Aantekeningen


Treffers 1,501 t/m 1,750 van 2,532

      «Vorige «1 ... 3 4 5 6 7 8 9 10 11 Volgende»

 #   Aantekeningen   Verbonden met 
1501 In de lente van 1217 vertrok Willem I om deel te nemen aan de Vijfde Kruistocht.
Hij stelde zijn neef Boudewijn I van Bentheim aan als ruwaard tijdens zijn afwezigheid.
Aleid overleed tijdens de afwezigheid van haar man op 12 februari 1218.
Haar lichaam werd bijgezet in de abdijkerk van Rijnsburg. 
van Gelre, Gravin van Holland Aleid (I4845)
 
1502 In de lente van 1217 vertrok Willem I om deel te nemen aan de Vijfde Kruistocht. Hij stelde zijn neef Boudewijn I van Bentheim aan als ruwaard tijdens zijn afwezigheid. Aleid overleed tijdens de afwezigheid van haar man op 12 februari 1218. Haar lichaam werd bijgezet in de abdijkerk van Rijnsburg. van Holland, Graaf van Holland en Zeeland Willem I (I4846)
 
1503 In de nacht van 14 op 15 april 1815 vergingen er door storm een drietal Scheveningse visserspinken. Achtien Scheveningers kwamen daar bij om. De namen van de scheepjes zijn niet achterhaald waarbij ook niet kon worden vastgesteld wie- zich op welke pink bevond. van der Harst, Bastiaan Benjaminse (I14718)
 
1504 In de name des Heeren /Amen / kennelijck sij eenen ygelick die deses tegenwoordige vertoont sal woren / dat op de sestiende february anno sestienhondert achtendertig des savonds omtrent de klocke se uyren voor mij Jeremias Lammens, openbaer en bij de hove van Hollant wettelick geadmitteert notaris Resyderende binnen Monster / ende voor de ondergeseide getuigen gecomen en gecompareert is de Eerwaerde Aryen Jacobsz Nol cleermaker wonende binnen Monster en syne lieve huysvrou Maertje Claesdr synde sy comparanten clouck ende gesont / gaende en staende / ende sy comparante door Godes crachtige hand verlost van kinde ende gants siekelick / nogtans hebbende haar volcomen verstand / ende reden machtig synde / alsoo ons notaris ende getuigen ogentlick was blyckende / te kennen gevende sy comparanten overdacht te hebben de menselicke broosheit niet sekerder te syn als de doot / ende niets onsekerder te syn als de uyre ende stonden van dien, willende sy comparanten aan die onsekere uyre voorcomen ende v
Seijden sy comparanten dit te syn haer testatement ende uyterste wille ‘twelck sy comparanten begeren dat in alle syn doelen agtervolgt en naer gecomen sal worden / ‘tsy als testament codicil of so anders goedertiere making uit oorsake des Doots onder de levenden all waere alle sequriteijten in regte van mode / hier niet geobserveert / versoekende hiertoe het behulp van van alle geregtshoven en geregten des versogt sijnde / te willen meynteneren consenteren en my notaris hiervan gemaekt te worden Instrument in forma.
Aldus gedaen tot Monster in presentie van Jan Pietersz timmerman en Corn Jansz Valck inwoonende tot Monster getuigen geloofwaerdig neffens my notaris hiertoe versogt die dese neffens de comparanten hebben onderteyckent ten dage maenden ende jaeren als voorseit

Huismerck by Ary Jacobs van der Noll

Huismerk bij Maertje Claesd

Huismerck bij Cornelis Jans Valck

Jeremias Lammens, not publiq.
(Bron: ARA not. Archief inv nr 6034) 
van der Nol, Arijen Jacobs (I3831)
 
1505 In de Noordkerk begraven Robbe, Ariaantje Cornelisdr (I4155)
 
1506 in de Oude Kerk in Rijswijk hangt een, in 1628 aan deze kerkgeschonken, rouwbord dat Jacob Pouwelszn de Lose geboren is inRijswijk, ,,den jongsten soone van Pouwels Verspeck.Ó Het bord vangtaan met de mededeling, dat Jacob ,,waert tot DelfgauÓ was. Hetrouwbord, dat een 26-regelig vers bevat, plus enige spreuken, vermeldtnog, dat Jacob 57 kindskinderen had, waarvan er 18 zijn gestorven, en2 achterkleinkinderen. Verspeck, Jacob Pouwels (de Loose) (I4217)
 
1507 In de overlijdensakte staat dat de moeder Huijbertje Knoester is.
Dat moet een verschrijving zijn gezien de doopinschrijving.
Hierin wordt ze namelijk Huybertje Kluyf (Pronk) genoemd. 
Vrolijk, Haasje Flore (I8274)
 
1508 In de periode 1387-1390 vecht hij aan de zijde van zijn vader een grond conflict uit met de heren van Vianen. Het ging hier om het bezit van dorpen als Meerkerk, Hoog Blokland, Zijdervelt en Ameide die allen aan de Van Arkels toekwamen. van Arkel, Heer van Arkel, Bar-Pierrepont en Mechelen Jan V (I4409)
 
1509 In de trouwakte van 27-5-1696 wordt hij niet genoemd als weduwnaar van Maria Dominicus, doch als JM ... Gezin: Cornelis Cornelisse den Heijer / Maria Dominicus de Ruijter (F1643622654)
 
1510 In de trouwakte wordt met geen woord gerept over zijn eerste bruid Gezin: Cornelis Arijense Toet / Anna Cornelisse van der Harst (F1590223785)
 
1511 In de voorgaande paragraaf Stamvader staan aanwijzingen voor de gedachte, dat Philip N.N. een ach-
terkleinzoon is van de omstreeks 1320 geboren Sijmon Florisz. Anderzijds is aangegeven,
dat Philip N.N. mogelijk een zoon is van Jan Philipsz. die in 1431 land aan de Hollewatering ruilt met
Jan Willemsz. en eveneens voorkomt in de rekening van de 100e penning in 1424. 
Philip NN (I2653)
 
1512 In de winter van 1386-1387 nam Van Arkel deel aan de "Pruissen Kruistocht" onder zijn oom Willem I van Gelre en Willem van Oostervant. van Arkel, Heer van Arkel, Bar-Pierrepont en Mechelen Jan V (I4409)
 
1513 In december 1566 beeindigt zij haar bedrijf en liquideert de tot dan klaarblijkelijk onverdeelde boedel. Zij compareert dan voor de gezworenen van Rijswijk met haar voogd Pouwel Claesz. en haar kinderen: Jorisz. Claes, Bastiaen Claesz. Haesje Claesdr., die gezamenlijk haar woning en bedrijf verkopen aan Jacob Jorisz. getrouwd met Leenaertje Claesdr. Van deze kinderen is het volgende bekend: 1. Pouwel Claesz. geb. omstreeks 1526, overleden na 1602, gehuwd met Barber Joris Dircxsz. Uit dit huwelijk een zoon: Jan Pouwelsz. Pouwel Claesz. gehuwd(2) met Maritgen Jacob Jansz. van der Spek, uit dit huwelijk Cornelis Pouwelsz. en Leendert Pouwelsz. 2. Joris Claesz. overleden voor 1578 gehuwd met Baeltgen Claesdr. 3. Sebastiaen Claesz. overleden omstreeks 1578, gehuwd met Aryaentje Jacobsdr. [RA Rijswijk inv. 3 f. 101v en 102] Op 7 februari 1582 gaan jonge Pouwels Claesz., Jacob Jorisz. als man en voogd van Leentje Claesdr. en Pouwel Andryesz. echtgenoot van de wed. van Joris Claesz. tot scheiding en d Claesgen Symonsdr (I1949)
 
