke tijden schouwrecht en Lijsbeth is gewoon om op haar beurt als molenmeesteres op te treden. Pieter Arijsz. Dixhoorn, haar zoon, verricht dan voor haar de werkzaamheden die het ambt meebrengt. Na verloop van tijd scheidt Lijsbeth haar bezit in tweedelen, een deel behoud | Dijkshoorn, Arnoud Blasiusz (I5939)
|
| 1828 | Monster 19 oktober 1671; Inden name des Heeren Amen. Heden den 19 october zestienhonderd een entseventig des voormiddags de klokke omtrent tien uren compareerden voor mij Jacob de Jongh openbaar notaris bij den hove van Holland wettelijk geadmitteert, residerende binnen zijne hoogheids heerlijkheit ter Heijde ende voor den getuigen na benoemt den eersame Arijen Jacobsen van der Nol, ende zijne lieve huisvrouw Neelten Arijens, Mr. cleermaker wonende binnen Monster mij notaris en getuigen bekent, de voorn. Arijen Jacobsen ziekelijk te bedde leggende, dog zijn verstant memorie uitspraak en reden wel hebbende en gebruikende gelijk ook zijn voornoemde huisvrouw als ons notaris en getuigen klaarlijk bleek en niet anders konden bemerken te kennen gevende zij comparanten dat er niet sekerder en is dan de doodt ende niet onsekerder dan den tijt en wijze van dien willende die onsekere wijze voorkomen met het maken en disponeren van haer tijdelijke goederen die zij door Gods genade metter doodt sullen komen na te laten, doende 't selve soo zij beijden verklaerden Benoemen elkaar over en weer als erfgenaam en geven hun kinderen het "versterf regt". (WKA Monster inv.nr. 12). | van der Nol, Arijen Jacobs (I3831)
|
| 1829 | Monster 19 oktober 1671; Inden name des Heeren Amen. Heden den 19 october zestienhonderd een entseventig des voormiddags de klokke omtrent tien uren compareerden voor mij Jacob de Jongh openbaar notaris bij den hove van Holland wettelijk geadmitteert, residerende binnen zijne hoogheids heerlijkheit ter Heijde ende voor den getuigen na benoemt den eersame Arijen Jacobsen van der Nol, ende zijne lieve huisvrouw Neelten Arijens, Mr. cleermaker wonende binnen Monster mij notaris en getuigen bekent, de voorn. Arijen Jacobsen ziekelijk te bedde leggende, dog zijn verstant memorie uitspraak en reden wel hebbende en gebruikende gelijk ook zijn voornoemde huisvrouw als ons notaris en getuigen klaarlijk bleek en niet anders konden bemerken te kennen gevende zij comparanten dat er niet sekerder en is dan de doodt ende niet onsekerder dan den tijt en wijze van dien willende die onsekere wijze voorkomen met het maken en disponeren van haer tijdelijke goederen die zij door Gods genade metter doodt sullen komen na te laten, doende 't selve soo zij beijden verklaerden Benoemen elkaar over en weer als erfgenaam en geven hun kinderen het "versterf regt". (WKA Monster inv.nr. 12). | van Santen, Neeltje Ariens (I14518)
|
| 1830 | Monster, Notaris Jan van Heijningen, 3-2-1693: Staat en inventaris gemaakt door Maertjen Cles Goeijenbier, meerderjarige dochter van Claes Goeijenbier en Annetjen Corsen van (den) Bosch, in hun leven gewoond hebbend te 's-Gravenzande en daar overleden. Tevens opgenmaakt door Harmen Arentsz Goeijenbier als oom en bloedvoogd, Jacob de Jongh en Willem van Sand, schepenen van 's-Gravenzande als weesmeesters en voogden over Bregien, Arij en Cors Clasen Goeijenbier, minderjarige kinderen van de overleden Claes en Annetje. In de inventaris o.a.: - 3 bedden met toebehoren en huisraad ter waarde van ca. 130 gulden - lasten van de boedel o.a. huishuur van 25 gld., 14 gld voor geleverde rogge, voor de levering van brandewijn, gedistileerd en tabak 31 gld., huur voor vlasland. Ook gedaan op aangeven van Bregien Claes Goeijenbier. | Goeijenbier, Claes Ariensz (I3909)
|
| 1831 | Museum Naaldwijk grafsteentje HLBG Machteld Burgers Ao 1652 | Burgers, Machteld (I3777)
|
| 1832 | N.H. Diakonie Leiden | van Kouwenhoven, Frederik (I8781)
|
| 1833 | Na 1-1-1680 overleden. | van der Key, Cornelis Willemse (I8092)
|
| 1834 | Na de dood van Dircks eerste schoonmoeder, Aelken Dircxdr., koopt haar weduwnaar, Dirck Pietersz., rentmeester van mijn vrouwe van der Lee, op 4 februari 1568 haar kinderen en kleinkinderen uit voor totaal 2600 gld. Omdat Trijntgen Jacobsdr. inmiddels is overleden, komt haar portie toe aan haar vijf kinderen, twee bij haar eerste man, ene Gerrit, en drie bij Dirck Thonisz | van Dijck, Dirck Thonisz (I3599)
|
| 1835 | Na de dood van Godfried trad zijn weduwe Imagina in het klooster. Zij werd nog vóór 1203 abdis van de abdij van Munsterbilzen. | van Loon, Imagina (I6466)
|
| 1836 | Na de dood van Margaretha in 1172, hertrouwde Godfried in 1180 met Imagina van Loon. Zij kregen de volgende kinderen: Willem (ovl. na 1 augustus 1224), heer van Perwijs en Ruisbroek (Vlaams-Brabant). Gehuwd met Maria van Orbais, ze kregen zeven kinderen. Godfried (ovl. ca. 1225), trok in 1196 naar Engeland en trouwde met 1199 met Alice van Hastings, weduwe van Ralph van Cornhill en erfdochter van Robert van Hastings en Mathilde van Flamville. Godfried bezat het kasteel van Eye (Suffolk) en had bezittingen bij Eye, in Buckinghamshire en in Essex (graafschap). Het Engelse geslacht de Lovaine stamt van hem af. | Gezin: Graaf van Leuven en Hertog van Brabant Godfried III van Leuven / Imagina van Loon (F1603693331)
|
| 1837 | Na de dood van zijn oom Mr. Symon Vrederic ontving hij diens vicarie. | Joest Vranckensz (I10351)
|
| 1838 | Na de dood van zijn vrouw Mathilde (1263) hertrouwde hij in 1265 met Isabella van Luxemburg.[1] Isabella schonk hem elf kinderen, van wie er acht de volwassen leeftijd bereikten: Jan I van Namen (1267-1330), markgraaf van Namen, regent van Vlaanderen na de Brugse metten tussen 1302-1303 Beatrix van Dampierre (1272-1307), gehuwd met Hugo II van Châtillon, graaf van Blois-Dunois Gwijde van Namen (1272-1311), heer van Ronse Johanna (-1296), non Margaretha van Dampierre (1272-1331), die in 1282 huwde met Alexander (1263-1283), erfprins van Schotland en in 1286 met Reinoud I van Gelre (1255-1326) Hendrik van Lodi (-1337), die in 1309 huwde met Margaretha, dochter van graaf Diederik VIII van Kleef Filippa van Vlaanderen (?-1306), die met de Engelse troonopvolger Eduard II zou huwen, maar werd samen met haar vader door koning Filips IV van Frankrijk gevangengenomen en stierf hoogstwaarschijnlijk in gevangenschap. Isabella van Dampierre (1275-1333), in 1307 gehuwd met heer Jan I van Fiennes | Gezin: Heer van Dampierre Gwijde III van Dampierre / Isabella van Luxemburg (F1590224535)
|
| 1839 | Na de opgegeven datum overleden | Schoonbroot, Johannes Clements (I3923)
|
| 1840 | Na de opgegeven datum overleden, echter voor 16-11-1661 | Cuvenhoven, Jan Dirksz (I4645)
|
| 1841 | Na de opgegeven datum overleden, was dan doopgetuige | Breghman, Maartje Pieters (I3935)
|
| 1842 | Na enkele jaren hertrouwt Maritge Adriaensdr met Jan Jansz uijt Crimpen. Ook dit huwelijk duurt helaas maar kort omdat wederom haar echtgenoot vroegtijdig overlijdt. Op 10 mei 1541 staat Maritge daarom wederom voor de weeskamer. Compareerden Maritgen Alijt Jan de Waerts dochter weduwe wijlen Jan Jansz uijt Crimpen woonende op Sceveninge ende heeft aldus zeeckere uijtcoop bewesen van haer twee onmondige weeskinderen gewonnen van Jan Jans uijt Crimpen saliger memorien, genaempt Alijt Jansdr out omtrent zeven vierendeel jaers ende t jongste genaempt Jan Jansz out omtrent xx weecken, voor hair vaderlicke erve. Hier bij an ende over geweest als naaste vrinden ende magen van svaders zijde Adriaen Jansz uijt Crimpen ende Jan Cornelisz zijnen swaeger oomen vande selve weeskinderen, Sijmon Pietersz stiefvader vande selve Maritge ende Jacob Willemsz den ruijt den voors Maritgen gecooren voocht. | Nieuwwaerts, Maritge Adriaensdr (I13483)
|
| 1843 | Na het overlijden van Daniel bleef Grietje achter met 1 kind. Zij woonde in bij haar vader Gijsbert. Na het overlijden van haar zoon Daniel op 26 mei 1819 nam zij de verzorging van haar kleinkinderen op zich. Na het overlijden van haar kleinzoon Johannes Verbaan in september 1835 nam zij, inmiddels 77 jaar oud, ook nog eens de verzorging van haar achterkleinkinderen op zich. Op het grote doek "Scheveninger Dorp" van HW Mesdag staat onder nr. 76 het huisje "Verbaan". In 1804 koopt Daniel Verbaan het hoekhuis en erf gelegen op het hoekje van de Wassenaarsestraat aan Daniel Verbaan die het vervolgens verkoopt aan zijn moeder Margaretha van Duivenbode. Via haar testament komt de woning in 1851 in het bezit van haar kleinzoon Daniel Verbaan. Vanaf dit moment is de woning in het bezit gebleven van de familie Verbaan. | van Duivenbode, Margrieta (I6280)
|
| 1844 | Na Koenraads dood (na 862) zou Adelheid in 864 voor de tweede keer zijn getrouwd.[2] Haar nieuwe echtgenoot zou Robert IV de Sterke, graaf van de Wormsgau, graaf van Tours en graaf van Parijs zijn geweest. Dit huwelijk eindigde na ruim twee jaar door de dood van Robert in de slag bij Brissarthe. Uit dit huwelijk zouden twee zonen zijn voortgekomen: Odo, gestorven 898, in 888 koning van Frankrijk geworden[3] Robert I, gestorven 923, in 922 koning van Frankrijk Na de dood van haar tweede echtgenoot en de geboorte van haar tweede zoon Robert in het hetzelfde jaar komt Adelheid niet meer in de bronnen voor. | Gezin: Robert (Rutpert) de Sterke / Adelheid van Tours (F1730637137)
|
| 1845 | Na twee jaar en 2300 klanten werd de nering tot een kleine nederzetting uitgebouwd. Een verwarmd stenen huis van vijf vertrekken. Met een koffiekamertje om de zilte smaak weg te spoelen en een bedstee waarin zwakke patiënten na de behandeling wat konden bijkomen. De ganse dag reed de waterkar heen en weer want 'voor de onderdompeling zijn 36 emmers water nodig'. Tevens verkoopt Pronk het zeewater -de geneeskracht zowel bij uit- als bij inwendig gebruik grenzeloos zijnde- in flessen door heel Nederland. En dan ziet het gemeentebestuur het belang van Scheveningen en koopt Pronk uit en er verrijst, op duits voorbeeld, een kasteel van een badhuis met restaurant en hotel. Het huidige Kurhaus. 'Het mag zich verheugen in het bezoek van vele, voornamelijk duitse, vorsten en edellieden'. Uit: "Koningen, Kabinetten en Klompenvolk" 1975 Deel 1, blz. 443/444 | Pronk, Jacob (I5317)
|
| 1846 | NA, R.A. Berkel 133 d.d. 21-9-1579. Uit deze akte blijkt, dat zij kinderen had uit 2 huwelijken. De namen van haar kinderen uit het 2e huwelijk leiden tot de conclusie dat hun vader Comelis Cornelisz. Versijden moet zijn. | Gezin: Cornelis Cornelisz Versijden / NN Pdr van Dijck (F1590222775)
|
| 1847 | Naam bij vonnis arr. Rechtbank in 1843 veranderd in Paulus Hendrikse | Hendrikse, Pouw, Paulus (I13627)
|
| 1848 | Naam kind en getuigen ontbreekt | Spaans, Philip Arends (I5564)
|
| 1849 | Naam kind en getuigen ontbreekt. | Taal, Leuntje Hendrikse (I5207)
|
| 1850 | Naam kind ontbreekt | van Schenaert, Cornelia Foppe (I8089)
|
| 1851 | Naam kind ontbreekt op de akte | Kuijper, Neeltje Dirkse (I5740)
|
| 1852 | Naam kind, evenals getuigen ontbreekt | van der Swan, Kerving Joppe (Overklift) (I5583)
|
| 1853 | Naam vader ontbreekt | Fix, Ermpje Cornelisse (I5622)
|
| 1854 | Naam van het kind, evenals de getuigen ontbreekt. | Blok, Gerrit Gijsse (I5584)
|