1514 In dekerk voor de ingang van het koor Zuidzij bij Jannetje Jacobs. Roockje Sieren (I5015)
 
1515 In den name des Heeren Amen.

Heden den 19, October cvj h eenenseventig des voormiddags de klokke omtrent tien uyren Compareerden voor mij Jacob de jongh openbaer Notaris bij de Hove van Hollandt wettelijken geadmitteert, Residerende binnen zijne Hoogheits Heerlijkheit ter Heijde, ende voor getuigen na benoemd
de Eerzame Aryen Jacobse van der Nol ende zijn lieve huisvrou Neeltje Aryens, Mr kleermaker wonende binnen Monster, mij notaris en getuigen bekent.
de voorn Aryen Jacobsz ziekelijk ter bedde liggende, doch zijn verstand / memorie / uitspraeck & rede wel hebbende en die gebruikende gelijk voor sijne voornoemde huisvrou als ons notaris en getuigen klaerlijk bleek en niets ander konden bemerken; Te kennen gevende zij Comparanten datter niets zekerder is dan de doodt / en niets onzekerder dan deze tyt en uyre van deze willende die onzekere uyre voorkomen met het maken en disponeren van haar tijdelijke goederen die zij door Gods genade metter doodt zullen komen na te laten; doende ‘selve soo zij beijden verklaarden uit haer beyder vrije eyghe en onbedwongen wille zonder eenige aenradinge/persatie of mistijdingen van yemant ter werelt. vooral bevelende haer waerde zielen inde barmhartige handen Godes, en hare dode Lichamen ter Aerde met een eerlijke begrafenis na haer staet. komende tot haerlieder oogmerk in deze en verklaerden zij comparanten over en wederover de een de ander den Eerststervende de Langstlevende van hare beyde Comparanten te maken en
als alleen indien hij comparant eerst komt te overlijden dat het weeskind van zijn compts dochter op het overlijden van hem comparant sijn legitieme portie sal mogen eijsen en hebbende en met des selfs verder verstande wagten op het overlijden van Langstlevende in al ’t welck zij comparanten alle de selve haer kinderen, de kintskinderen justitieren bij dezen tot Erfgenamen.
Wijders verklaerden zij comparanten tot voogden te stellen bij dezen over haere onmondige kintskint of kintskinderen of andere onmondige of toeverzicht behoevende Erfgenamen die zij comparanten souden mogen na te laten, Claes Aryensen van der Nol en Jacob Aryens van der Nol haere soons gevende deselver soodanige magt en Authoriteit als alle Testamentaire Voogden toekomt met magt om voor de onmondigen te spreken / en deszelfs goederen voor te staen. Deselve te administreren en te bestieren als haer selfs goederen en gelijk als zij voogden in goede Confidentie van Gods mogen schuldig zijn behoren te doen als wetende ddat Godt het alle van haer eysen en zij voor de selve rekenschap sullen moeten geven; gevende deselve voogden magt om ook bij ’t overlijden, wettige onwilligheit of onbequamheit van d’een of d’andere van voogden dat de langstlevende voogt een andere voogt in dessels overlijden / wettige onwilligens of onbequam geworden voogt plaets sal mogen treden en authoriseren met gelijke magt, en da
Tot dien einde verklaeren zij comparanten uit haeren boedel en goederen te sluiten bij deze alle Gerechten, Weeskamers en Weesmeesters, die specialrijk daar haerluider sterfhuis sal vallen ende alle andere personen, begerende niet dat deselver ter regarde van onnodigen met haeren boedel en goederen sullen hebben te bemoeijen Alle ’t welcke soo als voost staet zij comparanten (na dattet al ’t selver bij mij notaris in presentie van de getuigen voorgelezen zijnde) seijden en verklaerden te wesen haerluider uiterste en laatste wille en begerende dattet selve also nagekomen en agtervolgt sal worden ’t sij als Testament, Codicil, Gifte ter saeke des Doods / ofte andersints soo als ’t het best sal komen bestaen, niettegenstaende enige Omissien,
Versoekende ’t uiterste beneficie van allen Heren Hovenn, de Geregte in deze te genieten, desnoods en versogt sijnde te willen helpen meinteneren,
Versoekende aen mij notaris hiervan instrument in behoorlijke forma gemaakt en gelevert te worden.
Aldus gedaen, verleden en gepresteert ten huize van comparanten ter presentie van Aryen Blasen Vos ende Willem Gerrits van Kuivenhoven, wonende beijde alhier binnen Monster als geloofwaardige getuigen met mij notaris hiertoe versogt en gebeden, die de minute dezes (onder mij notaris berustende) met en benevens beijde comparanten en mij notaris hebben onderteykent op de datum als boven

’t Welck ik getuige
Jacob de jongh, notaris Publiq. 
van der Nol, Arijen Jacobs (I3831)
 
1516 In desselfs kelder opt hooge choor. Pals, Joannis (I12732)
 
1517 In drie notariële akten is Dirk met vermelding van zijn leeftijd aangetroffen.
Deze stemmen niet volledig overeen, maar geven wel aan, dat hij omstreeks 1585 is geboren.
Op 10 maart 1659 legt een driemanschap, waaronder Dirk, een verklaring af over land dat bij de Mo-
lenijzerswoning in Eikenduinen heeft behoord. Hierbij wordt aangetekend, dat Dirk in het ambacht
Eikenduinen is 'gewonnen en geboren’ en daar altijd heeft gewoond.
Dirk zet het boerenbedrijf van zijn vader in de polder Segbroek voort. Hij krijgt te maken met een
verandering in het eigendom. De woning met ca. 53 morgen eigen land en een vogelkooi wordt name-
lijk op 5 januari 1635 door Johan Purticq en de voogden van de weeskinderen van Jacob Starck voor
10.600 gld. overgedragen aan mr. Gasper van Kinschot, thesaurier en oud-burgemeester van Den Haag.
Dit verloopt echter niet correct, omdat hierbij de instemming ontbreekt van de erfgenamen
van Johan Purticks eerste vrouw. Het beheer van de woning belandt vervolgens bij Adriaan van den Ancker,
procureur bij het Hof van Holland en echtgenoot van Johans dochter Magdalena.

Op 25 juni 1636 gaat Adriaan van den Ancker over tot de openbare verkoop van het hooi op de drie
percelen land in de polder West-Escamp die Dirk tot dan toe in gebruik heeft. Ook het etgroen wordt
openbaar verkocht.

Op 1 oktober 1641 bekent Dirk dat hij aan Magdalena Purticq, weduwe van Adriaan van den Ancker,
810 gulden schuldig is vanwege twee jaar huur.
Hij wordt daarbij omschreven als ‘huijs-man woonende bij het meertje omtrent Loosduijnen in Haeghambacht’.
Gedoeld wordt op het toenmalige Wijnendalermeer. Hiervan resteert het hedendaagse Segmeer in park Meer en Bos.
Dirk geeft zijn vee en bouwgereedschap in onderpand.

Op 30 juni 1645 komt het Hof van Holland op grond van een uitgebreid dossier tot het oordeel, dat de
helft van de Dirks woning voor 5300 gld moet worden overgedragen aan Alida van der Hoog, erfge-
naam van Johan Purticks eerste vrouw en echtgenoot van de medicinale doctor Michiel Ring.
Het transport vindt plaats op 13 januari 1646.
Vervolgens wordt op 16 maart 1647 de gehele woning,
maar da voor 14.350 gld., opnieuw getransporteerd aan Gasper van Kinschot die dan inmiddels
raadsheer bij het Hof van Holland is.

Op 29 april en 12 mei 1647 worden de voorwaarden beschreven, waaronder Dirk de woning en het
bijbehorende land huurt van Gaspar van Kinschot.
De huurprijs wordt gesteld op 400 gld. per jaar.
Als borg voor de huurovereenkomst treedt Dirks zwager Cornelis Cornelisz. van Eijck uit Stompwijk op.

Op 3 september 1649 getuigt Dirk over de verkoop van korentienden door Louweris Willemsz. aan
Jacob Jansz. Cocq. Daarbij is vermeld, dat Dirk nog ‘bijt meertgen’ woont.

Op 11 augustus 1647 verklaart Dirk, dat hij, tezamen met acht buren, 400 ponden schuldig is aan
Claas Jansz. Lubbe vanwege het aflossen van twee obligaties. Bij een van die obligaties, die stamt uit
1635, is Dirk als ambachtsbewaarder van Segbroek betrokken.

Op 12 oktober 1660 legt Dirk met Cornelis Jansz. Lubbe als gewezen ambachtsbewaarders van Segbroek
een verklaring af op verzoek van de ambachtsbewaarders van West-Escamp.

In 1664 of mogelijk eerder woont Dirk op de woning Vinkenburg, gelegen te Eikenduinen aan de Lo-
zerlaan in de polder West-Escamp. Deze woning, die later Bouwlust heet, wordt deels eigendom van
Elisabeth Maas, vrouwe van Kijfhoek en weduwe van raadsheer Gualter de Raat, en deels eigendom
van het Burgerweeshuis.

Op 28 juli 1665 bekent Dirk, dat hij Elisabeth ruim 893 gulden schuldig is
aan pacht voor de woning en 242 gulden aan pacht voor de korentienden van Eikenduinen.

Op 7 april 1666 draagt Dirk zijn vee, zijn bouwgereedschap en een deel van zijn huisraad over aan
Elisabeth Maas ter vermindering van de huurschuld.
De veestapel bestaat dan uit 6 melkkoeien, 2
vaarzen, 2 kalveren, 16 schapen, 5 lammeren en twee paarden. Op 9 februari 1671 verkoopt Elisa-
beth Maas deze zaken aan Pieter Vrancken van Haasbroek die dan Pieter Dirksz. van Bohemen als
huurder opvolgt. Bij Vinckenburg hoort op dat moment ca. 44 morgen, zowel land als klingen. Dirk
is blijkbaar tussen 1666 en 1671 opgevolgd door zijn zoon Pieter.

Dirk komt nog in diverse andere notariële akten over lokale aangelegenheden voor
(1656, 1660, 1661, 1665, 1666). Hij plaatst altijd een handtekening, veelal als
Dirck Jansen van Bohemen
Op latere leeftijd beperkt hij zich tot
Dirck Jansen 
van Bohemen, Dirck Jansz (I3817)
 
1518 In een akte in het O.R.A. 's Gravenzande dd. 24-8-1692 verkoopt Harmen Arienszn Goeijenbier, voor zichzelf en in volmacht voor zijn zuster Ariaantje, gehuwd met Dirk Ariens, en als oom en bloedvoogd van der kinderen van zijn overleden broer Claes Ariens Goeijenbier, het ouderlijk huis aan de Langstraat in 's Gravenzande aan Jacob Willemszoon van der Made.

In 1693 volgt de boedelscheiding.Erfgenamen zijn: Maertgen Claesdr Goeijenbier, meerderjarige dochter; Arij, Bregien en Cors Claesz Goeijenbier, minderjarige kinderen, met Harmen Arienszn Goeijenbier als oom en bloedvoogd en Jacob de Jongste enWillem van Sanden als vertegenwoordigers. [O.N.A. Monster 6048, dd. 3-2-1693]. 
Goeijenbier, Harmen (I5811)
 
1519 In een akte van 22 oktober 1582 verkopen Pieter Pouwelszoon en Maerten Janszn, als "oemers en voechdens" van het nagelaten weeskind van Dammas Janszn en Neeltje Pouwelsdr. een huis en erf. Gezin: Damis Janszn / Neeltje Pouwelsdr van der Speck (Verspeck) (F1590224052)
 
1520 In een gehuurd graf
Kerkeregt 4-0-0 
Buitenhek, Dirk Everts (I5447)
 
1521 In een nieuw gekocht graf in de kerk aan de Noordzijde aan het hoofdeinde zijns vaders graf.
Voor koop mitsgaders kerkegeregtigheijt betaalt 10-0-0 
van der Harst, Bastiaan Jacobse (I4970)
 
1522 In een nieuw gekogt graf, in het middelpant, aan de noortzij.
Tussen Kerk en Gildestoel
Kerkeregt 10-0-0 
Taal, Pieter Jansz (I5453)
 
1523 In een nieuw graf, naast zijn eijgen graf voor schepenstoel, voor koor.
Geregtigheijt vrij. 6-0-0 
de(n) Boer, Joris Jacobsz (I2259)
 
1524 In graf No. 197 Goeijenbier, Harmen (I5811)
 
1525 In haar eigen graf nr 671 in de kerk. Overduin, Lijsbet Janse (I3915)
 
1526 In haar eijgen graf No. 1542
F 3,= 
Buijs, Haasje Bastiane (I5460)
 
1527 In haar vaders graf Noordzij torenend begraven, bij haar man Braa, Burgje Isbrants (I5465)
 
1528 In HB 1820 blijkt zij ruim 25 jaar geleden haar man te hebben verlaten. Ten hoogste 53 jr oud.

Sophie is overleden vóór 1803, ten hoogste 53 jaar oud.
Bij de huwelijkse bijlagen van het tweede huwelijk van haar zoon Hendrik (in 1820) was een document gevoegd, waarin Hendrik ondank zijn leeftijd van 41 jaren het volgende verklaart: "dat hij echter buiten staad is zoodanig bewijs ten opzigten van zijn moeder Sophia van Blerk, welke reeds meer dan vijf en twintig jaar geleden haaren Echtgenoot, zijne vader Hendrik Broekman arbeider wonende te Naaldwijk heeft verlaten, welke volgens het algemeen gerugt reeds langer dan achtien jaaren is overleden te erlangen."
Hendrik heeft vier getuigen meegenomen, die bovenstaande getuigen als zijnde de waarheid.

In doopakte van meerdere kinderen: moeder uit ’s-Gravenhage.
Zij wordt ook "van Blerk" of "van Blarik" genoemd. 
van Blerk, Sophia (I4060)
 
1529 In het Frans Buijs, Teunis Leendertse (I5239)
 
1530 in het huis aan de Heetnelo.

Westeuropese Adel. 
Bakkenes, Bart (I4419)
 
1531 In het jaar 1647 met attestatie vertrokken naar Overschie met zijn eerste vrouw Lijsbeth Verspeck. (Lugtigheijt), Abraham Gerritszn (I4104)
 
1532 in het kohier van de 10-de penning van 1562 wordt hij vermeld als pachter van 4 morgen land en een woonhuisje. van der Speck (Verspeck), Pieter Pouwelszn (I1977)
 
1533 In het laatste jaar komt hij niet meer zelf voor in het kohier van de 10-de penning maar zijn weduwe, hij pachtte 16 morgen land en een halve morgen "quade gheestland" en hij en zijn vrouw bezitten aan de zuidzijde van Rijswijk een eigen huis. Gehuwd met Trijntje Dircksdr, zij is, in elk geval, in 1566 nog in leven. Zij koopt dan een huis en erf, met schuur, berg en geboomte. In 1563 beëindigt zij haar bedrijf door de verkoop ervan aan haar zoon Dirck Jansz. Dirck Jansz heeft het recht op de koopprijs zijn vaderlijk erfdeel, zijnde 400 Carolus Guldens, te zijner tijd te "korten". Kerkmeester te Rijswijk in 1527 en 1528. van der Speck (Verspeck), Jan Claesz (I10362)
 