| 1855 | Naar verluid 10 kinderen bij zijn eerste partner en 12 bij de tweede. | Korpershoek (Corpershouck), Gerrit Pietersz (I4402)
|
| 1856 | Naast haar tweede man begraven, opt choor. Kerkerecht 6-0-0 Impost F 3,= | Taal, Adriaantje Gerritse (I5468)
|
| 1857 | Naast het Gasthuis | Schilperoort, Jacob Sijmonsz (I5426)
|
| 1858 | Naast Jacob Lenerts lijndraaier. | Geryt Adriaensz (I2740)
|
| 1859 | Naast No 1761 Kerkeregt 4-0-0 Classe F 3,= | den Heijer, Dirkje Chiele (I5475)
|
| 1860 | Nageslacht draagt de naam Bakkenes. (De heer ben Bakkenes spreekt over een 2e huwelijk met Emmetje Jacobs, het bewijs hiervoor is door mij nog niet gevonden). koopt op 29-1-1689 een deel van Sweetselaar. (R.A. Nederwoud Inv. 797 fol. 5) (koopt 1681 Sweetselaar) Hendrick Corneliszn. gehuwd met Hendrickje Jacobs koopt op 29-01-1682 een gedeelte van Sweetselaar, van Jacobus van Lissel, van Bart janszn., van Eugen Jacobszn en van Jan Janson en van Mor Francken gehuwd met Willempje Cornelissen. op 1-4-1684 koopt hij een deel van Sweetselaar van Jan Willemszn . gehuwd met Hendrickje Cornelisdr. koopt op 26-05-1688 van Aalt Maessen en Ot Gerritsen. In iedergeval koopt Hendrick Corneliszn. van Willemtje Cornelisdr. en Maritje Cornelisdr. vermoedelijk zijn zusters een deel van Zwetselaar. Op 29 januari 1689 koopt Hendrik een deel van het goed Swetselaar, Zwetselaarseweg 7, op akker tegenover de huidige boerderij, eigenaar Willem Otten (1650) en ca.1680 Hermen Hermsen. (dan naar Cleijn Swetselaer) Dan ca. 1720 CORNELIS HENDRICKS X WEIJMTJEN JANS, ca. 1750 Jan Brandsen, pachter van Sprakelaar en van Swetselaer, ca. 1760 ,WILLEM CORNELISSE en ca.1775 JAN CORNELISSE, 1800 Jacob Jansen. Het huis is verdwenen en het land hoorde bij Groot Sprakelaar,een boerderij aan de andere oever van de Lunterse Beek. | Bakkenes van Sweetselaar, Hendrik Cornelisz (I1783)
|
| 1861 | Nam de achternaam van zijn vrouw Lijsbeth Pieters (van Driel) aan. | (van Driel), Hendricks Aerts (I12767)
|
| 1862 | Nazaten Graven van Gulik Het hertogdom Gulik (Duits: Herzogtum Jülich) (ook land van Gulik) was eerst een graafschap en vanaf 1356 een hertogdom dat tot het Heilige Roomse Rijk behoorde. Het gebied omvatte een gebied tussen de Maas en de Rijn met de Roer als de centrale as. De hoofdplaats was de gelijknamige stadJülich. Met uitzondering van enkele plaatsen in Nederlands-Limburg lag het geheel in het huidige Duitsland. Het hertogdom was binnen het Heilige Roomse Rijk ingedeeld bij de Nederrijns-Westfaalse Kreits. Het land van Gulik lag tussen het gebied van de bisschop van Keulen (het keurvorstendom Keulen) en dat van Luik. Het gebied grensde direct aan het huidige Nederlands Zuid-, Midden- en Noord-Limburg. Het oude hertogdom Limburg en de (Brabantse) landen van Overmaas lagen dus ingeklemd tussen deze beide ‘buitenlandse’ gewesten. Door zijn ligging en omvang zou dit kreits-grensland dan ook gezien kunnen worden als een Nederrijnse voorloper of pendant van de huidige Nederlandse provincie, die toenzelf nog verre van een eenheid vormde. Ook taalkundig sluit het geheel bij Limburg aan. De Limburgse dialecten lopen aan de oostzijde over in de Nederrijnse. | van de Gulikgouw, Gouwgraaf van de Gulikgouw Gerard I (I2402)
|
| 1863 | Neef en nicht | Gezin: Simon Allertsz Semeijns / Trijntje Dirks Dol (F1590224320)
|
| 1864 | Niet alle schouten waren te Scheveningen door de bevolking gezien. Bekend is dat in 1650 de Scheveningers formeel in opstand kwamen tegen hun schout. Deze heette Adriaen Harmensz Pais. De hoofdoorzaak van dat verzet schijnt toen geweest te zijn de wijze, waarop hij optrad als collec- teur of gaarder van de belastingen. Men luidde de alarmklok en plunderde het huis van den schout, die slechts met groote moeite wist te ontkomen. Twee dagen later — zoo luidt het verhaal — begon het oproer opnieuw en eerst toen prins Willem II een scherpe proclamatie liet afkondigen en de belhamels achter slot en grendel liet brengen, keerde de rust weder. Nog jaren, nadat hn' als schout was afgetreden, maakte de bevolking hem het leven zuur. In 1669 nog moesten Burgemeesteren op twee verschil- lende tijdstippen hun waarschuwende stem laten hooren: „Alzoo den Magistraat van 's Gravenhage klagten zijn voorgekomen dat de een en de ander Ingezeten van den Dorpe van Scheveningen malkan- deren dagelijks zijn molesterende en injurierende en inzonderheid daar de ge weezen subst schout Adriaan Harmens Pais volgens zijn te kennen geven veele injurien worden aangedaan, 't welk om voortekomen en weg- tenemen de Magistraat van 's-Gravenhage goedgevonden heeft alle en een iegelijk te waarschouwen en te verbieden den een den andere te injurieren, te min doen of te min zeggen en speciaal den voorn. A. H. Pais te laten ongemolesteerd op peijne van 17 's Heeren Ponden tegen den Heer Officier te verbeuren; en in kas de een door den anderen eenig ongelijk, 't zij met woorden of met werken zoude mogen worden aangedaan, word dezelve ge- last, het aan den Magistraat bekend te maken om daar in voorzien en het zelve gecorrigeerd te worden naar exigentie van zaken Maart 1669." „Is eindelijk mede goedgevonden dat op den Dorpe van Scheveningen Publicatie zal worden gedaan, dat niemand zich zal hebben de vervorderen den voors. Pais met eenige woorden of werken kwalijk te bejegenen ofte inj'urieeren op peijne van arbitrale correctie, present den heelen Magistraat 3 Mei 1669. | Pals, Adriaen Harmensz (I12228)
|
| 1865 | Niet te verwarren met Leendert Jacobsz, duinmeier, was een zoon van Jacob Gerritsz, (???) eveneens duinmeier, zie NA 210, Fol 201, dd. 11-4-1663. Deze woonde in 1689 (Blaffaart) in de Keijserstraat oost, met 1 nichtje in de kost. Leendert Jacobs van der Harst was omstreeks 1622 getrouwd met Neeltge Arents zie het Weeskamerdossier no. 1567 - waaruit blijkt dat deze vrouw na drie jaar overleed, haar man een jongetje Jacob van twee jaar nalatende. Uit de inventaris volgt niet alleen dat Leendert vier wagens, waaronder een coetswagen bezat, doch ook dat hij 350 gulden had geleend van zijn schoonmoeder Adriaene Claesdr. de weduwe van Arij Jansz schoenmaker. Uit zijn tweede huwelijk met Maertje Cornelis de Jong, d.w.z. de Jonge Jager zie artikel XII - werden meer kinderen geboren, van wie de volgende vier tot een huwelijksdag kwamen: Cornelis Leenderts, scheepstimmerman gehuwd met LeentjeDirks (Doen), wonende in de Weststraat; Jacob 'de Jonge'met Claertge Arents; nog een Cornelis, vishakker van beroep, getrouwd met Trijntje Sieren, woonde in 1680 "In 't Slop", d.w.z. het Smitsslop; de dochter Leentje Leenders huwde 23 augustus 1676 met Jan Aryens Suurmond. De leden van dit geslacht 'van der Harst' waren wel in aanzien in ons dorp. De voerman Lenert Herssen (let u niet te veel op de spelling-wijzigingen) was reeds in 1634 gildemeester. De oudste zoon Jacob werd in 1664 gasthuismeester en in 1667 kerkmeester. Misschien was hij of zijn jongere broer ,,Deeken van het sint-pietersgilde", het gilde der viskopers in 1676. De oudste Cornelis was eerst hoofdman en later deken-voorzitter van zijn gilde of vakorganisatie. Zijn oom en naamgenoot Cees Harst was al in 1635 "hooftman" van het gilde; deze was voerman en is waarschijnlijk voor december 1668 in Amsterdam op een van zijn reizen overleden. | van der Harst, Lenaert Jacobs (I5486)
|
| 1866 | Niet, Neeltje de Niet, Pieter de Nievelt, Jacobus van Swam, Ary Swam, Leendert van der Swam. Jan | de Niet, Cornelia Cornelisse (I13158)
|
| 1867 | Nieuw graf 8L | van der Meer, Cornelis Jorisz (I4671)
|
| 1868 | Nieuw graf gekogt aan sijn vaders sij, in het middelpant, tussen Kerkmeesters en Gildestoel. Noordzij voor het koor Kekeregt 10-0-0 | Taal, Wouter Pieterse (I8694)
|
| 1869 | No. 396 | Bregman, Jacob Pietersz (I5844)
|
| 1870 | No. 426 Groot in Capitaal F 800,= | van der Harst, Leendert Cornelisz (I5237)
|
| 1871 | Noemt zich bij huwelijk 'van Kouwenhoven Pals' | Gezin: Hermanus van Kouwenhoven Pals / Petronella Sluijters (F1645694818)
|
| 1872 | Noortsijde | Buijs, Dirk Cornelisse (I5483)
|
| 1873 | Notaris Pieter Pietersz. van Groeneweghen (de Jonge) | van der Harst, Jacob Leenderts (de Oude) (I5443)
|
| 1874 | Notitie bij Adolf: De naam Adolf wordt later steeds vervangen door Arie en verdwijnt helemaal uit de familie. Zoon Wouter heet later Wouter Arens den Dulk. De nakomelingen van deze tak noemden zich ook wel 'de Wit'. | den Dulk, Adolf Arens (I8548)
|
| 1875 | Notitie bij Engel: volgens J.C. Vermaas - Geschiedenis van Scheveningen deel 2, blz 176 | Hoogendijk, Engel Dirkse (I8317)
|
| 1876 | Notitie bij Jacob: Zij woonde in 1730 aan de Westzijde van de Weststraat 243. Hij wordt genoemd als garneartsman Jacob Arends op de bewonerslijst van 1680 en woont op nummer 355. Het woord garnaat is van oorsprong zowel met ’garnaal’als ’granaat’ verbonden. Sommige van zijn kinderen noemde zich later soms ook wel de Wit Door Dek wordt slechts 9 kinderen genoemd. Via een onbekende bron Jacob Jacobse doorgekregen met doopdatum van kind 8 = Maartje. Bij de juistheid van de doopdatum van dit kind werd door Dek ook een vraagteken geplaatst. Maartje zou bij overlijden 72 jr zijn geweest, dus zou een geb. jaar van 1698 voor de hand liggen | Plugge, Jacob Arijens (I5076)
|
| 1877 | Odo I van Blois (ca. 950 - 12 maart 996) was de jongste zoon van Theobald I van Blois en Liutgard van Vermandois. Hij was een van de machtigste edelen in Frankrijk en slaagde erin de macht van zijn familie verder uit te breiden. Als jonge man verdedigde hij Crouchy tegen de bisschop van Reims. Omdat zijn oudste broer was gesneuveld en zijn tweede broer tot de geestelijkheid was toegetreden, erfde Odo rond 970 de graafschappen Blois, Chartres, Provins, Tours, Beauvais, Chinon, Saumur en Châteaudun van zijn vader. Ca. 984 erfde hij van Herbert III van Vermandois (zoon van Herbert II van Vermandois), zijn oom van moederszijde, de graafschappen Omois en Reims, en de functie van paltsgraaf en van lekenabt van de Sint-Medardusabdij te Soissons. Hiermee had de machtige positie van het huis van Blois in de komende generaties, met grote bezittingen rondom Parijs, vorm gekregen. In 981 steunde Odo Conan I van Bretagne in zijn pogingen om Nantes te verwerven. Samen met zijn neef Heribert van Troyes, steunde in 985 hij de veroveringspolitiek van Lotharius van Frankrijk in Lotharingen. Odo nam deel aan de verovering van Verdun en Laon, en nam hij graaf Godfried van Verdun gevangen. In 987 verwierf Odo het graafschap Dreux en de functie van lekenabt van de abdij van Tours, van de nieuwe koning Hugo Capet als dank voor de steun bij diens verkiezing. Al snel koos Odo echter positie tegen Hugo en gaf hij steun aan Karel van Neder-Lotharingen. Er volgden een aantal jaren van verwarring en strijd: 991 Odo belegerde Melun maar de stad werd ontzet door Hugo Capet, Richard I van Normandië en Fulco III van Anjou. Odo werd verslagen bij Orsay door Burchard I van Vendôme 992 Odo moest zich onder druk van Fulco aan de koning onderwerpen 993 samenzwering met bisschop Adalbero van Laon, om de koning en zijn zoon te ontvoeren en aan de keizer uit te leveren. De samenzwering werd verijdeld en de koning liet Fulco tegen Blois optrekken. Die bouwde het kasteel van Langeais om Blois te bewaken. 995 Odo sloot een bondgenootschap met Richard van Normandie, Willem IV van Aquitanië (zijn zwager) en Boudewijn IV van Vlaanderen tegen Fulco 996 het beleg van Langeais moest worden opgeheven nadat Hugo Capet had ingegrepen Odo overleed in 996 en werd begraven in de abdij van Tours. | van Blois, Odo I (I14595)