1534 In het leven van Cornelis Gijsbrechtsz. Schenaert gaat het niet helemaal goed
en hij begeeft zich gaandeweg op het criminele pad. In november 1592 huurt
Dirck Willemsz. van Griecken, bijgenaamd Den Rijcken Boer, hem in om mr.
Jan Meijndertsz. chirurgijn een lesje te leren. Ze gaan samen op 16 novem-
ber 1592 om 9 uur ’s avonds naar het huis van Bastiaen Joosten, metselaar
en poorter van Leiden, die woont op de Sint Pieterskerkgracht tegenover
het huis van de heer van Lokhorst. Met geweld dringen ze het huis binnen,
waarbij Cornelis met een opsteker en Dirck met een rapier de daar aan tafel
zittende Jan Meijndertsz. aanvallen. Die weet naar de keuken te vluchten,
maar krijgt wel een aantal steken toegebracht door Cornelis, die daarbij
door Van Griecken was aangemoedigd met de woorden ‘steect vrij toe, al
watter u affcomt, ic zalt u uijtdragen’, zodat het niet veel scheelde of hij had
Jan Meijndersz. ‘van het leven ter doot gebracht’. Cornelis, die meende de
klus geklaard te hebben, wil op de vlucht slaan maar Van Griecken (die zijn
voorgaande belofte vernieuwde) spoort hem aan te blijven, waarna ze zich
samen zo misdragen dat de man des huizes en zijn huisvrouw genoodzaakt
zijn ‘tot verzeeckerheijt van haer leven’ eerst naar de turfzolder en daarna
622
DECEMBER 2021 | NUMMER 746de man alleen uit het huis te wijken. Tegelijkertijd was ook voorn. mr. Jan
Meijndertsz. heimelijk uit het huis en naar de turfzolder gevlucht, zodat
Schenaert en Van Griecken hun kwade voornemen niet konden volbren-
gen. Ze gaan daarop vloekend en tierend het huis uit, drinken elders nog
drie of vier pinten wijn, en maken vervolgens nog langer dan een uur voor
en rondom het genoemde huis straatrumoer, gooien ramen in en beuken
zo geweldadig op de deur dat een trapladder, waarmee de deur geschoord
was, in de vloer is gesprongen zodat de man deze huizes (zijn vrouw was
inmiddels flauw gevallen) zich genoodzaakt voelt uit het venster ‘moord!’
te roepen. Schenaert en Van Griecken gaan daarop weg en begeven zich
vervolgens de gehele nacht op straat, waarbij ze ook nog proberen het huis
van de stedehouder van de officier binnen te dringen en die te grijpen en
‘ongemac’ aan te doen.
Na deze wilde nacht hebben beide heren wel door dat dit niet helemaal in
de haak is en vluchten de stad uit. Maar Cornelis komt later toch weer een
paar keer terug in Leiden en wordt uiteindelijk door de schout gevangen
genomen. Op 6 januari 1593 vindt het proces plaats voor de vierschaar van
Leiden. De schout als eiser beschrijft de gebeurtenissen die op de avond
en nacht van 16 november 1592 hebben plaatsgevonden. Hij stelt dat de
gevangene zich al enige jaren terug begeven heeft tot een ‘geheel ontuchtig,
ongebonden, goddeloos en roekeloos leven, van kwaad tot erger gaande’, en dat
deze zich nu heeft laten gebruiken als een ‘gehuijrde dootslager’. De schout
eist dat de gevangene vanuit de vierschaar naar het plein voor ’s Gravenstein
wordt gebracht ‘daer men gewoon es den quaetdoenders te straffen’ om daar
door de scherprechter te worden geëxecuteerd met het zwaard, zodat de
dood erop volgt en dat al zijn goederen verbeurd zullen worden verklaard.
De schepenen van Leiden, die het vonnis moeten uitspreken, zijn gelukkig
voor Cornelis een stuk milder. Na het horen van de eis en conclusie van
de schout, gehoord hebbende het verweer en de verontschuldiging door de
gevangene, gezien ook de aangeleverde bewijsstukken, en de bekentenis
door de gevangene ‘buijten pijne ende bande van ijseren gedaen’, veroorde-
len ze hem tot verbanning uit Leiden, Rijnland, Den Haag en Haagambacht
voor de tijd van 6 jaar, ingaande op de dag dat hij uit de gevangenis zal
worden ontslagen.
Nu zou je denken dat Cornelis zich voorlopig niet meer in Leiden zal ver-
tonen, maar daar vergissen we ons in. Op 7 mei 1593 is hij als gevangene
opnieuw gedaagde in een zaak voor de vierschaar van Leiden. Gijsbrecht
Trijssens, gesubstitueerd schout van Leiden, als eiser stelt dat de gevangene
zich in gehoorzaamheid naar het vonnis had horen te gedragen, maar dat
het hem in tegendeel belieft heeft ‘in cleijnachtinge, jae geheele versmade-
nisse’ omtrent 3 weken geleden bij daglicht weer binnen Leiden te komen
met een ‘onlijdelicke trotsmoedicheijt’ en dat hij vervolgens op 16 april ONS VOORGESLACHT | JAARGANG 761593 weer door de schout en zijn dienaar gevangen is genomen. Hierbij
heeft de gevangene zich tegen zijn aanhouders met een rapier een tijd lang
verweerd. Omdat de gevangene daarmee zijn verbanning, als ‘een gewoonlic
quaetdoender, versmader van de jusitite ende bandijt’ heeft overtreden eist
de schout opnieuw dat de gevangene uit de vierschaar zal worden geleid op
het plein van ’s Gravenstein en dat hij daar door de scherprechter zal worden
geëxecuteerd met het zwaard zodat de dood erop volgt en dat al zijn goede-
ren verbeurd zullen worden verklaard. Ook nu zijn de schepenen een stuk
milder. Na het horen van de verontschuldiging door de gevangene dat hij in
dienst van het gemene land meende te mogen volstaan met zijn verleende
paspoort en ontkenning van zijn verweer bij zijn aanhouding, maar dat het
een misverstand was, verlengen schepenen de verbanning met de tijd van
2 jaar. Deze verlenging gaat, weinig verrassend, direct in na het eindigen van
zijn voorgaande verbanning, zodat hij gedurende de tijd van 8 jaar ingaande
met de dag van zijn vrijlating, de stad Leiden, Rijnland, Den Haag en Haag-
ambacht niet mag betreden. Bij overtreding zal hij ‘in en aan zijn lichaam’
worden gestraft. Hij wordt ook veroordeeld tot betaling van de kosten van
zijn gevangenschap en blijft gevangen totdat hij deze kosten heeft voldaan. 35
Vermoedelijk heeft Cornelis Ghijsbrechtsz. Schenaert zich nu wel aan zijn
verbanning gehouden, want we komen hem niet meer tegen in de crimi-
nele vonnisboeken van Leiden. De enige vermelding uit zijn periode van
verbanning is van 21 september 1596 als hij in Zevenhuizen woont en in
Delft bij een notariële akte optreedt als getuige. 36 Op 11 februari 1602 zien
we hem weer in Leiden.37 Dat is ook gelijk de laatste vermelding die over
hem gevonden is. 
Schenaert, Cornelis Gijsbrechtsz (I12664)
 
1535 In het lidmatenregister van 's Gravenzande van 1668 komen voor " Claes Ariens en Annetje Corsse zijn huisvrouwe. Goeijenbier, Claes Ariensz (I3909)
 
1536 In het Middelpand tegen de schuitegatmeestersbank aan en strekt met het voeteynde pas voorbij 't Wapen
of wat oostelijker als de halve bank. 
Tasman, Ary Maartens (I14313)
 
1537 in het openbaar verkocht aan Matheus Willemsz. Verboon schipper wonende binnen de stad Vlaardingen een stuk patrimoniaal land gelegen in het ambacht van Vlaardingen in de Babberspolder groot volgens akte van meting 3 morgen 95 roeden. Verwijst naar de opdrachtbrief ten behoeve van Gerrit Jansz. Broeck d.d. 3-7-1608 houdende 8 morgen land daarvan het verdere toebehoort Jan Willemsz. Touw van der Burgh voorn. Welke voorsz. portie land gekomen is uit de boedel van de voorsz. Gerrit Jansz. Broeck die grootvader was van Neeltie Willemsdr. Touw van der Burgh. Voor 1130 gld. de morgen, bedragende de gehele kooppenningen van de verkochte 3 morgen 95 roeden de som van 3568 gld. 18 st in contant geld. van Rijn, Cornelis Cornelisz (I12802)
 
1538 In het register der graven in de kerk der Nederlands Hervormde gemeente te Monster komt voor: Nr 19 - Dit graf is in eigendom gegeven aan de erfgenamen van Wilhelmina van Nelle, wed. van A. van der Noll i.p.v. het geroyeerde graf nr 9
In 1760 is dit graf op naam van Grietje van der Spek. 
van Nelle, Willempje (I4531)
 
1539 In huis wijk B, nommer 92 Bregman, Pieter (I5969)
 
1540 In kerk middelpand. van Duivenbode, Johanna Gijse (I14215)
 
1541 In kerk opt koor, nieuw gekocht grafnaast haar vader ten halve strekkende nevens het voeteneinde. de Wit, Maria Claase (I725)
 
1542 In leven zeeman, verongelukt op zee de Bruin, Baarthout Jansz (I2327)
 
1543 In nieuw gekocht graf op het koor. Jol, Jacob Chiele (I4966)
 
1544 In sijn vaders graf
Kerkegeregtigheit 4-0-0 
Fontijn, Sijmon Cornelisse (I13204)
 
1545 In t Middenplein
Hogenda, R.A. Mos Eerder gepubliceerd in ‘Kronieken’ 1993, een uitgave van de Genealogische Vereniging Prometheus 
van Schilperoort, Gerrit Cornelisz (I5432)
 
1546 In zijn eerste huwelijk was Jaroslav getrouwd met een onbekende vrouw. Zij kregen een zoon Ilja, die jong overleed. In 1019 trouwde Jaroslav met Ingegerd (ca. 1001 - 10 februari 1050), een dochter van Olof II van Zweden. Ingegerd was oorspronkelijk verloofd met Olaf II van Noorwegen maar die verloving werd verbroken om met Jaroslav te kunnen trouwen. Zij kregen de volgende kinderen:

Vladimir (1020 - Novgorod, 1052), 1043 prins van Novgorod en onderwierp stammen in het zuiden van Finland. Leidde rond 1045 een mislukte plundertocht naar Constantinopel. Begraven in de Sofiakathedraal van Novgorod. Zijn zoon Rostislav legde de basis voor het groothertogdom Galicië-Wolynië. Rostislav kreeg ook het bestuur over een regio aan de Zwarte Zee en zou daar in 1065 door Grieken zijn vergiftigd.
Anastasia, tweede vrouw van Andreas I van Hongarije, na diens dood non in de abdij van Admont
Izjaslav I van Kiev
Elisabeth huwde met koning Harald III van Noorwegen.
Svjatoslav II van Kiev
Vsevolod I van Kiev
Vjatsjeslav (ovl. ca. 1057), vorst van Smolensk
Anna van Kiev gehuwd met Hendrik I van Frankrijk
Igor, opvolger van Vjatsjeslav als vorst van Smolensk 
Gezin: Jaroslav de Wijze van Kiev / Ingegerd van Zweden (F1730625706)
 
1547 In zijn eijge graf
4-0-0
Pro Deo 
Kervingh, Jan Willemsz (I5467)
 
1548 In zijn eijgen graf in de kerk bij 't choor
Graf No 41
Kerkeregt 4-0-0 
Tuijt, Teunis Dirksz (I5450)
 
1549 Infanterie. Bataljon 1, Compagnie Luit.Kol. De Gumoens Jenner, Abraham (I13609)
 
1550 Informatie in DTB M 1 fol. 103:
Trouwboek Monster, gereformeerd
ondertrouwinschrijving
Bruidspaar: Cornelis Willemsen en Grietjen Philps
Bij de bruid: j:d: van: Heij
Bij de bruidegom: j: m: van: Heij
Algemeen: hier getrouwt den 5 Jun: 1656 
Gezin: Cornelis Willemsz Loij (Hoofdentroost) / Grietje Philipsdr van Dop (Baeck) (F1643367262)
 
1551 Ingekomen met att. van Driebergen 19-12-1839 Bakkenes, Teunis (I5871)
 
1552 Inleiding
Bij toeval stuitte ik op een internetpublicatie van ons HGVS-
lid Ronald van der Spiegel. Ronald doet vooral aan
historisch onderzoek in en rond Den Haag en heeft vele
interessante bronnen op precieze wijze bewerkt in de vorm
van een regest of transcriptie. Hierbij heeft hij een voorkeur
voor de oudere bronnen. In zijn publicatie van de Heilige
Geest van Scheveningen vond ik een akte van 31 maart
1507. Hierin herkende ik een Scheveninger die iedereen met
Scheveningse wortels in zijn kwartierstaat zal hebben. Ook
ontdekte ik zo de vader van deze Scheveninger, wat leidt
tot een voorouder die ongeveer halverwege de 15e eeuw
geboren moet zijn. Deze vondst is de aanleiding tot het
schrijven van dit artikel'. 
Tael, Pieter Heijndricksz (I3642)
 
1553 Int graf van Walich Gerbrandse, getekend: Leendert Gerbrandse tweld vol is, an de Zuidzij van het Middelpant naast Jeronimus Vorselius. Tasman, Maertie Chielsdr (I13148)
 
1554 Int Suijteinde van Delfgauw Clapwijck, Jan Cz van (I4219)
 
1555 Inv. nr. 0775
Serienr. 585 
van der Harst, Daniël (I1637)
 
1556 Invoeren vermeldingen Inhouck, Vranck Oliviers (I3841)
 
1557 Inzake de boedel van wijlen Bastiaan van der Harst: F 258,=

Leendert Cornelisse van der Harst krijgt de helft.
Van de overige helft krijgt vader Aalbert de helft, een kwart dus.
Het overige kwart wordt gelijkelijk verdeeld onder:
Leendert en Pieternelletje de Mos. 
van der Harst, Bastiaan Aalbertsz (I13988)
 
1558 Inzake de nalatenschap van Aagje van Zanten (Santen), weduwe van Willem de Graaf. Ik heb niks over dit stel kunnen vinden (!) Blok, Maria Arentsdr (I13987)
 
1559 J.D. Lock, Genealogie Lock, blz. 14
Burgemeester en Schepen van 's Gravenzande Bij zijn begrafenis werd een koe meegevoerd, die bij opbod werd verkocht ten behoeve van de armen in Naaldwijke en 's Gravenzande.

Zijn stoffelijk overschot werd in zijn geboorte plaats begraven, zoals de "Kerckerekeninghe" van Naaldwijk lopende over het jaar 1619 uitwijst:
Noch een koe voor tlijck van zal Doe Arijensz Lucq ende alsoo Doe Arijensz voors tot Schravesant begraven es ende oversulx gemaect de Schravezantse kerck deen helft van de voors koe ende de wederhelft tot profijte van de Naaldwijckse kerck comt daeromme de somme van 25 L 
Luck, Lucq, Doe Adriaensz (I4667)
 
1560 j.d. woont 's-Gravenzande van Geervliet, Neeltje Jacobsdr (I3890)
 
1561 j.m. van Delfgauw, bouwman, volger van de Zuidpolder onder Delfgauw 1617, schout van Ruiven 1657-1662, gezworene van deZuidpolder onder Hof van Delft 1617 Verspeck (De Loose), Pouwel Jacobsz (I4239)
 
1562 j: m: won: tot Honselaerdijck; j:d: van Naeldwijcker ambacht Gezin: Cornelis Cornelisz van Rijn / Pleuntje Pieters Heemskerck (F1641106340)
 
1563 Jacob Aijckes WARMERINGH, geboren ca.1670 te Laude, O: 1736-'49 te Veele. J. woonde te Veel in huis no.26.
Op 31-01-1710 verhuurt Lucas Haselhoff,erfgesten tot Blijham, voor f. 30,00 per jaar voor 6 jaar een erf genaamd De Luchtenborgh en een stukje land in de Veeler Marcke aan J.
Op 02-03-1713 verkoopt J. voor f. 75,00 een stuk land van ongeveer 1 mud in het Veeler Nielandt aan Lucas Haselhof.
Op 26-05-1713 verkoopt J. voor f. 200,00 een stuk land genaamd De Muggencamp aan het echtpaar Harmannus Aijssens en Trijntien Broers.
Op 27-10-1736 verkoopt J. voor f. 331,00 een huis met 3 tuinen te Veele en een akker van ca. 1 mud voor de helftgelegen in de heide van Veele aan Jacobs Hesse. 
Warmeringh, Jacob Aijkes (I6020)
 
1564 Jacob Corneliszoon 't Hart, Waart in " 't Hart" te Maasland Versijden ('t Hart), Jacob Cz (I3593)
 
1565 Jacob liet op 4 oktober 1174 Robert van Ariën, bisschop-elect van Atrecht en Kamerijk, vermoorden toen die in Condé-sur-l’Escaut de brug wilde oversteken.
Robert reisde met een escorte en onder bescherming van graaf Boudewijn van Henegouwen, de leenheer van Jacob. Boudewijn liet voor straf Jacobs kasteel in Condé verwoesten.
Jacob nam deel aan de Derde Kruistocht en was aanvoerder van de Hollandse, Vlaamse en Noord-Franse ridders tijdens het Beleg van Akko (1189-1191) en de slag bij Arsoef.
Jacob sneuvelde in de slag bij Arsoef en werd de moedigste van de Vlaamse ridders genoemd. 
van Avesnes, Heer van Avesnes Jacob (I14572)
 
1566 Jacob Pouwelsz van der Speck, bouwman te Pijnacker huurde (18 februari 1706) 2 morgen en 200 roe land in de Ackerdijksepolder te Pijnacker. Borg was zijn vader Pouwel Jacobsz van der Speck. [Not.Arch.Delft.inv.2518a.fol.51]. 23 Augustus 1725: Paulus Jacobsz Verspeck geeft gift in gevolge van opdracht gedaan aan JAcob Pouwelsz van der Speck van 6 morgen 150 roeden gelegen in deze jurisdictie, belend ten oosten de Delfgauwseweg. [Giftboek 1668-1732 Abtsrecht GA Delft inc. 117 f. 75] van der Speck, Jacob Pouwelsz (I3985)
 