|
| 1878 | Odo II van Blois (ca. 983 – Commercy, 15 november 1037) was een van de machtigste feodale vorsten van Frankrijk. Hij was praktisch gesproken onafhankelijk van de koning van Frankrijk, probeerde koning van Bourgondië en Italië te worden, en voerde een eigen oorlog tegen keizer Koenraad II de Saliër. Na het overlijden van Odo's vader, Odo I van Blois, hertrouwde zijn moeder, Bertha van Bourgondië, met koning Robert II van Frankrijk. Daardoor werd Odo opgevoed aan het koninklijke hof, totdat Bertha en Robert onder druk van de paus moesten scheiden. In 1004 werd hij graaf van Blois, Chartres, Châteaudun, Provins, Reims en Tours, als opvolger van zijn kinderloos overleden broer Theobald II. Toen zijn vrouw Mathilde jong overleed, kwam hij in conflict met haar broer, Richard II van Normandië, over de stad Dreux die zij als bruidsschat had gekregen. Door arbitrage van koning Robert kon Odo de stad behouden. Odo werd tevens door de koning tot paltsgraaf benoemd. Fulco III van Anjou doodde in 1007 een vazal van Odo tijdens een jachtpartij en ging in 1008 als boetedoening op een bedevaart naar het Heilige Land. Odo gebruikte deze gelegenheid om Fulco's bezittingen te plunderen en enkele van zijn kastelen te veroveren. In 1015 ruilde Odo Beauvais voor het beter gelegen Sancerre. Fulco had inmiddels een bondgenootschap gesloten met koning Robert en kwam daardoor in een positie zijn verliezen op Odo terug te heroveren. In 1016 vonden er gevechten plaats over het bezit van de stad Tours. Odo trok met een leger naar Montrichard om dat te veroveren maar werd onderweg overvallen door Fulco bij Pontlevoy. Odo leek de slag te winnen, en had Fulco zelfs gevangengenomen, toen hij werd aangevallen door Herbert I van Maine die Fulco te hulp kwam. Doordat Herbert uit het westen kwam, werd zijn komst door de ondergaande zon pas laat opgemerkt. Herbert wist de cavalerie van Odo op de vlucht te jagen en Fulco te bevrijden. Odo's voetvolk werd uitgemoord. Odo moest zijn veroveri In 1023 overleed Odo's neef Stefanus, en Odo erfde zijn graafschappen Troyes, Meaux en Châlons. Dat was zeer tegen de zin van koning Robert, die had geprobeerd om de erfenis aan de kroon te laten vervallen. Samen met keizer Hendrik II kon de Franse koning de macht van Odo enigszins inperken. Ze dwongen hem het gezag over Reims over te dragen aan de aartsbisschop en Dreux op te geven aan de koning. Keizer Hendrik verwoestte enkele kastelen van Odo in Lotharingen. Ook zorgde Robert ervoor dat de Italiaanse adel zijn aanbod aan Odo om koning van Italië te worden, introk. Na de dood van koning Robert II in 1031, streden zijn zoons Hendrik en Robert om de macht. Odo koos de kant van Robert en zijn moeder Constance van Arles. In ruil daarvoor verwierf hij het graafschap Sens en kon zo zijn bezittingen in Midden-Frankrijk en in Champagne met elkaar verbinden. Hij benoemde een partijganger tot aartsbisschop van Sens en wist een aanval van Hendrik en Fulco van Anjou op Sens af te slaan. In 1032 overleed Odo's oom, Rudolf III van Bourgondië. Odo was zijn naaste bloedverwant maar Rudolf had zijn koninkrijk bij testament nagelaten aan keizer Koenraad II. Odo trok naar Bourgondië, veroverde Neuchâtel en werd ingehaald in Vienne. In Arles en Marseille werden oorkonden in zijn naam opgesteld. Het conflict breidde zich uit en er werden over en weer plundertochten uitgevoerd in Champagne en in Lotharingen. In 1034 wist keizer Koenraad een verbond te vormen met koning Hendrik van Frankrijk en Humbert Withand en andere Italiaanse edelen. Toen ook de Bourgondische adel steeds meer de kant van Koenraad koos, moest Odo zijn aanspraken op Bourgondië opgeven. Het conflict met de keizer was echter nog niet voorbij. In 1037 boden Italiaanse bisschoppen aan Odo de titel van koning van Italië aan, terwijl in feite keizer Koenraad toen ook koning van Italië was. Deze poging mislukte echter toen Bertha van Este, de weduwe van Manfred II Olderik van Turijn, de samenzwering ontdekte en Koenraad waarschuwde. Odo besloot daarop naar Aken te trekken om Kerst in koninklijke stijl te kunnen vieren. Hij nam Bar-le-Duc in maar stootte op een leger van Gozelo I van Verdun en werd door hem verslagen. | van Blois, Odo II (I14592)
|
| 1879 | Odo van Orléans, ook Udo, (ca. 780 - juni 834) was een vooraanstaande hoveling van Karel de Grote en Lodewijk de Vrome. Odo was zoon van Hadrianus van Orléans (zoon van Gerold van Vintzgouw) en Waldrada van Hornbach. Zijn vader was zwager van Karel en daardoor was Odo een volle neef van Lodewijk, via diens moeder. Hij had dus uitstekende connecties en was daarbij ongevaarlijk omdat hij geen aanspraken op de troon had, de ideale combinatie voor een carrière aan het hof. Hij was een trouwe aanhanger van Lodewijk de Vrome en een gunsteling van diens tweede vrouw Judith van Beieren. In 810 was hij keizerlijk gezant naar Oost-Saksen en werd gevangengenomen door de Wilzen (een Slavische stam). Een jaar later maakte hij deel uit van delegatie die vrede sloot met de Denen. In 821 werd hij benoemd tot graaf van de Lahngouw. In 826 werd hij opperschenker van de palts te Ingelheim. Een jaar later werd hij graaf van Orléans als opvolger van Matfried, die samen met Hugo van Tours was afgezet wegens lafheid. Odo werd een bondgenoot van Bernhard van Septimanië. In mei 830 werd Odo verslagen door de opstandige Pepijn I van Aquitanië. Door Lotharius I werd hij verbannen naar Italië. Matfried werd hersteld als graaf van Orléans. In oktober van datzelfde jaar wist Lodewijk de Vrome de macht terug te winnen en herstelde hij Odo in zijn ambt. In zijn poging om zijn macht te doen gelden krijgt hij te maken met veel verzet over zijn politiek ten aanzien van kerkelijke bezittingen. In 834 gaf Odo leiding aan een veldtocht van de strijdkrachten uit Neustrië die trouw waren aan Lodewijk, tegen de aanhangers van Lotharius: Matfried en Lambert van Nantes. Bij de grens met Bretagne wordt Odo bij een verrassingsaanval verslagen. Zelf komt hij om het leven en met hem sneuvelen zijn broer Willem, Wido van Maine en Theodo, abt van St Martin te Tours en keizerlijk kanselier. Odo wordt als schuldige aan deze nederlaag beschouwd. | Graaf van Orléans, Odo (I2229)
|
| 1880 | Odo was getrouwd met Engeltrude, dochter van Leuthard I van Parijs en Grimhilde. Zij kregen de volgende kinderen: Irmintrudis, eerste vrouw van Karel de Kale Willem, in 866 gedood in Bourgondië Gebhard | Gezin: Odo Graaf van Orléans / Engeltrude van Parijs (F1730890668)
|
| 1881 | Odo werd op de vlucht gedood. Zijn lichaam was zo verminkt dat hij alleen kon worden geïdentificeerd aan de hand van een opvallende wrat. Hij werd begraven in de abdij van Marmoutiers in Tours. | van Blois, Odo II (I14592)
|
| 1882 | Oelsier Aryenszn. compareert dan voor de gezworenen van Rijswijk waarbij hij verklaart Aeltje Ariensdr. gehuwd te hebben, de weduwe van Ouwe Pouwels Claeszn Verspeck. Hij neemt de verplichtingen van Ouwe Pouwels Claeszn., uit de akte van 12 januari 1564, over, in dier voege, dat hij op zich neemt aan de kinderen 800 Karolus Guldens te betalen in diverse termijnen. Sier Aryenszn. en Aeltje, zijn huisvrouw, tredenin al hetgeen Ouwe Pouwels Claeszn. bezeten heeft, huis, schuur, stallen, hooiberg, geboomte, voorts koeien, paarden, varkens, schapen, kalveren, wagens, ploegen, eydens, stoppen, mouwen, niets uitgezonderd. Waarschijnlijk zijn beiden vroeg gestorven. Voor Allerheiligen 1576 compareert voor de Gezworenen van Rijswijk Gerrit Gerritszn. en verklaart gekocht te hebben van de voogden van Aryaentje Pouwelsdr., het achtergelaten weeskind van Pouwels Claeszn. Verspeck en Aeltje Aryensdr. zaliger, het huis, schuur, berg en geboomte, dat Ouwe Pouwels Claeszn. in zijn leven placht te bewonen. Waarschijnlijk is dan dus Jonge Neeltje Pouwelsdr. ook reeds overleden. | Gezin: Oelsier Aryenszn / Aeltgen Aryensdr (F1590224051)
|
| 1883 | Of 1-6-1759 Akte niet gevonden | 't Hart, Hendrick Pz (I5820)
|
| 1884 | Of 1394 | van Gulik, Johanna (I4345)
|
| 1885 | of 15-09-1742 In de kerk opt choor. | van Leeuwen, Huijbertje Leenderts (I5103)
|
| 1886 | of 15-3-1647 De Lier | van der Eijk, Paulus Jacobsz (I12823)
|
| 1887 | of 15-3-1832 | Hoogenraad, Adriana Arense (I14363)
|
| 1888 | Of 15-6-1805 ? | van der Kruk, Sophia (I4755)
|
| 1889 | Of 1680 | van der Meer, Hilletje Cornelisdr (I3840)
|
| 1890 | of 1687 | van der Swan, Maria Engelen (I8117)
|
| 1891 | Of 17-9-1724 | Pronk, Cornelis Claarszn (I4042)
|
| 1892 | Of 1744 vlg ovl akte | (de) Bont, Boent, Pieternella, Petronella (I880)
|
| 1893 | of 19-10-1750 | van der Swan, Maria Engelen (I8117)
|
| 1894 | of 20-10 | Korenblom, Leuntje (I4570)
|
| 1895 | Of 20-12-1681 Monster | Gezin: Olivier Arijsz. Joncker / Maertje Flore van der Hoiut (F1590223476)
|
| 1896 | Of 26-11-1657 | Jonker, Ary Franck (I2261)
|
| 1897 | Of 30-10-1756 ? | van der Kruk, Simon (I4546)
|
| 1898 | Of 6 jan? | de Jongh, Pieter Pietersz (I4451)
|
| 1899 | of 6-1-1713 Anthonia is wonende te Honsholredijk | Gezin: Doe Leendertsz Bouwman / Anthonia van der Wal (F1590224451)
|
| 1900 | of 7-4-1589 | Gezin: Gerrit Cornelisz van Schilperoort / Maritge Wouters Bom (F1590223301)
|
| 1901 | of 8-5-1666 | Gezin: Huijg Pieters van Duijne / Haasje Arents Vooijs (F1640167102)
|
| 1902 | Of Naaldwijk | Gezin: Paulus Jansz Verspeck / Maertje Inhouck (F1590224712)
|
| 1903 | of: 30-8-1686 | van den Bosch, Trijntje Adamse (I5833)
|
| 1904 | Of: Hoffsteede, naar zijn vader. | van der Valck, NN (I14853)
|
| 1905 | Omdat hij in Gent geboren was, werd hij ook wel Arnulf van Gent (Gandensis) genoemd. | van Holland, Graaf van West Frisia Arnulf (I4491)
|
| 1906 | Omdat zij in geen van beide hiervoor geciteerde transportakten voorkomt, moeten we aanne- men dat zij voor die tijd zonder nageslacht is overleden. Desondanks lijkt het zeer waarschijn- lijk dat zij identiek is aan Lijsbeth Thonisdr. die samen met haar man, Jacop Jan Marinusz. alias Jacop Jan Beuckelsz. te Zuid-Maasland, op 26 september 1565 door Adriaen Willemsz. Steur wordt gedaagd voor het Hof van Holland. Het gaat hier om een constitutiebrief d.d. 18 mei 1560 en als borgen worden genoemd Cornelis Anthonisz. van Dijck, Ziertgen zijn huisvrouw, Floris Gerritsz. als getrouwd hebbende de weduwe van Willem Anthonisz. van Dijck, en Jan Anthonisz. van Dijck. Processen voor het Hof konden soms jaren voortslepen ongeacht of alle partijen nog in leven waren. Enkele jaren eerder, op 15 oktober 1562 en 30 april 1563 zien we Cornelis Vranckens in Maas- land als curateur van Jacob Jan Marinus en Lijsbeth zijn vrouw voor het Hof van Holland. In de jaarrekeningen van het Oude Gasthuis over de jaren1537/38 t/m 1567/68 komt hij voor als Jacob Jan Claes Boeckelsz. die een morgen land pacht in Maasland. In de rekening over 1568/69 staat dit land op naam van Cornelis Jan Hermansz. ‘als bij den Hove van Hollandt geordonneert curateur van Jacob Jan Claes Beuckelsz. | van Dijck, Betgen Thonisdr (I3548)