1567 Jacob Teunisz (Tjoenisz) Droogendijk (alias Pruimendijck), woonde aan de Pruimendijk (ook
Drogendijk genoemd) onder Ridderkerk (1666-1673), en ontleende zijn naam aan die dijk.
Na het overlijden van haar man was Lijntje (zijn weduwe) actief in kopen van land. Zo kocht zij op
7 november 1691 de hofstede 'Overkerk', waar haar zoon Cornelis Jacobsz Stehouwer laater op
woonde. Verder verkocht zij, als weduwe en boedelhoudster van Jacob Teunisz Drogendijck,
geassisterrd met haar zoon Cornelis Jacobsz Droogendijck alias Stehouder aan Cornelis Mastiaansz
Broelingh, wonende Hendrik-Ido-Ambacht, 4 morgen 200 roeden land onder Hendrik-Ido-Ambacht voor
1900 gulden en op 27 april 1697 kocht zij 2 morgen 500 roeden zaailand aan de Ambachtsesteeg 
Droogendijck, Jacob Teunisz (Thoenisz) (I3901)
 
1568 Jacob werd door zijn huwelijk met de weduwe van Cornelis Huijch Arkesteijn (Trijntje Maarten van der Gaegh) eigenaar van de ridderhofstad "Arckelsteijn" wat tot 1378 eigendom was van Jan van Arckel. Jacob noemde zich vanaf toen beurtelings Touw of Van der Hofstede. Circa 1650 werd de naam Hofstede voor vast aangenomen.

Zij hadden 36 morgen land. Jacob was 'welgeboren man' in 1612 en 1614 en ook nog molenmeester in verschillende perioden.

(Recht Archief Wateringen 1652) 
Gezin: Jacob Pietersz Touw (Hofstede) / Trijntje Maertens van der Gaagh, Gaegh (F1601971187)
 
1569 Jacobus van Nelle is kleinzoon.

In de overlijdensakte wordt abusievelijk Gerritje Bouwman als moeder opgevoerd... 
Immerseel, Mattheus (I4744)
 
1570 Jan Abrahams is dan weduwnaar Gezin: Jan Abrahamsz Roeleveld / Willemijntje Arijs Vroegop (F1590224230)
 
1571 Jan Cornelisz. en Hendrick Cornelisz. van Rijn verklaarden verkocht te hebben aan Johannis van Warmen haar comparanten huis, zomerhuis, erf, bargen en geboomte alles staande en gelegen op Honselersdijk. van Rijn, Jan Cornelisz (I8673)
 
1572 Jan heeft Mabelia in 1305 verstoten, op 5 december 1305 gaf hij haar een inkomen uit de tienden van Leerdam. Gezin: Heer van Arkel Jan III van Arkel / Mabelia van Voorne (F1590224484)
 
1573 Jan I werd bijgenaamd De Sterke, hij zou zich eens voor de grap aan de poort van Gorinchem opgetrokken hebben met zijn paard.
In 1267 begon hij met de bouw van het kasteel van Gorinchem. 
van Arkel, Heer van Arkel Jan I (I14554)
 
1574 Jan II heer van Egmond (alias: met de Bellen), geboren circa 1385, overleden op 04-01-1451, begraven te Egmond a/d Hoef (voor beschrijving van grafsteen zie Bloys en Belonje – Kerken NH Deel III blz. 22), volgde in 1409 zijn vader als Heer van Egmond op. Droeg in de oorlog een gordel met zilveren bellen, kwam in conflict met Graaf Willem VI, later met Jacoba van Beieren, zijn slot IJsselstein werd geslecht in 1417. Hij diende de elect in Holland en werd na 1423 regent voor zijn zoon in het hertogdom Gelre, verwierf de heerlijkheid Leerdam in pand, bereikte in 1439 dat zijn heerlijkheid Egmond van het klooster werd afgescheiden. Gehuwd op 24-06-1409 met Maria van Arkel, overleden op 19-07-1415, dochter van Jan V heer van Arkel en Johanna van Gulik.

Hij was een zoon van Arend van Egmont en Yolanda van Leiningen. Jan wordt voor het eerst vermeld in 1405, als hij wordt gevraagd voor een bijeenkomst in Hagestein. Hij volgt zijn vader op in 1409 als heer van Egmont. Jan II van Egmont werd ook wel Jan met de bellen genaamd, wat sloeg op de belletjes op zijn harnas. De man was een vurige Kabeljauw en dus een vijand van Willem VI en Jacoba van Beieren. Hij verloor zijn landgoederen in de Arkelse oorlog en maakte zich na de dood van Willem VI meester van IJsselstein.In het voorjaar van 1417 verraste Jacoba van Beieren met behulp van Hollandse en Stichtse troepen hem, met het beleg van IJsselstein. Na een kort beleg werd bij het verdrag bepaald dat alle muren en poorten geslecht moesten worden en de komende 13 jaren geen ommuuringen mochten worden gebouwd en daarbij moest Jan II van Egmont de gravin Jacoba erkennen onder vernederende voorwaarden. Jan II is daarna naar Brabant gevlucht, waar hij met mede Kabeljauwse ballingen in hetnajaar het beleg van Gor 
van Egmont, Heer van Egmont en IJsselstein Jan II (I4267)
 
1575 Jan III graaf van Egmond (alias Manke Jan), geboren op 03-04-1438 te Kasteel Hattem. , overleden op 21-08-1516 te Egmond a/d Hoef op 78-jarige leeftijd, begraven op 21-08-1516 te Egmond a/d Hoef (nu NH-kerk, voor beschrijving van zijn niet meer aanwezige graf (het zgn. "ledikantje") - zie Bloys en Belonje - Kerken NH Deel III blz. 24 en 25. Zie ook "De nationale positie van het huis van Egmond in de 15de en 16de eeuw" in het jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie 1960 - blz. 33 – 39).Jan van Egmond, werd een der eerste aanvoerders van de Kabeljauwen en bezocht als kruisridder de Heilige plaatsen. Hij volgde in 1483 zijn vader op als heer van Egmond en werd bij diploma van Maximiliaan te Brussel op 12 november 1486 verheven totEerste Graaf van Egmond. Hij was kamerheer van Maximiliaan in 1477, slotvoogd van Gorinchem in 1481. Van 1483 tot 1515 was hij stadhouder van Holland. Hij kocht in 1481 de heerlijkheid Purmerend, verwierf tevens Baer en Lathum, werd in 1491 ridderin de orde van het G

Jan was de oudste zoon van Willem IV van Egmont en Walburga van Meurs. Zijn vader was de jongere broer en voornaamste raadgever van Arnold van Egmont, hertog van Gelre.

Net als zijn vader steunde Jan van Egmont de Bourgondisch-Habsburgse vorsten in de strijd om het hertogdom Gelre. Toen de Bourgondische hertog Karel de Stoute in 1473 de macht in Gelre verwierf, stelde hij Jan aan als baljuw van Zutphen. In 1474 werd hij tevens tot baljuw van West-Friesland benoemd. Eind juni 1474 werd hij bovendien gouverneur van Arnhem.

Omwille van zijn leiderschap van de Kabeljauwse factie (zie Hoeken en Kabeljauwen) werd Jan op 5 augustus 1483 door Maximiliaan I van Oostenrijk aangesteld als stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland, een functie die hij bleef vervullen tot 19 november 1515, de datum waarop hij ontslag nam.

De goede verstandhouding met het Habsburgse huis bleek ook uit het huwelijk dat Jan in 1484 aanging met Magdalena van Werdenburg, een nicht van Maximiliaan van Oostenrijk. In 1486 werd Jan verheven tot graaf van Egmont. Dit hield in dat de heren van Egmont vanaf dat moment geen leenman meer waren van de graaf van Holland maar als rijksgraaf direct onder de keizer van het Heilige Roomse Rijk vielen. Hij werd in 1491 gekozen als ridder in de Orde van het Gulden Vlies.