|
| 1907 | Onder Albrecht van Beieren | van Arkel, Heer van Arkel, Bar-Pierrepont en Mechelen Jan V (I4409)
|
| 1908 | Onder Luijtenant Gerardus van de Rassel | van der Harst, Joseph Leendertsz (I5350)
|
| 1909 | Onder Luijtenant Hermanus van Kouwenhove-Pals | van der Harst, Willem (I712)
|
| 1910 | Onder Luitenant Simon Berkenbosch Blok | van der Harst, Arij (I14007)
|
| 1911 | Onder zijn bewind werden de relaties van het huis met de Egmond abdij genormaliseerd. In 1315 begon hij met 60 man uit zijn gelederen een militaire expeditie naar Vlaanderen. | van Egmont, Heer van Egmont (20e) Wouter II (I3446)
|
| 1912 | Onzeker | Mulder (Barlo), Aaltje Gijsberts (I1774)
|
| 1913 | Ook 1763 | van der Helm, Arie Crijnsz (I4527)
|
| 1914 | Ook 24-6-1633... | Hardeman, Cornelis Aertsz (I6024)
|
| 1915 | Ook bekend als Arris Cornelisse Polletje. | van der Pol, Arris Cornelisse (I8692)
|
| 1916 | Ook de vrouw en dochter van Thonis getuigen | Buijs, Bastiaan Aelbrecht (I8506)
|
| 1917 | Ook de vrouw van Cent Schaap getuigt | Kunst, Leendert Arens (I5580)
|
| 1918 | Ook de vrouw van Cornelis Dircxsz is getuige | Hogendyk, Engel Arens (I8334)
|
| 1919 | Ook de vrouw van Pieter Maertensz getuigt | Tuijt, Soetje Teunisdr (I5641)
|
| 1920 | Ook genoemd Willem Adriaensz glaesmaecker en Willem Adriaensz backer, werd in 1547 te s-Gravenzande geboren (in 1578 "Out XXXII jaer"), als zoon van Adriaen Pietersz Luck. Hij trouwde met Sijtgen Lenerttdr en stierf voor 4 oktober 1595 (49).Op 9 juni 1588 trad hij met zijn broer Pieter Adriaensz Lucq als borg op voor zijn neef Adriaen Jansz Lucq toen deze te Naaldwijk een huis kocht. De volgende maand werd hij als een der voogden vermeld voor de moederloze kinderen van zijn broer Doe Adriaensz. Op 24 augustus 1591 compareerde voor Doe Adriaensz Lucq en Adriaen Adraensz Timmerman, schepenen van s-Gravenzande, deersame Willem Claesz. Deze verklaarde een huis met erf en barch staande binnen s-Gravenzande verkocht te hebben aan Willem Adriaensz Lucq en verder verklaarde hij volledig betaald te zijn "tzij met p ofte pen brieff". Enige tijd later verkocht Willem Adriaensz dit huis aan zijn broer Doe voor de som van 350 gulden. Op 16 februari 1593 traden de drie gebroeders Doe, Willem en Piet Haer dochter Jaepje Willemsdr trouwde met Jasper Jansz van Alenburgh. Op haar oude dag, op 31 mei 1656, compareerde Jaepje Willems weduwe en boedelhouster van Jasper Jansz van Alenburch haren zoon "seecker stuck lants van outs genoemt tscheplant gelegen in Noorlandt groot twee morgen vijf hont lants" voor "eene somme van tweeduijsent carolus gulden tot XX stuijvers t stuck" en op 7 september 1658 compareerde zij wederom voor schout en schepenen van Santambacht "geassisteert met Doe Jaspersz van Alenburch haer soon" en verkocht aan haar andere kinderen "zeeckere veerthien honden patrimoniael teellandt gelegen int noorlandt in onsen Ambacht". Jaepje Willemsdr, weduwe wijlen Jasper Jansz van Alenburch, bakster binnen der voors stede" kreeg het met het gerecht yan s-Gravenzande aan de stok, wat tot een veroordeling leidde: "alsoo het broot te licht bevonden was ten huize van Jaepje Willemsdr volgende de condemnatie de som van ses gulden". | Luck, Willem Adriaensz (I2615)
|
| 1921 | ook gevonden: Trijntje Donselaar | van Breene, Trijntje Pietersdr (I4255)
|
| 1922 | Ook in 1775 | van der Harst, Bastiaan Jacobse (I5197)
|
| 1923 | Ook vermeld op 4-6-1673 te Naaldwijk | van Rijn, Cornelis Cornelisz (Sr) (I8675)
|
| 1924 | Ook vermeld: 13-1-1688 | Gezin: Hubert Gerritsz van Ginkel van Droffelaar / Ceeltje Jansen (F1590223916)
|
| 1925 | Ook wel Judith Martel genoemd. Judith van West-Francie, geb. omstr. 844, overl. na 870,(dochter van IIIE Karel II, de Kale) tr. (1) Verberie 1 okt. 856 Aethelwulf, koning van Wessex, tr. (2) 858 Aethelbald, koning van Wessex, werd in de lente van 862 geschaakt, tr. Auxerre 13 dec. 863 Boudewijn IJserenarm, graaf van Terwaan 866, bestuurder van de gouwen Kortrijk, Aardenburg en West Vlaanderen en mogelijk Mempiscus (tussen Gent en Kortrijk), verloor na de schaking van Judith van West Francië zijn graafschappen 862 maar verzoende zich met Karel de Kale en werd opnieuw aangesteld tot graaf in de gouwen Vlaanderen, Waas en Gent 864 en na 866 in de streek Sint-Omaars (Ternois), leke-abt St. Pietersabdij te Gent 870, toezichthouder en raadgever van kroonprins Lodewijk (de Stamelaar) bij het vertrek van Karel naar Italië, overl. 21 jan. 879. Judith was het eerste kind van keizer Karel de Kale (823-877) en diens eerste echtgenote Ermentrudis van Orléans (830-869). Daarmee was ze een zuster van Lodewijk de Stamelaar (846-879). Ze was een achterkleinkind van Karel de Grote en kreeg haar naam van haar grootmoeder Judith van Beieren. Wessex Op 1 oktober 856, op twaalfjarige leeftijd, werd ze door haar vader uitgehuwelijkt aan de 51-jarige koning Aethelwulf van Wessex, zelf vader van vier zonen. Hij was een man met hoog aanzien, een christen en een bekwaam legeraanvoerder die de Vikingen in 851 een verpletterende nederlaag had toegebracht in Surrey. Karel en Aethelwulf ontmoetten elkaar toen de laatste, samen met zijn toen zesjarige zoon Alfred, op weg was naar Rome. Bij zijn terugkeer in juni 856 verloofde Aethelwulf zich met Judith en ze huwden op 1 oktober van hetzelfde jaar in de Paltskapel van Verberie-sur-Oise. Gezien Parijs en Tours hetzelfde jaar door de Vikingen werden afgebrand, had Karel belang bij het huwelijk van zijn dochter met een overwinnaar van de Vikingen. Aethelwulf nam zelf risico bij dit huwelijk. Als Judith hem zonen zou baren kon dit leiden tot broederstrijd. Aethelwulf stierf al op 13 januari 858 en het huwelijk bleef kinderloos. In datzelfde jaar 858 huwde ze voor de tweede keer, nu met Aethelwulfs zoon koning Aethelbald, dus met haar eigen stiefzoon. Aethelbald overleed al in 860. Judiths laatste huwelijk werd later nietig verklaard op grond van bloedverwantschap (niet letterlijk, maar omdat ze zijn stiefmoeder was), en zij werd teruggezonden naar haar vader. Judith was na haar huwelijk met Aethelwulf tot gemalin van de koning gekroond, zodat zij op hetzelfde niveau kwam als de koning. Dat zorgde later voor wrevel bij de Saksische bevolking. Vlaanderen Voor de derde maal trouwde ze met Boudewijn I met de IJzeren Arm, die haar rond Kerstmis 861 uit het klooster in Senlis had ontvoerd. Om uit de klauwen van haar woedende vader te blijven, zwierven ze een tijdje in Europa rond en schuilden ze tot inoktober bij haar oom Lotharius II. Ze vluchtten op bedevaart naar Rome, en door tussenkomst van paus Nicolaas I traden ze 13 december 863 officieel in het huwelijk in Auxerre. | van West Francie, Koningin van Wessex Judith (I3365)
|
| 1926 | Ook wel: 'De Backer'? | den Jagher, Leuntgen Arensdr (I4890)
|
| 1927 | Ook: Boudewijn I van Constantinopel. Familie Hij was de oudste zoon van graaf Boudewijn V van Henegouwen en van Margaretha van de Elzas, zus en erfgename van Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen. Hij trouwde in 1186 met Maria, dochter van Hendrik I van Champagne. Bij de dood van zijn moeder (15 november 1194) werd hij graaf van Vlaanderen en na het overlijden van zijn vader (17 december 1195) erfde hij ook het graafschap Henegouwen. Aldus waren beide graafschappen weer voor het eerst verenigd sinds Robrecht I de Fries zijn voorganger Arnulf III van Vlaanderen had verslagen. Graaf Als jonge man sloot Boudewijn zich aan bij koning Filips II van Frankrijk en vocht met hem tegen Richard I van Engeland in de veldslagen van Issoudun en Aumale. Toen hij zelf aan de macht was gekomen, veranderde hij zijn beleid echter en sloot in 1197 een verbond met Richard in diens hoofdzetel kasteel Gaillard. Vervolgens veroverde Boudewijn het grootste deel van het graafschap Artesië (Artois). In 1191 had graaf Boudewijn de Moedige de rechten op Atrecht, Lens, Sint-Omaars en Boulogne (hetlatere graafschap Artesië) afgestaan aan Filips II August van Frankrijk om diens toestemming te verkrijgen als graaf te worden erkend. Boudewijn steunde (1198) de verkiezing van Otto IV van Brunswijk tot Duitse koning en verwierf (1199) het graafschap Namen. Bij de Vrede van Péronne (1199) werd Filips verplicht een deel van Artois terug te geven. Op 23 februari 1200 legden Boudewijn en zijn echtgenote Maria van Champagne in de Sint-Donaaskathedraal te Brugge de kruisvaartgelofte af. Op 14 april 1202 verliet Boudewijn zijn graafschap om zich aan te sluiten bij de vierde Kruistocht. Maria waszwanger en bleef daarom achter als regentes. Keizer In november 1199 nam Boudewijn deel aan een toernooi in het kasteel van Ecry, georganiseerd door Theobald III van Champagne. Gegrepen door een vlaag van vroomheid, besloten de aanwezige ridders hun spelen te beëindigen en het Heilige Land te heroveren. De kruisridders vonden de Venetiaanse vloot bereid om hen over te zetten en proviand te verschaffen in ruil voor de helft van de buit die ze zouden maken. Boudewijn, Keizer van Constantinopel (afbeelding uit Flandria illustrata, 1641) De vierde kruistocht was in de greep van de economische belangen van de Republiek Venetië. Daarom nam Boudewijn eerst deel aan de verovering van Zadar, een opkomende concurrent van Venetië. Vervolgens trokken de kruisvaarders naar Constantinopel omin 1203 de pro-Venetiaanse Alexios IV Angelos te helpen om keizer te worden. Alexios werd in 1204 door een binnenlandse staatsgreep verdreven en dat was voor de kruisvaarders aanleiding om de stad te bestormen en te plunderen. Zij boden de keizerskroon aan de Doge van Venetië, Enrico Dandolo, maar die weigerde. Daarop kozen ze een keizer uit hun midden. Een commissie bestaande uit zes kruisvaarders en zes Venetianen verkoos Boudewijn op 9 mei 1204 unaniem tot keizer, boven Bonifatius I van Monferrato. Deze laatste stond voor de Venetianen te dicht bij hun aartsrivaal Genua. Op 16 mei werd Boudewijn gekroond in de Hagia Sophia. Hij kreeg de stad Constantinopel en de gebieden ter weerszijden van de Bosporus en de Dardanellen toegewezenals persoonlijk bezit, Als keizer probeerde Boudewijn samen met de paus om het Oosters Schisma te beëindigen. Politiek werd hij geconfronteerd met Bonifatius van Monferrato, die een zelfstandig koninkrijk vestigde rond Thessaloniki. Een onderlinge oorlog tussen de kruisvaarders kon met veel moeite worden voorkomen. In 1205 kwam de Griekse bevolking van Thracië in opstand en veroverde met Bulgaarse steun Adrianopel. Boudewijn belegerde de stad maar werd in april verslagen. Hij werd gevangengenomen en was sindsdien spoorloos. In 1206 ontving de paus een brief uit Bulgarije waarin werd medegedeeld dat Boudewijn was overleden. Zijn broer Hendrik volgde hem op als keizer. Volgens de lokale folklore in Veliko Tarnovo, hoofdstad van het Tweede Bulgaarse Koninkrijk, werd Boudewijn gevangengezet in een toren in de muur van de vesting Tsarevets. Dit torentje is nog altijd (in herstelde staat) te zien en wordt lokaal Boudewijns Toren genoemd. Alberik van Trois-Fontaines verhaalt voorts dat Boudewijn de avances van een Bulgaarse koningin afsloeg, die hem prompt van poging tot verkrachting beschuldigde en hem liet executeren. De Bulgaarse vorst Joannitsa zou opdrachthebben gegeven Boudewijns lichaam in stukken te hakken en aan de honden te voederen. De honden zouden echter geweigerd hebben zijn lichaam te eten. Twintig jaar later verscheen er in Vlaanderen een kluizenaar ten tonele die beweerde de verloren gewaande Boudewijn te zijn. Deze Valse Boudewijn (waarschijnlijk ene Bertrand van Rais) slaagde erin enige volgelingen om zich heen te verzamelen, maar werd uiteindelijk ontmaskerd en in 1225 als bedrieger terechtgesteld | van Vlaanderen, Graaf van Vlaanderen Boudewijn IX (I4166)