In november 1488 brak in zijn territoir een Hoekse opstand uit in navolging van het Vlaams verzet tegen het regentschap van Maximiliaan I. De Jonker Fransenoorlog breidde zich vanuit Zeeland uit naar het zuiden van Holland, waar vanuit Rotterdam plundertochten werden gehouden. Jan omsingelde de stad en zette de vaarwegen af, waarmee hij de rust in de omgeving herstelde. Toen de Hoeken ten slotte de stad ontruimden, achtervolgde hij hen naar Zeeland, waar hij hen versloeg en daarmee een einde maakte aan de Hoekse en Kabeljauwse Twisten.

In 1491 werd Jan geconfronteerd met een boerenopstand in West-Friesland. De opstandelingen hadden het voorzien op de hoge belastingen, die zij door de economische crisis niet meer konden opbrengen. Het lukte de stadhouder niet het oproer met vage beloftes te bezweren. De burgers van Alkmaar voegden zich in 1492 bij de boeren en samen veroverden ze Haarlem.

Jan van Egmont riep de hertog van Saksen te hulp. Deze stuurde een leger onder Witwolt von Schaumburg, dat de West-Friezen in Heemskerk in de pan hakte. Deze episode wordt de opstand van het Kaas- en broodvolk genoemd.

Enkele portretten van Jan van Egmont worden bewaard in het Rijksmuseum Amsterdam en het Centraal Museum te Utrecht. Een diptiek, geschilderd door de Meester van Alkmaar, waarop Jan samen met zijn echtgenote staat afgebeeld, wordt bewaard in het Metropolitan Museum of Art te New York.

Jan van Egmont was de vader van bisschop George van Egmont van Utrecht. 
van Egmont, Stadhouder van Holland Jan III (I4268)
 
1576 Jan III van Arkel (ca. 1080 - 1115/1118) was heer van Arkel van de eerste generatie van het Huis Arkel.

Hij was een zoon van Jan II van Arkel en Margaretha van Altena. Jan trok in het contingent van Robrecht II van Vlaanderen mee op de Eerste Kruistocht.
Hij was toen nog een knaap en werd na het bereiken van Jeruzalem tot ridder geslagen door Godfried van Bouillon.
Een sage vertelt over een voorval van Jan van Arkel tijdens zijn reis naar het Heilige Land.
Van Arkel kreeg het aan de stok met een Italiaanse edelman, die beweerde dezelfde wapentekens te dragen.
Men mag ervan uitgaan dat het Huis Arkel voor 1215 ook al een soort wapen had, Van Arkel kon dit niet over zijn kant laten gaan en eiste een duel, dat eindigde in het voordeel van Van Arkel. 
van Arkel, Heer van Arkel Jan III (I14560)
 
1577 Jan IV van Arkel (ca. 1085 - 1143) was heer van Arkel uit de eerste generatie van het huis van Arkel.

Hij was een zoon van Jan III van Arkel en Adelheid van Heusden. Er is maar weinig bekend over Jan IV's regeerperiode.
Hij neemt mogelijk deel aan de diverse acties tegen de Friezen in 1132 en 1133.
Hij huwde met (Aleidis) van der Aare of Elisabeth van der Lippe en kreeg (minstens) een zoon en opvolger Jan V van Arkel met een van hen. 
van Arkel, Jan IV (I14562)
 
1578 Jan IV werd kort na de dood van zijn vader vertrouweling en adviseur aan het hof vanHolland voor Willem IV. Toen zijn halfbroer Jan tot bisschop van Utrecht werd verkozen, trok hij zich terug uit het Hollands bestuur. Zijn macht bleef echtergroeien door het verkrijgen van meer grondgebied.

Dat werd anders zodra graaf Willem IV omkwam bij de slag bij Warns in 1345. De tegenstelling met het geslacht Duivenvoorde werd verscherpt, toen Willem van Duivenvoorde een belangrijke plaats innam in het bestuur van Margaretha van Beieren.
Jan IV sloot zich daarom aan bij Willem V van Holland. Hij steunde zijn halfbroer in het conflict met het Oversticht met een lening en steunde Reinoud III, hertog van Gelre tijdens het Beleg van Tiel in 1350.
De tegenstelling tussen moeder (Margretha) en zoon (Willem V) groeide meer en meer, waardoor Van Arkel hem ook verder in de strijd tegen Margaretha steunde. Hij kreeg daarbij de heerlijkheden van de Lek en Haastrecht toegewezen.
Er werd een Kabeljauwse verbondsakte getekend, samen met drie andere Kabeljauwen, te weten Gerard III van Heemskerk, Gijsbrecht II van Nijenrode en Jan I van Egmont. Dit luidde de Hoekse en Kabeljauwse twisten in.

Zo krijgt Jan IV een belangrijk aandeel in de eerste strijd tussen Hoeken en Kabeljauwen. Hij nam deel aan den slag op de Maas (1351) en was opperbevelhebber bij het Beleg van Geertruidenberg (1351-1352).
Zodra Willem V zich weer verzoende met de Hoeken in 1355 moest Jan IV weer wat landerijen inleveren, wat tot een conflict leidde dat pas in 1359 werd opgelost door middel van leengoederen.

Nadat Willem V wegens krankzinnigheid zijn regering moest neerleggen, stelde Jan IV zich tegenover Albrecht van Beieren op. Jan van Arkel zag liever dat hij en zijn aanhang het bestuur toevertrouwden aan Machteld van Lancaster (1358), vrouw van Willem V.
De vrede kwam echter kort daarop tot stand.

Hij had vier bastaardkinderen. 
van Arkel, Heer van Arkel Jan IV (I3457)
 
1579 Jan Jansz. Breedervelt bekende schuldig te wezen aan de kinderen en erfgenamen van Cornelis Cornelisz. van Rijn over rest van koop van een huising en erf op Honselersdijk de som van 660 gld. van Rijn, Cornelis Cornelisz (I12802)
 
1580 Jan Jaspersz van Alenburch @ ende Aechje Crijnen [N] echteluijden wonende binnen deser stad. Hij ligt ziekelijk te bedde. Ze willen de regering van haar minderjarige naertelaetn kindt, den kint, kinderen ende erfgenamen regelen. Uitsluiting Weeskamer.
G: Philips Teunise van Epenhuijsen @ ende Dirck Arijsen.[+] 
van Alenburgh, Jan Jaspersz (I1559)
 
1581 Jan Jaspersz van Alenburch, wonend te Sgravensande, man van Aechje Krijnen Aerdenhout, mede-erfgenaam ab intestato voor ¼ part van grootmoeders zijde van Pieter Samuelsz van Breen, keurt het akkoord van uitkoop goed namens hem door zijn vrouw, geassisteerd door haar vader Crijn Willemsz Aerdenhout gesloten met Ariaentjen Ariensdr, weduwe van Pieter Samuelsz van Breen op 9 november 1646. Dit betreft de erfenis hem aanbestorven door overlijden van Pieter Samuelsz. Hij verklaart ter voldoening van het akkoord van de weduwe van Pieter Samuelsz een bedrag van 760 gulden te hebben ontvangen. Tot zekerheid draagt hij aan de weduwe een verzegelde brief over, waarin hij onder meer zijn huis en erf aan de zuidhoek van 't Marcktvelt te Sgravensande als borg heeft gesteld. van Alenburgh, Jan Jaspersz (I1559)
 
1582 Jan Pietersz van der Beeck, waard "In de Zwan" te Loosduinen verkoopt voor 1.600 gld. aan Cornelis Corneliszn van Rijn, schipper, zijn schoonzoon, de helft van een woning en de helft van 2 schuiten te Loosduinen. Belending woning: N Phillips Cornelisz 't Hooft; O de Heerweg; Z de Loosduinse Vaart; W de Loosduinse vaart, Philips Jansz Mouringszoen, metselaar. De woning is belast met 45 st. t.b.v. de abdij van Loosduinen; 10 st. t.b.v. de rentmeester Dedel in het Hage. van Rijn, Cornelis Cornelisz (Sr) (I8675)
 
1583 Jan stichtte rond 1020 een kerk te Leerbroek. Jan I vertrok naar het Heilige land vermoedelijk op pelgrimstocht om Jeruzalem te bezoeken.
Vervolgens zou hij in Byzantijnse dienst getreden zijn en was hij aanwezig bij verscheidene acties tegen de Seltsjoek-Turken. 
van Arkel, Heer van Arkel en Heukelom Jan I (I14566)
 
1584 Jan van Arkel werd met zijn vrouw bijgezet in een graftombe in de kerk van Gorinchem.
In 1604 werden de beenderen verwijderd en ergens anders begraven. 
van Arkel, Heer van Arkel Jan I (I14554)
 
1585 Jan werd direct na zijn geboorte verloofd met Elisabeth, de dochter van Eduard I van Engeland aan wiens hof hij ook vanaf 1291 werd opgevoed. Na de dood van zijn vader, in 1296, waarin ook Eduard I een grote rol speelde, aarzelde de koning om hem terug te sturen naar Holland. Hij liet een aantal Engelsgezinde edelen naar Engeland komen, onder wie Jan III van Renesse en Wolfert I van Borselen. Op 7 januari 1297 huwde Jan Elisabeth van Rhuddlan, dochter van de Engelse koning, en mocht hij eind januari, evenwel zonder zijn vrouw, naar Holland terugkeren, onder de belofte dat hij zich hield aan de door de koning toegevoegde raadslieden. Bijna een jaar later, op 10 november 1297, kon hij zijn vrouw in Zeeland ophalen.