|
| 1928 | Ook: Deunisvelt | Dom (Staelduijnen), Barbara Jdr (I3961)
|
| 1929 | Ook: Fris; op 't Slop | Luck, Jan Dircksz (I3620)
|
| 1930 | Ook: Griet Gerstenberg | Gerstenberg (Goostenberg, Gistenberg, Gorstenborg, Gistenburg), Margaretha (I4154)
|
| 1931 | Ook: Lock, 't Luck Deze heeft zijn gehele leven als landbouwer te ’ s-Gravenzande doorgebracht. Uit de kohieren van de tiende penning lopende over de jaren 1553, 1557, 1561 en 1562 (1) blijkt, dat hij een uitgebreid boerenbedrijf bezat, waardoor hij tot de vooraanstaande personen uit de omgeving behoorde. Op 10 september 1562 verklaarde Lodewijk van den Binckhorst (2), baljuw en schout van ’s-Gravenzande, dat hij naar "inhoudt der placaten" vier schepenen van ’s-Gravenzande onder wie Adriaen Pietersz Luck de vereiste eed heeft afgenomen als taxateurs van de 10e penning en in een akte van 11 september 1562 verklaarden de taxateurs, met uitzondering van één die inmiddels overleden was,dat er geen goederen waren waarvoor de 10e penning verschuldigd was dan die welke in het kohier vermeld waren (3). Enkele malen bijv. in de jaren 1549 en 1558 kwam hij voor als burgemeester er stede van ’s-Gravenzande(4). Verder verscheen hij tal van keren als schepen. Bijv. op 2 en 3 oktober 1561 verklaarden schepenen van ’s-Gravenzande, dat Arijen Pietersz Luck en Willem Willemsz "onze medeschepenen" "een huijs ende erve staende ende gelegen aende lange straet" te ’s-Gravenzande verkocht hadden voor 28 ponden vlaems(5). Hij zal geboren zijn circa 1510 (in 1543 werd zijn zoon Doe geboren en in 1544 betaalde hij de 10e penning voor zijn huis en landerijen) en overleden zijn circa 1570, na welk jaar zijn bovengenoemde zoon Doe als burgemeester en schepen genoemd wordt. In het archief van het gasthuis te Delft wordt hij genoemd "Adriaen Pietersz alias Lock van `s-Gravenzande" (6) In verschillende akten lopende over de jaren 1552 tot 1555 komt hij voor onder de naam Adriaen Pietersz tLuck. Op 12 december 1554 wordt hij onder die naam vermeld als één der vier "minlicke segluijden ende arbijters" (7) en op 13 mei 1553 staat genoteerd "Aldus geschie ter precencie van Adriaen Pietersz tLuck burgemeester" (8). Misschien is de schrijfwijze tLuck een vingerwijzing naar de oorspronkelijke betekenis van de familienaam. In een akte van 22 april 1558 wordt zijn zuster genoemd in de passage "ten versoucke van Arijen Luck als voocht van zijn zuster Maritgen Pietersdr weduwe wijlen Arijen Jansz" (9). In een akte van 16 februari en 16 juni 1593 werden vier van zijn kinderen bij elkander vermeld, nl. Doe, Willem en Pieter Arentsz Luck, voogden over Pellenaer Lenerts, "tnaegelaten weestkint van wijlen sa Jannetgen Adriaensdr hare suster" (10). Daarnaast lijkt sprake van een jong gestorven dochter welke getrouwd zou zijn geweest met Jan Dirksz Luck, geboren circa 1538, overleden 1593. | Luck, Lucq, Adriaen Pietersz (I2608)
|
| 1932 | Ook: Margaretha van Constantinopel. Zij was de tweede dochter van graaf Boudewijn IX van het graafschap Vlaanderen en Henegouwen (VI), en Maria van Champagne. Haar vader werd in mei 1204 ook keizer van Constantinopel. Na het overlijden van haar moeder (1204) en het verdwijnen van haar vader (april 1205) liet de Franse koning Filips Augustus haar met haar zuster Johanna in 1208 op 6-jarige leeftijd naar het hof in Parijs overbrengen om haar te onttrekken aan anti-Franse invloeden in Vlaanderen. Gedurende haar tijd in Parijs maakte ze samen met haar zuster kennis met de Cisterciënzerorde, mogelijk mede door de invloed van Blanca van Castilië, de echtgenote van de Franse kroonprins. Bij haar terugkeer in 1212 werd Margaretha toevertrouwd aan de Henegouwse ridder Burchard van Avesnes, met wie zij in hetzelfde jaar op tienjarige leeftijd trouwde. Na een klacht van gravin Johanna veroordeelde paus Innocentius III het huwelijk (Vierde Lateraans Concilie, 1215), en dit op grond van het feit dat Burchard subdiaken was gewijd en dus tot de geestelijke stand behoorde. Maar de echtelieden scheidden voorlopig nog niet. Margaretha en Burchard kregen de volgende kinderen: Boudewijn (ovl. 1219) Jan van Avesnes (1218-1257) Boudewijn (1219-1295), gehuwd met Felicitas van Coucy, dochter van Thomas van Coucy-Vervins. Pas in 1222 verliet Margareta haar echtgenoot en trouwde in het najaar van 1223 met Willem van Dampierre, een ridder uit de Champagnestreek en een zoon van Gwijde II van Dampierre en Mathilde I van Bourbon, bij wie zij volgende kinderen had: Willem III van Dampierre (1221-1251) Gwijde III van Dampierre (1226-1305) Jan I van Dampierre (1230-1258) Johanna (ovl. ca. 1245), gehuwd met Hugo III van Rethel (twee dochters) en daarna met Theobald II van Bar (geen kinderen), begraven in de de abdij van Val-d'Ornain. Maria (ovl. 21 december 1302), abdis van de abdij van Flines Vlaams-Henegouwse Successieoorlog Toen Margareta haar kinderloze zuster Johanna in 1244 opvolgde als gravin van Vlaanderen en Henegouwen, benoemde zij haar zoon Willem tot enige erfgenaam (1246). Daarop begon een strijd tussen de kinderen uit Margaretha's beide huwelijken, de Avesnes en de Dampierres: de Vlaams-Henegouwse Successieoorlog. De Franse koning, in 1246 met de arbitrage belast, wees Vlaanderen toe aan haar zoon Gwijde van Dampierre en Henegouwen aan haar zoon Jan van Avesnes, feitelijk later haar kleinzoon Jan I van Avesnes. Niettemin bleef de vete tussen de beide huizen voortwoeden, zelfs tot in de volgende eeuw. Margaretha zelf stond heel de tijd aan de zijde van de "Vlaamse" Dampierres. De "Henegouwse" Avesnes verbonden zich door het huwelijk van Jan vanAvesnes met Aleid van Holland met de Hollandse graven, die ongedaan wilden maken dat zij voor Zeeland leenhulde verschuldigd waren aan Vlaanderen. Zij betwistten ook het bezit door de Dampierres van Rijks-Vlaanderen. De Franse koning maakte van deze scheidsrechterlijke uitspraak gebruik om zijn positie te versterken: hij brak de macht van Vlaanderen-Henegouwen hij bezorgde Vlaanderen een vijand in de flank, aangezien de Avesnes zich niet bij de uitspraak neerlegden, dit op grond van het feit dat koning Lodewijk IX van Frankrijk (de Heilige) beslist had over gebieden waarover hij geen leenheer was (Rijks-Vlaanderen in tegenstelling tot Kroon-Vlaanderen). Het conflict laaide weer op toen Willem II van Holland koning van Duitsland werd. De graaf van Holland (Willem) hield Zeeland bewesten Schelde in leen van Vlaanderen (Margaretha), terwijl de graaf van Vlaanderen Zeeland bewesten Schelde weer in leen had van de Duitse koning (Willem dus). Willem weigerde daarom leenhulde aan Margaretha te bewijzen. In 1252 verklaarde Willem dat Margaretha al haar lenen had verloren en gaf ze aan Jan. Margaretha verzamelde een groot leger, waar ook huurlingen uit heel Noord-Frankrijk deel van uitmaakten. Terwijl Willem en Margaretha in Antwerpen onderhandelden, viel haar leger op 4 juli 1253 Walcheren aan. De plannen waren echter uitgelekt en de Hollanders vielen het Vlaamse leger al aan terwijl het zich op het strand ontscheepte, en brachten het een zware nederlaag toe (Slag bij Westkapelle). In een laatste poging om de Avesnes te verslaan, gaf Margaretha het graafschap Henegouwen aan de Franse prins Karel van Anjou. Die werd in 1254 echter verslagen bij Valenciennes. De oorlogen hadden Vlaanderen veel geld gekost. Margaretha was genoodzaakt veel macht aan de steden te geven, in ruil voor geld. Ze was wel in staat om Béthune (1263), Dendermonde (1263) en Namen (stad) (1264) te verwerven. Maar in 1275 moest ze een ongunstige vrede met Engeland sluiten in een oorlog over de handel in wol. Margaretha stond positief tegenover de Tempeliers. In 1273 bevestigde ze, op aanraden van Guillaume de Beaujeu (die ze haar neef noemde), de grootmeester, de orde in al haar rechten en bezittingen in Vlaanderen.[2] Op 29 december 1278 deed Margaretha in Vlaanderen troonsafstand ten gunste van haar zoon Gwijde van Dampierre. In Henegouwen bleef zij zelf aan de macht tot aan haar dood: ze werd aldaar opgevolgd door haar kleinzoon Jan II van Avesnes. Door het huwelijk van haar zoon Jan van Avesnes met Aleid van Holland werden Henegouwen, Holland en Zeeland in 1299 (in personele unie) verenigd. Margaretha II van Vlaanderen overleed te Gent in 1280. Geheel volgens haar laatste wilsbeschikkingen werd haar lichaam bijgezet in de door haar gestichte Abdij van Flines. | van Vlaanderen, Gravin van Henegouwen Margaretha II (I4293)
|
| 1933 | Ook: Maria Catharina Vergon | Vergon, Anna Maria (Maria Catharina) (I14016)
|
| 1934 | Ook: Maria van Engeland. Maria werd geboren als het jongste kind van Stefanus van Engeland en Mathilde van Boulogne. Ze werd al op jonge leeftijd novice in een klooster in Kent voor ze werd overgeplaatst naar de Abdij van Romsey in Hampshire. In het jaar 1155 werd ze verkozen tot abdis van het klooster. Toen haar oudere broer Willem veertien jaar later overleed werd zij de jure gravin van Boulogne. Vanwege die nieuwe macht werd Maria van Boulogne een jaar later uit het klooster ontvoerd door Mattheüs I van de Elzas en dwong hij haar met hem te trouwen. Tien jaar na hun huwelijk werd het huwelijk geannuleerd en hierop trad Maria weer in het klooster in, ditmaal in de benedictijnse abdij te Montreuil waar ze in 1182 overleed. Maria van Boulogne (geboren 1136 – overleden Montreuil, 1182) was een dochter van koning Stefanus van Engeland en Mathilde van Boulogne. Zij was gravin van Mortain en Boulogne. Maria werd op jonge leeftijd door haar ouders in een klooster geplaatst. Later werd ze non in de abdij van Romsey en daar werd ze in 1155 tot abdis gekozen. Toen haar laatste broer in 1159 overleed, erfde ze het graafschap Boulogne en de grote bezittingen in Engeland die daarbij hoorden. Voor koning Hendrik II van Engeland was ze nu te belangrijk om in het klooster te laten en hij liet haar in 1160 trouwen met Mattheüs I van de Elzas, een zoon van de graaf van Vlaanderen, Diederik van de Elzas. Dit leidde tot een langdurig conflict met de paus waarin Maria en Mattheus uiteindelijk moesten toegeven. Het paar scheidde in 1170 en Maria werd non in het klooster van Saint-Austrebert (nabij Montreuil). | van Boulogne, Gravin van Mortain en Boulogne Maria (I4647)
|
| 1935 | Ook: Maria van Leuven | van Brabant, Maria (I14645)
|
| 1936 | Ook: Mathilde van de Elzas of Mathilde van Lotharingen | van Boulogne, Hertogin van Brabant Mathilde I (I4420)
|
| 1937 | Ook: Willem de Veroveraar. was de eerste Normandische Koning van Engeland van Kerstmis 1066 tot zijn dood. Hij was ook Hertog van Normandië van 3 juli 1035 tot zijn dood, onder de naam Willem II. Vóór zijn verovering van Engeland, stond hij bekend als Willem de Bastaard omdat hij een buitenechtelijk kind was. Om zijn aanspraken op de Engelse kroon kracht bij te zetten viel Willem in 1066 Engeland binnen. Hij leidde een leger van Normandiërs,Bretons, Vlamingen en Fransen (van Parijs en Île-de-France) naar de overwinning op de troepen van de Engelse Koning Harold II in de Slag bij Hastings. De daaropvolgende Engelse opstanden werden door hem onderdrukt in wat bekend is geworden als deNormandische verovering van Engeland. Willem was de buitenechtelijke zoon van Robert de Duivel en Herleva, dochter van een leerlooier genaamd Fulbert. Hij werd geboren in het Normandische Falaise, zo’n 30 km ten zuiden van Caen. Zijn vader werd ervan verdacht aan de macht te zijn gekomen na zijn oudere broer te hebben vergiftigd. Vermoedelijk om die reden ging Robert in 1034 op een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Voor zijn vertrek liet hij de Normandische edelen hun trouw zweren aan Willem. Hoewel Willem buitenechtelijk was, was dit niet vreemd omdat in Normandië nog altijd het oude gewoonterecht van de Vikingengold (de “more Danico”) waardoor een man meerdere vrouwen kon hebben, en hun kinderen wettige erfgenamen waren. Willems politieke tegenstanders zouden wel dit gegeven zijn leven lang tegen hem blijven gebruiken. Robert overleed tijdens zijn pelgrimstocht in 1035, en Willem volgde hem op als hertog van Normandië. Willem was toen nog geen tien jaar oud en de werkelijke macht lag bij zijn hovelingen, in het bijzonder bij zijn vo In 1044/1045 steunde Normandië koning Hendrik I van Frankrijk tegen Godfried II van Anjou. Willem zal rond deze tijd meerderjarig zijn geworden (16 jaar oud). Hij werd in 1046 nog geconfronteerd met een gevaarlijke opstand van een deel van de Normandische adel die zijn neef Guy (zoon van zijn tanteAdelheid van Normandië (1005-1038)) tot hertog wilden uitroepen. Willem vluchtte naar het hof van Hendrik. In 1047 keerde hij samen met Hendrik terug en versloeg zijn tegenstanders in een twee dagen durende veldslag bij Val-es-Dunes, aan de rivier de Orne bij Caen. Veel van zijn vluchtende tegenstanders werden gedood, het rad van een watermolen in de Orne zou door lijken zijn verstopt. Willem had nog drie jaar nodig om Guy en zijn aanhangerste onderwerpen. Hij gebruikte deGodsvredebeweging daarbij als een belangrijk hulpmiddel. Willem veroverde het opstandige Alençonen liet de handen van de burgers afhakken als straf omdat ze tijdens het beleg dierenhuiden aan de muren hadden gehangen, als verwijzing naar In 1053 bevestigde Willem de goede banden met Vlaanderen door een huwelijk in de kathedraal vanEu (Seine-Maritime) met zijn achternicht Mathilde van Vlaanderen, verwant in de vijfde graad. Dit huwelijk was zowel voor de paus (wegens bloedverwantschap) als voor koning Hendrik (wegens het machtige verbond tussen Normandië en Vlaanderen) niet te accepteren. Hendrik probeerde in 1054 en in 1056 Willem met een leger te onderwerpen, maar werd beide keren door Willem verslagen. Toen de paus in 1059alsnog instemde met het huwelijk en Willem in 1062 ook nog Maine wist te veroveren, was zijn succes compleet. In 1064 leed Harold, zoon van Godwin van Wessex, schipbreuk op de kust van Ponthieu. Harold werd door de lokale heer gevangengenomen maar Willem zorgde voor zijn vrijlating en ontving Harold als zijn gast. Harold zou hebben deelgenomen aan een veldtocht van Willem en verloofde zich met Willems dochter Adelheid. Willem liet Harold zweren dat hij zijn aanspraken op de Engelse troon zou ondersteunen. Harold verklaarde later dat die eed onder dwang was afgelegd, en daarom niet geldig was. Na hetoverlijden van de kinderloze Eduard de Belijder (4 januari 1066), werd Harold door de witenagemot evenwel zelf tot koning uitgeroepen. Engeland was een goed georganiseerd koninkrijk met goed werkende belastingheffingen. Vooral dat laatste maakte het voor Willem aantrekkelijk om zijn aanspraken op de troon door te zetten. De verschijning van de komeet van Halley in april 1066 zag hij als een goed voorteken. Hij kreeg hulp van edelen uit Bretagne, Vlaanderen en het hele westen van Frankrijk en verzamelde een vloot van bijna 700 schepen. Harold stationeerde een leger en een vloot in het zuiden van Engeland om deze dreiging hethoofd te kunnen bieden maar op 8 september moest hij, gedwongen door de wet, zijn leger ontbinden en zijn vloot op Londen terugtrekken. Harolds leger bestond vooral uit dienstplichtige boeren, die bij het aanbreken van de oogsttijd het recht hadden om het leger te verlaten. Willem was juist door slecht weer vertraagd: zijn expeditie was vertrokken uit de Divesmonding maar had enkele weken moeten schuilen in de Sommemonding. Daardoor landde hij pas op 28 september 1066 bijPevensey op de Engelse kust, zonder tegensta Harold was toen met zijn kleine beroepsleger ver weg in York, waar hij Harald III van Noorwegen en zijn eigen broer Tostig Godwinson had verslagen in de slag van Stamford Bridge. Na het nieuws van de Willems landing trok hij in haast naar het zuiden, waarbij hij onderweg zo veel mogelijk troepen verzamelde. Op 14 oktober vond de slag bij Hastings plaats, waarbij na een dag van zware gevechten Harold werd gedood en Willem de overwinning behaalde. De slag bij Hastings was nog lang niet de definitieve beslissing. De Engelsen kozen Edgar Æthelingals koning. Willem trok via Dover en Canterbury naar Londen. Hij probeerde via London Bridge de stad te veroveren maar deze aanval werd afgeslagen. Willem liet versterkingen uit Normandië komen en stak de Theems over. Een nieuwe aanval op Londen lukte wel. Op 25 december werd Willem in deWestminster Abbey tot koning gekroond. Zijn verovering is het onderwerp van het beroemde Tapijt van Bayeux. Willem werd voortdurend met Engelse opstanden geconfronteerd, wat in 1068 uitliep op een grote opstand in Mercia en Northumbria onder leiding van Edgar. Edgar werd verslagen en vluchtte naar Schotland, waar zijn zuster trouwde met koning Malcom III. Northumberland kwam weer in opstand en York werd veroverd. De opstand werd gesteund door een inval uit Schotland en Denemarken (ook de Deense koning maakte aanspraken op de Engelse kroon). De opstandelingen kwamen tot Lincoln maar werden daar gestuit en uiteindelijk in Yorkshire verslagen. Willem begon toen een campagne van verschroeide aarde in het noorden van Engeland (de zogenaamde Harrying of the North) wat tot grote hongersnood en ontvolking leidde. De gevolgen daarvan waren 100 jaar later nog merkbaar en zelfs de paus zou Willem hebben vermaand over de behandeling van zijn onderdanen. De adel in het noorden werd op grote schaal vervangen door Willems volgelingen en de Denen werden afgekocht en gingen naar huis. In 1072 viel Willem Schotland binnen en Willem introduceerde het feodale stelsel in Engeland, en benoemde veel Franse edelen in Engelse posities. Daarbij gaf hij ze bezittingen die over grote gebieden waren versnipperd zodat ze geen echte machtsbasis konden opbouwen. Hij bouwde ongeveer 80 kastelen, waaronder de Tower of London. In 1085 liet Willem het Domesday Book opstellen met een gedetailleerde inventarisatie van bezittingen in land en vee, voor een doelmatige belastingheffing en om de nieuwe bezitsverhoudingen permanent vast te leggen. Tegen deze tijd had de oorspronkelijke Angelsaksische adel en geestelijkheid nog maar 8% van het land in bezit. De Normandiërs drukten ook qua recht, cultuur en architectuur gedurende de volgende eeuwen een sterk stempel op Engeland. Opmerkelijk aan de verovering van Engeland is dat deze trekken heeft van een commerciële onderneming. In de Normandische administratie werd vastgelegd wat ieders bijdrage in schepen aan Willems invasievloot was geweest. Er bestaat een zichtbaar verband tussen de grootte van deze investeringen en de grootte en het belang van de Engelse functies en bezittingen die deze investeerders na 1066 kregen toebedeeld. In 1076 dreigde een oorlog tegen Bretagne maar onder druk van koning Filips I van Frankrijk werd een vrede bereikt die werd bezegeld door de verloving van Willems dochter Constance met Alan IV van Bretagne, de erfgenaam van de hertog van Bretagne. Willems zoons kregen grote ruzie met elkaar in 1079. Robert, de oudste, werd door zijn broers in een modderpoel gegooid. De ruzie die hieruit voortvloeide leidde tot een complete oorlog waarin Willem aan de kant van zijn jongere zoons kwam te staan. Robert had een sterke positie in Normandië en Willem kon hem alleen maar bedwingen met hulp van koning Filips. Willem werd zelfs tijdens een veldslag door Robert uit zijn zadel geworpen en verwond, omdat Robert hem niet herkende. Willem moest zich terugtrekken in Rouen om te herstellen. Zijn vrouw Mathilde wist in 1080 een vrede te bemiddelen in de familie. Willem liet in 1080 zijn halfbroers nog aanvallen uitvoeren op Schotland en Northumbria maar in 1082 zette hij zijn halfbroer Odo van Bayeux gevangen, en liet hem later weer vrij. Van Willem is één bot bewaard gebleven. Op basis daarvan wordt geschat dat Willem ongeveer 1,75 m groot en sterk gespierd was. Daarmee was hij vrij lang voor zijn tijd maar zijn gespierde bouw was niet zo bijzonder: middeleeuwse ridders moesten heel sterk zijn om met succes in hun zware wapenrusting met hun zware wapens te kunnen vechten. Bekend is dat Willem vanaf zijn paard de boog kon hanteren en dat hij zijn hele leven een goede gezondheid had. Wel werd hij op latere leeftijd erg dik, zodat hij volgens de Franse koning wel op een zwangere vrouw leek. In de zomer van 1087 viel Willem van zijn paard tijdens het beleg van Mantes en liep door de klap tegen zijn zadelknop inwendige verwondingen in zijn buik op. Na vijf weken van grote pijn bezweek hij. Op zijn doodsbed heeft hij zijn meeste tegenstanders begenadigd. Willems lichaam werd naar Caen vervoerd voor de begrafenis in de Stephanus abdij. Maar hij was behoorlijk dik en zijn lichaam was door de warmte bovendien opgezet. Bisschoppen probeerden zijn lichaam in de voor hem bestemde sarcofaag te proppen maar daarbij barstte zijn buik open en werd de kerk met een ondraaglijke stank vervuld. Bij Willems begrafenis bleek dat het land van het graf nog niet was betaald en de eigenaar eiste betaling van 60 schellingen voordat de begrafenis door kon gaan. Het bedrag werd ter plekke door zijn zonen voldaan. | van Engeland, Hertog van Normandië Willem I (I4168)
|
| 1938 | Ook: Willem Pietersz | Valstar, Willem Huijgensz (I8793)
|
| 1939 | Op 14 november 1601 verkoopt Pouwels Adriaensz. van Dijck aan Dirck Duijst van Voorhout Heijnrixz. een jaarlijkse rente van 25 gld., verzekerd op zijn woning en landen. Zijn schoonmoeder, Neelgen Willemsdr. van Vliet, weduwe van wijlen Jan Thouw Aertsz. van der Burch, wonende op de Zweth, stelt zich borg. | van Dijck, Pouwels Adriaensz (I4669)
|
| 1940 | Op 14 november 1601 verkoopt Pouwels Adriaensz. van Dijck aan Dirck Duijst van Voorhout Heijnrixz. een jaarlijkse rente van 25 gld., verzekerd op zijn woning en landen. Zijn schoonmoeder, Neelgen Willemsdr. van Vliet, weduwe van wijlen Jan Thouw Aertsz. van der Burch, wonende op de Zweth, stelt zich borg. | van Dijk, Pouwels Adriaensz (I7113)
|
| 1941 | Op 't choor begraven F 12,= | van der Gaag, Neeltje Cdr (I4206)
|
| 1942 | Op 't choor in deszelfs kelder die ten hunne is gerojeert, en hij dus als eerste daar is bijgezet. Kerkeregt vrij F 0-0-0 13gl | Pals, Harmanus (I12224)
|
| 1943 | Op 't hoge choor in de kelder van sijn vader. Geregt vrij 0-0-0 Bet 15 gl | Pals, Niklaas Hermansz (I12225)
|
| 1944 | Op 't kerckhof aen suijtsijde | Jannetgen Foppen (I5481)
|
| 1945 | Op 't kerkhof, suijtsijde | Vrolijk, Maertje Ariens (I5487)
|
| 1946 | Op 't koor | Hoogop, Maarten Engelen (I2092)
|
| 1947 | Op 't Koor in haar eigen graf Kerkeregt 6-0-0 | Pronck, Geertje Cornelisse (I5454)
|
| 1948 | Op 't koor, graf 1118 | Harteveld, Cryn Janse (I5457)
|
| 1949 | Op 't koor, graf 25, naast zijn vrouw, voor de konsistorie Kerkegeregtigheijt F 6-0-0 Uit 'De oude kerk te Scheveningen' van G. 't Hart: G. 25. 66 x 105 cm. DIT IS HET GRAFT VAN / IACOB LEENDERSE VAN / DER HARST VOOR SYN / ENDE SYN NACOMELINGE / HIER LEYT BEGRAVEN / KLAERTYEN AERRENS I v AN DER HARST HUYS I VROU v AN IACOB LEEN I DERSE VAN DER HARST / STERF DEN 10 OCTOBER / 1670 / Claertgen, dr. van Ary Tjarcxse Kagenaer en Maertie Bast yaene (zie G. 56), (Van der Harst is dus een toevoeging) ged. 6 April 1643, huwde 14 April 1659 met Jacob Leendertse van der Harst ( ondertr. 30 maart); Scheveningse kerk. Uit dit huw. één kind: Adryaen, ged. Grote Kerk 27 Nov. 1661. Begr. 11 Sept. 1681 onder deze zerk bij zijn moeder. Doopgetuigen van moederszijde: Thierck en Bastiaen Aryaens en haar stiefmoeder Maertie Bastyaene, en van vaderszijde Neeltje Bastiaene, geh. met een broer van Jacob Leenderse van der Harst, eveneens Jacob Leendertse genaamd (zie G. 86). Jacob Leendertse van der Harst "de jonge" was een zoon van Leendert Jacobsz. van der Harst en Maertje Kerwis de Jonge. Leendert "Harts" was voer man en werd begraven op het kerkhof 13 Dec. 1654. De weduwe maakte 5 Aug. 1659 haar testament (Not. arch. nr. 193, fol. 419) te Scheveningen. Zij had toen 4 zoons en 1 dochter; De oudste zoon, Cornelis Leendertse van der Harst; 27 Aug. 1656 gehuwd met Leentje Dircksdr. (begr. 24 Nov. 1674); de jongere Cornelis, geb. c. 1637, en 6 Juni 1661 geh. met Trijntje Siere, genoemd in 1695 als officier van de schutterij te Scheveningen (Soc. arch. nr. 288, gezin nr. 284, 316, 354, en not. arch. nr. 1362, ongefol. d.d. 16 April 1695). Een Cornelis woonde in een slop van de Keizerstraat, van beroep | van der Harst, Jacob Leenderts (de jonge) (I5446)
|
| 1950 | Op 1-5-1676 kocht hij onderstaand graf. In de kerk op het hoge koor in sijn eijgen kelder, naast Jacob Leenderts van der Harst. Kerkegeregtigheijt F 6-0-0 | Pals, Harmanus Adrianus (I12226)
|
| 1951 | Op 11-3-1729 ontvingen de Weesmeesters uit handen van Cornelis de Wit en Cornelis de Wit de jonge (executeurs van het testament van Floris Maartens de Wit) 345 gld. 4 st. 14 pen. Bedragende de portie voor de zes kinderen van wijlen Maarten Arentse de Wit. Aan Maria de Wit (geassisted met haar man Johan Krul), Aagje de Wit en Ary de Wit elk 56 gld. 12 st korting voor de secretaris is af. Aanwezig waren Neeltje van der Harst (moeder) en Willem Coper (stiefvader) van deze kinderen d.d. 28-3-1729. Allen schreven hun naam, behalve Willem Coper, die plaatst zijn merk W.K. | de Wit, Maarten Arijens (I3958)
|
| 1952 | Op 11-3-1729 ontvingen de Weesmeesters uit handen van Cornelis de Wit en Cornelis de Wit de jonge (executeurs van het testament van Floris Maartens de Wit) 345 gld. 4 st. 14 pen. Bedragende de portie voor de zes kinderen van wijlen Maarten Arentse de Wit. Aan Maria de Wit (geassisted met haar man Johan Krul), Aagje de Wit en Ary de Wit elk 56 gld. 12 st korting voor de secretaris is af. Aanwezig waren Neeltje van der Harst (moeder) en Willem Coper (stiefvader) van deze kinderen d.d. 28-3-1729. Arnz, J... Harst, Neeltje Abrams, van der Krul, Johannes Wit, Aagje de Wit, Ary de Wit, Bastiaantje de Wit, Cornelia de Wit, Floris Maertense de Wit, Lena de Wit, Maerten Arentsz. de Wit, Maria de Allen schreven hun naam, behalve Willem Coper, die plaatst zijn merk W.K. | de Wit, Floris Maartens (I9965)
|
| 1953 | Op 13 mei en 21 oktober 1577 procedeert Kors Thonisz. als voogd van de weeskinderen van zijn zoon Arien Korsz., samen met de kinderen van Adriaen Claes Gillisz. (Trapper) en Maritgen Jacobsdr. voor het gerecht van De Lier tegen Cornelis Cornelisz. Touw. 208 Het gaat hier omde nalatenschap van Jannitgen Pietersdr., weduwe van Cornelis Touwen. Zowel Adriaens vrouw Hilletgen als Maritgen Jacobsdr. waren dochters uit haar eerste huwelijk een zekere Jacob. Cornelis Cornelisz. Touw was hun halfbroer. 209 | Jannitgen Pietersdr (I3555)
|
| 1954 | Op 13 mei en 21 oktober 1577 procedeert Kors Thonisz. als voogd van de weeskinderen van zijn zoon Arien Korsz., samen met de kinderen van Adriaen Claes Gillisz. (Trapper) en Maritgen Jacobsdr. voor het gerecht van De Lier tegen Cornelis Cornelisz. Touw. 208 Het gaat hier omde nalatenschap van Jannitgen Pietersdr., weduwe van Cornelis Touwen. Zowel Adriaens vrouw Hilletgen als Maritgen Jacobsdr. waren dochters uit haar eerste huwelijk een zekere Jacob. Cornelis Cornelisz. Touw was hun halfbroer. 209 Bron: NA, Hof van Holland inv. nr. 3786 | van Dijck, Adriaen Corsz (I3584)
|
| 1955 | Op 15 juni 1612 werd het huis met lijnbaan en droogtuin verkocht aan zijn zwager Cornelis Michiels. | van Schilperoort, Jacob Cornelisz (I2767)
|
| 1956 | Op 15-5-1376 bepaalt Lijsbeth, dochter van Heer Jacop, pastoor (mogelijk wonende te Naaldwijk) een aantal legaten o.a. aan Kate- rijn Tyemans (2). Deze Katerijn zou de echtgenote van Thyeman Bertolomeusz. kunnen zijn (3). | Katerijn Tyemans (I706)
|
| 1957 | Op 15-5-1376 bepaalt Lijsbeth, dochter van heer Jacop, pastoor, een aantal legaten, waaronder die aan een Mees op die Heymonde. Misschien is hij identiek met onze Bertelmeus Tymansz. (7). | van Dorp, Bertelmeus Tymansz (I3473)
|
| 1958 | Op 16-2-1503 S.C. (= 1504) wijst het Hof van Holland vonnis in verband met een procedure tussen Meeus Henrycxz. en Willem Coppertsz., waarbij Meeus in beroep is gekomen tegen een vonnis van baljuw en mannen van Naaldwijk aangaande een huis, dat eiser met verweerder gemeen heeft in het dorp van Naaldwijk. Het huis zal in het openbaar worden verkocht (44). | van Dorpe, Bartholomeus Hendricksz (I4242)
|
| 1959 | Op 16-2-1638 testament gemaakt door Ariensz Jacob Nol en Maartje Claesdr (langstlevenden test.). Kinderen op dat moment: Jacob 8 jaar, Claes 6 jaar, Neeltje 4 jaar en Brechje 3 weken. | Claesdr, Maertje (I3740)
|
| 1960 | Op 17 januari 1608 bekent Neeltgen Claesdr., weduwe van Dirck Jansen Vercroft, ontvangen te hebben uit handen van Pouwels Adriaens van Dijck als koper van haar woning en landen, de gerede penningen en de jaarlijks custing tot 800 gld. per jaar van alle verschenen custingen tot mei 1607. | van Dijck, Pouwels Adriaensz (I4669)
|
| 1961 | Op 17 januari 1608 bekent Neeltgen Claesdr., weduwe van Dirck Jansen Vercroft, ontvangen te hebben uit handen van Pouwels Adriaens van Dijck als koper van haar woning en landen, de gerede penningen en de jaarlijks custing tot 800 gld. per jaar van alle verschenen custingen tot mei 1607. | van Dijk, Pouwels Adriaensz (I7113)
|
| 1962 | Op 20-3-1578 verkoopt Querijntgen Jansdochter,gehuwd met Vranck Oliviers., samen met haar zusters als erfgenamen van hun moeder Aeltgen Dircxdochter, aanHendrick Aemsz. van der Burch de helft van een woning en 9 morgen eigen land in Borgersdijck in de jurisdictie van Maasland en van De Lier, volgens de oude brief d.d. 20-9-1553 gepasseerd door Cors Jacobsz. ten behoeve van Jan Jansz. Mijnheer. | Crijntje Jans (I2708)
|
| 1963 | Op 21 november 1367, 1 oktober 1400 en 16 november 1402 wordt land, genaamd het Barre Velt, vermeld te Wateringen op de Zwet, dichtbij de hofstad waar vroeger Jacob Toude woonde. | Jacob Toude (I2641)
|
| 1964 | Op 22 jannewari is begrave de vrou van Doen Jansz Hoogeworf op het koer ontfange 19 Fl. 9.-.-. | van Rooijen, Aagje Jacobsdr (I12763)
|
| 1965 | Op 22 september 1710 maakt hij zijn testament voor notaris Cornelis van der Heyden "out over 15 jaren", NA Not.Arch. inv. 2522, Deze notaris noemt hem Arij Pouwelse van der Speck [bron 37] Gedoopt op 23 januari 1695 te Berkel, overleden op 24 november 1763 te Pijnacker, begraven op 27 november 1763 te Pijnacker. Begraven in graf nr. 35, in de kerk. Dit was bepaald een familiegraf, want op 17 januari 1769 werd het overgeboekt van de naam van de kinderen van Paulus Cors. van der Spek opde naam van de weduwe van Arie van der Spek en de weduwe van Paulus vand er Spek. [bron 37] Van dit echtpaar zijn 10 kinderen bekend. | Verspeck, Arij (I4817)
|
| 1966 | Op 23 december 1620 verkoopt Pouwels Adriaens van Dijck aan Geertruijd Cornelisdr., weduwe van Jan Joppen Verla 21½ morgen wei- en teelland, gelegen in zijn woning in Naaldwijkerambacht aan de noordzijde van de Lierweg. | van Dijck, Pouwels Adriaensz (I4669)
|
| 1967 | Op 23 december 1620 verkoopt Pouwels Adriaens van Dijck aan Geertruijd Cornelisdr., weduwe van Jan Joppen Verla 21½ morgen wei- en teelland, gelegen in zijn woning in Naaldwijkerambacht aan de noordzijde van de Lierweg. | van Dijk, Pouwels Adriaensz (I7113)
|
| 1968 | Op 23 februari 1200 legde zij samen met haar man in Brugge de kruisvaardersgelofte af. Boudewijn nam deel aan de Vierde Kruistocht maar Maria was zwanger en bleef achter als regentes. Maria reisde in 1204 haar echtgenoot achterna en hoorde aangekomen in Akko dat haar man tot keizer van Constantinopel was gekozen. Ze werd echter ziek en overleed in Akko. Het nieuws van haar dood zou Boudewijn veel verdriet hebben gedaan. | van Champagne, Maria (I4107)
|
| 1969 | Op 23 mei 1560 bekent Willem Thonisz. van Dijck schuldig te zijn aan de Heilige Geest van Maasland 8 £ hollands per jaar spruitende uit koop van land gelegen in zijn woning aan de Westgaag, nl. ½ morgen land gelegateerd door Pieter Momber, 3 5/8 hond land gelegateerd door Aem Vranckensz. en Jan Vranckensz., broeders, ½ morgen land gelegateerd door Joris Pietersz. Burst en zijn vrouw Annetge, alle percelen gemeen met Willem Thonisz. zelf. Willem Anthonisz. gebruikt in 1553 11 hond land van de kartuizers buiten Geertruidenberg en 4 morgen van ’t mans kinderen in de Dijkpolder, in 1557 10 hond van de kartuizers en 4 morgen van Joris Jorisz. en de kinderen van Gerrit Floris en daarenboven in de Puelpolder 7 morgen leenland, en in 1561 een morgen 4 hond weiland van de kartuizers, 4 morgen van de erfgenamen van Maritgen Gerrit Florisz., beide percelen in de Dijkpolder, en 7 morgen leen- land in de Commandeurspolder, strekkende van de Oude Molensloot tot de Aalsloot toe. In het kohier van de 100e penning van 1578 komt hij niet meer voor. De 7 morgen leenland, vermeld in 1553 en 1557 is te identificeren als leen 169A van de abdij van Egmond, waarmee Willem op 2 december 1554 wordt beleend bij overdracht door Hugo Willemsz. zijn neef. Het leen vererft op 2 juni 1564 op zijn broer Dirck. Kort schrijft hier abusievelijk ‘bij dode van Hugo Willemsz. zijn broer’. Die broer is natuurlijk Willem Thonisz. Huijch Willemsz. overleed pas omstreeks 1578 | van Dijck, Willem Thonisz (I3558)
|
| 1970 | Op 23-11-1772 wordt door zijn vader F 200,= ingebracht bij de weesmeesteren. Het betreft de uitkoop van zijn zoon Bastiaan (5 jaar) inzake moeders goed. Op 29-7-1785 doet het Hof van Holland uitspraak inzake de verdeling van de nalatenschap van wijlen Bastiaan van der Harst: F 258,= Leendert Cornelisse van der Harst krijgt de helft. Van de overige helft krijgt vader Aalbert de helft, een kwart dus. Het overige kwart wordt gelijkelijk verdeeld onder: Leendert en Pieternelletje de Mos. Op 29-8-1785vindt de verdeling plaats: Leendert krijgt F 129,= Vader Aalbert F 64,10 Leendert en Pieternelletje tesamen F 64,10 | van der Harst, Bastiaan Aalbertsz (I13988)
|
| 1971 | Op 23-5-1429 wordt een Heynric Ghijsbrecht uten Willigen als leenman getuige vermeld te Naaldwijk (93) | Heynric Ghijsbrechtsz (I14488)
|
| 1972 | Op 26 september 1691 koopt Willem Hendriksz Hooghwerff, weduwnaar van Magdaleentje Jacobs van der Laen, zijn kinderenuit. Kennelijk gebeurde dit kort voor zijn huwelijk met Leijngje Welhouck. Zijn kinderen waren; Trijntie circa 21 jaar, Hendrik circa 19 jaar, Jacob circa 17 jaar, Willem circa 14 jaar en Geertruit circa 11 jaar oud. Bastiaen Jacobse vander Laen, oom der kinderen, was voogd van moederszijde over de kinderen. De kinderen werden uitgekocht met ruim 19 gemetland, gelegen onder Hoogvliet, Poortugaal en Langebakkersoord en met de sieraden van hun moeder. | Hoogherwerff, Willem Heijndricksz (I12982)
|
| 1973 | Op 26-3-1734 aan Neeltie Abrahams betaald, uit de erfenis van wijlen Floris Maartens de Wit: de rente van 5 jaar: 16 gld. 7 st. 8 p. | van der Harst, Neeltie Abrahams (I5159)
|
| 1974 | Op 26-5-1658 trouwen in Delfshaven "Buijser Jacobsz, weduwnaar van Neeltje Cornelis, wonende Catwijc O/ Zee en Jannetje Jochems weduwe van Maerten Claesz, wonende Delfshaven". [Bron: Trouwboek Delfshaven] Op 29-4-1650 gaan op Scheveingen in ondertrouw "Maerten Claesen weduwenaer met Jannetie Jochems j.d. beijde woonende alhier toe Schevel. haer eerste gebode gehadt dy 24 april 1650 getrout dy 8 mey". [Bron: Trouwboek Scheveningen]. Jannetje Jochums had echter nog meer stiefkinderen: op zijn minst Cornelis en Pietertje. Jannetje Pieters moet echter reeds eerder gehuwd zijn geweest met ene Jan Knijn. | Jannetje Jochums (I10010)
|
| 1975 | Op 28-6-1579 verkopen Vranck Oliviers voor de ene helft en Joris en Willem Corneliszonen als mannen en voogden van hun huisvrouwen voor de andere helft samen aan Job Claesz. Snijer een huis en erf in Naaldwijk, noord: Claes Ariens, metselaar, west: Com. van Reynegom, zuid: Arent Gerritsz., oost: ’s Herenstraat; voor Vranck is Philip Anthonisz. waarborg, voor de anderen Cornelis Aertsz. Ketelaer. | Vranck Oliviers (I2707)
|
| 1976 | Op 28-7-1505 wijst het Hof van Holland vonnis in het geding tussen Simon van der Meer en Meeus Heinricsz. (45). | van Dorpe, Bartholomeus Hendricksz (I4242)
|
| 1977 | Op 29 december 1563 transporteert Adriaen Korsz., de nieuwe echtgenoot van Hilletgen, samen met Jan Pouwelsz. voor hemzelf en als voogd van haar kinderen, aan Joost Pouwelsz. Vos een rentebrief van 52 car. gld. 10 st. per jaar | van Dijck, Adriaen Corsz (I3584)
|
| 1978 | Op 31-8-1502 huren Mees Heinricksz., Sijmon Hugesz. en Jan Bloom van de Oude Gasthuismeesters tot Delft 5 morgen land, zoals Jan Pieter Adriaensz. dat als laatste gebruikt heeft, gelegen in de ban van Naaldwijk, voor 15 pond Hollands per jaar, voor 20 jaren, ingaande 1503; gezegeld door Mees Henricksz. en Jan dye Burchgrave (43). | van Dorpe, Bartholomeus Hendricksz (I4242)
|
| 1979 | Op 5-11-1562 verkoopt Marijcken Vranckendr., wed.Olivier Adriaensz., met Vranck Olivier, haar zoon en gecoren voogd in dezen aan Cornelis Florisz., haar dochters man, de helft van het voornoemde huis. Itemis nog bevoorwaard dat comparante en CornelisFlorisz. tezamen garantie stellen dat zij het weeskind van Pieter Vrancken, zolang het bij comparante besteed zal wesen, zullen onderhouden van eten en drinken en andere belangrijke nootdruftigheit. Cornelis Florisz. is schuldig aan zijn zwagermoeder Marijcken Vrancken 15 pond. | Marijcken Vranckendr (I3560)
|
| 1980 | Op 6 februari 1582 verkopen de Staten van Holland een aantal percelen voormalig kloosterland aan de stad Delft, o.a. 15½ morgen in Maasland, in erfhuur uitgegeven aan Dirck Thonisz. van Dijck voor 45 £ per jaar, ‘beleent bij Baertgen Corssendr. (zijn tante)’, afkomstig van de abdij van Leeuwenhorst. Dit land is terug te vinden in de 100e penning van Maasland van 1578 naast een aantal percelen die in 1561 nog op naam stonden van zijn (latere) tweede vrouw, Maritgen Aelwijn Jansz.’ weduwe. | van Dijck, Dirck Thonisz (I3599)
|
| 1981 | Op 6-4-1423 verkoopt Heynric Ghijsbrechtsz. aan de Heilige Geest te Naaldwijk 1 hond land te Maasland aan de Zijdewinde, gemeen met de Heilige Geest, welk land de verkoper is aan- gekomen van zijn vrouw Liisbeth Bertelmees Tiemansdr. (8). | Heynric Ghijsbrechtsz (I14488)
|
| 1982 | Op 7 juni 1657 passeert Pouwel Jacobs. een akte (NA. Not. Arch. inv. 1633). Zijn schoonzoon Jacob Arentsz. Oostermeer blijkt een schuld aan hem te hebben van twee duizend vier en dertig gulden. Deze verklaarde "tot sijn groot leetwesen nyetmachtich te sijn omme te comen voldoen ende te restitueren ofte betalen". Zijn schoonvader Pouwel dwong al zijn kinderen op "peyne van te verbeuren ende verliesen het effect van de portie hem ofte haer competerende" Jacob niet lastig te vallen engeen rente te berekenen ! | Oostermeer, Jacob Arents (I3906)
|
| 1983 | Op 8 juli 1560 verklaren Kors Tonisz. wonende op ’t Woud, Willem Tonisz. wonende in Maasland, Cornelis Tonisz. wonende in Hodenpijl, Jan Tonisz. wonende te Schipluiden, Marijcken Tonisdr. wonende te Delft, weduwe van wijlen Dirck Jansz. Verburch, Machtelt Tonisdr., weduwe van wijlen Claes Claesz. Tou, mede wonende te Delft, Jan Jansz. Potter te Delft als man en voogd van Aefken Tonisdr., en Floris Jansz. als man en voogd van Grietge Tonisdr., samen kinderen van Antonis Dircxz. van Dijck en Aelken Korssendr. beiden zaliger, dat hun moeder, na het overlijden van hun vader in het jaar 1550 omtrent mei, aan hun broer Dirck Antonisz. 4½ hond land in de ban van Naaldwijk heeft verkocht. De hele familie zien we opnieuw bij elkaar op 19 december 1560 als de broers en zusters aan hun zwager Floris Jansz. van der Schuijer de gerechte helft van twintig hond land in de ban van Naaldwijk verkopen. | van Dijck, Anthonis Dircksz (I3529)
|
| 1984 | Op CD Rom Westland foutief als dochter van Geertje Pieters van Teijlingen vermeld. | Koen, Trijntje (I12129)
|
| 1985 | Op choor met hoofdeinde tegen de fondamenten van het choorhek en strekkende voorts de kist onder de eerste rij tegels welke teegens de twee zarken koomen die voor Kerkmeesters kamerdeur leggen. Deze vrouw is de eerste gestorven van het huwelijk dat 68 jaar heeft stand gegerepen, daar kind- en kindskinderen van zijn 95 personen. | de Jager, Jaapje Ariens (I6443)
|
| 1986 | Op de akte wordt zijn vader foutief "Toet" genoemd. | van der Harst, Leendert Cornelisse (I5044)
|
| 1987 | Op de huwelijksakte van zoon Wouter staat geschreven: "Een door het Tribunaal ten eerster Instantie alhier gehomologeerde Akte van Notarieteit op den negentienden September dezes jares [1811] waaruit blijkt dat de Vader van de bruidegom in den Jare Zeventienhonderd Twee en Negentig naar de Oost Indie was uitgevaren zonder dat sedert dien tijd enige tijding van hem was ingekomen" | van Duijne, Gijsbert Cornelisse (I13643)
|
| 1988 | Op de latere boerderij Bohemen | Philips Huijgens (I14911)
|
| 1989 | Op de ondertrouwdatum laten de toekomstige bruidlieden bij de notaris vastleggen dat hij 2400 gulden inbrengt en zij 300 gulden. Was dat een vorm van huwelijkse voorwaarden ? | Gezin: Pouwels Jacobs van der Speck / Maertge Jacobs Rheesloot (F1590224090)
|
| 1990 | Op de overlijdensakte 2600 zijn de ouders: Gijsbert Buis en Bregje Hasenoot, een verschrijving van de ambtenaar. | Buis, Willem (I5373)
|
| 1991 | Op de persoonskaart van haar vader staat: A 10 jun 60. De 'A' staat voor: Tijdelijke afwezigheid; aanteekenen met uitwischbaar potlood; bij terugkeer verwijderen. Mogelijk betreft het de huwelijksdatum. Mogelijk vermoord. | van der Kruijk, Neeltje (I4097)
|
| 1992 | Op de rechtdag van 10 juli 1556 verschijnt Jan Claeszn, met consent van Cornelis Claeszn en van Pouwels Claeszn, als voogd van Haesje Joppedr., het achtergebleven weeskind van Neeltje Claesdr. | van der Speck (Verspeck), Neeltje Claesdr (I3533)
|
| 1993 | Op de reddingsboot. | Roeleveld, Wouter Cryne (I5273)
|
| 1994 | Op de voorn. datum, sijnde 19 october 1671 compareerden voor mij Jacob de jongh, openbaar notaris bij de Hove van Hollandt wettig geadmitteert Residerende binnen sijne Hoogheits Heerlijkheit ter Heijde / de voorn. getuigen na benoemt Claes Aryens van der Nol en Jacob Aryens van der Nol wonende tot Soeterwou en Monster en verklaerden deze voorgelezen uiterste wille bij haerlieder Vader en Moeder op dato deses voor mij notaris en getuigen gemaakt te approberen en wel vrijwillig toe te staen ente consenteren dat haar voorn Vader de Lijftogt en vrugtgebruik van zijn na te laten goederen aen sijn tegenwoordige huisvrou Neeltje Aryens heeft gemaakt gedurende haar leven langh belovende daer niet tegen te sullen doen. Versogten aen mij Notaris hiervan instrument op deze in behoorlijke forma gemaekt en gelevert te worden Aldus gedaen verleden en gepreenteert ten huize van voorn Aryen Jacobsz Ter presentatie van Aryen Blasen Vos en Willem Gerrits van Kuivenhoven, wonende beijde tot Monster, als geloofwaerdige getuigen en benevens mij notaris hiertoe versogt en gebeden, die de minuut deses ende benevens uiterste wille (onder mij berustende) met en benevens beijde comparanten en mij notaris hebben onderteykent op de datum als hierboven t welck ik getuige Jacob de jongh, not publ. | van der Nol, Arijen Jacobs (I3831)
|
| 1995 | Op de zilveren beker van het Adrianusgilde | van der Harst, Bastiaan Jacobse (I5197)
|
| 1996 | Op donderdag na St. Laurens | Gezin: Jan Coppaerds van Dorp van Schipliede / Jonkvrouw Sophie Boudijns van Naeldwijck (F1590222790)
|
| 1997 | Op genoemde datum beluid te Naaldwijk | van der Struijs, Jannetje (I4706)
|
| 1998 | Op het choor aan de Noordzijde, aan en tegen de zark van Klaas Maartensz de Witt, strekkende geheel naast de zark. Kerkeregt als Kermeestersvrouw vrij. Classe F 6-0-0 | Tasman, Leuntje Maartens (I5183)
|
| 1999 | Op het hoge koor in de kelder van Pals. | Pluijm, Jan Jacobsz (I12727)
|
| 2000 | Op het kerkhof achter het choor. Drenckel | Rog, Franck Pietersz (I10629)
|
Ik doe er alles aan om het onderzoek te documenteren. Als u iets heeft dat u zou willen toevoegen, neem dan contact met mij op.