In eerste instantie stond de jonge graaf geheel onder invloed van Jan van Renesse. Op 30 april 1297 droeg Jan I, na een machtsstrijd tussen de twee raadsheren, echter het bestuur over aan Wolfert I van Borselen, tot aan zijn vijftiende verjaardag. Na een conflict met het stadsbestuur van Dordrecht werd Van Borselen op 1 augustus 1299 in Delft vermoord. Hierna benoemden de steden Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen, als regent en op 27 oktober 1299 droeg Jan I de regering voor een periode van vijf jaar aan hem over. Twee weken later stierf Jan aan dysenterie, vijftien jaar oud, en met hem stierf ook het Hollandse Huis uit.

Omdat hij geen directe troonopvolgers had, ging het graafschap naar Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen (als Jan II van Holland en Zeeland), zoon van zijn oudtante, Aleid van Holland. Dit was de grondslag voor een personele unie tussen het graafschap Holland en het graafschap Henegouwen, die tot na de Beierse Tijd zou duren. Elisabeth keerde in de zomer van 1300 naar Engeland terug. Pas in 1309 werd een regeling getroffen voor de uitbetaling van haar weduwengoed 
van Holland, Graaf van Holland Jan I (I13819)
 
1586 Jan Willemszn. Corvin trouwde op 10 april 1689 met jannetje Jorisdr. de Boer. Zij kregen samen 10 kinderen.
Jan was een man die wel enig aanzien had in Scheveningen.
Hij was kerkmeester en had een eigen graf in de Scheveningse Kerk, waar diverse van zijn kinderen werden begraven.
Alleen mensen met geld konden zich een graf in de kerk veroorloven, de gewone vissersbevolking werd buiten op het kerkhof bij de kerk begraven.
Mogelijk kwam Jan in goede doen door zijn huwelijk met Jannetje.
Zijn schoonvader Joris Jacobse de Boer was stuurman.
Een stuurman (tegenwoordig schipper) was toen meestal ook de eigenaar van het schip.
Ook schoonvader joris Jacobse had een eigen graf in de kerk. 
Kervingh, Jan Willemsz (I5467)
 
1587 Jan wordt voor het eerst genoemd in een Latijnse kroniek uit 1253, daarin staat hij vermeld als Johannes miles dominus de Arkele (Jan, ridder, Heer van Arkel). Daarna wordt hij nog meerdere malen in aktes over beleningen genoemd.

In 1253 komt hij samen met zijn broer Herbaren voor in een akte als getuige voor Jan I van der Lede.

Op 25 juni 1254 is Jan getuige bij een verbond van Jan van der Lede en Hugo van Arkel om Floris van Dalem het bezit van Dalem te vergeven als leenbeheer.[1]

Hij nam deel aan de oorlogen met de opstandige West-Friezen, onder leiding van zijn leenheer Willem II van Holland. Krijgt rond 1260 het leengoed van den Berghe (hedendaagse Bergambacht) toegewezen van het Graafschap Holland, die hij in lening geeft aan zijn broer Herbaren.

Op 29 oktober 1263 beleent Jan ene Otto met Slingelandt.

Op 23 augustus 1264 verleent hij samen met Willem van Brederode het recht aan Hendrik van Alblas om een watergracht of kanaal te graven (Jan wordt dan voor het laatst vermeld in een document) 
van Arkel, Heer van Arkel Jan I (I14554)
 
1588 Jannetge Claesdr. weduwe van Isbrant Phillipsz. Heemskerck geassisteerd met Jan Claesz. van der Valck, Sijmen Pietersz. van Schagen, Willem Jansz. van Geest en Cornelis Dircksz. Boogert haar voogden, Leendert en Jacob Sijmensz. van der Ent, Dirck Sijmensz. van der Meer, Adriaen Claesz. Berckel, Willem Vrancken van Rijt en Cornelis Cornelisz. Rodenburgh te samen als voogden van de twee nagelaten weeskinderen van de voorn. Isbrant Phillipsz. Heemskerck bij namen Phillippus Isbrantsz. en Arijaentje Isbrantsdr. beide geprocreerd bij wijlen Leentje Sijmensdr. van der Ent de voorn. Isbrant Phillipsz. eerste vrouw was, en nog de voorn. Willem Vrancken van Rijt en Cornelis Cornelisz. Rodenburgh als voogden van de twee nagelaten weeskinderen van de voorn. Isbrant Phillipsz. met namen Leentjen Isbrantsdr. en Dirck Isbrantsz. beide geprocreerd bij de voorn. Jannetje Claesdr. de voorn. Isbrant Philllipsz. laatste huisvrouw en nagelaten weduwe, bekenden te weten de weduwe voor de ene helft en de voogden v van Rijn, Cornelis Cornelisz (Sr) (I8675)
 
1589 Jannetge Pietersdr. weduwe van Willem Willemsz. Hogenwerff onze inwoonster bekende in het openbaar verkocht te hebben aan Cornelis Cornelisz. van Rijn wonende op Honselersdijk een huis en erf binnen het dorp van Wateringen. van Rijn, Cornelis Cornelisz (Sr) (I8675)
 
1590 Jannetje Jans, weduwe van Pouwels Ariens van Dijck, wonende in het ambacht Naaldwijk,
geassisteerd met Willem Jans Thou haar broer als voogd, verkoopt op 23 april 1635 aan mr.
Georgius van der Velden te Haarlem 4½ morgen eigen tarwepachtland, wei- en bouwland,
gelegen in 2 percelen, voor 2350 gld. Haar kinderen, Arij Pouwels van Dijck, Jan Pouwels
van Dijck ‘geseijt Jan Thou’, Jan Vrancken van Velden, man van Soetgen Pouwels, Jacob Jans
van der Baers, man van Neeltgen Pouwels en (oude) Jan Pouwels van Dijck, mede namens
Jacob, Neeltgen en Maertge Pouwels en de weeskinderen van Hilletge Pouwels, geven hun
goedkeuring aan de verkoop. 
Touw van der Burgh, Jannetgen Jansdr (I4444)
 
1591 Jannetje Adriaensdr was de dochter van Adriaen Pietersz Luck. In eerste huwelijk was ze getrouwd met Lenert Jansz Pellenaer "in sijn leven stuijerman ter heij". Hun zoon was Jan Lenertsz Pellenaer.

In tweede huwelijk trouwde zij met "Jan Meesz rechtop timmerman tot Monster". Deze was eerder "weduwnaar ende boelhouder van za Antgen Claesdr zine overledenen huijsvrouwe".

Op 11 mei 1587 beloofde Jan Meesz aan de erfgenamen van zijn vrouw 626 carolus guldens uit te keren, 2 carolus guldens aan de armen te betalen en de kleren van zijn overleden vrouw aan de erfgenamen uit te reiken (22).

Op 27 januari 1588, inmiddels in tweede huwelijk getrouwd, beloofde Jan Meesz "vuijten naeme ende als getroudt hebbende Jannetje Ariaensdr wede ende boelhouster van Lenert Jansz Pellenaer" uit te keren aan het weeskind Jan Lenertsz Pellenaer":
1) de opbrengst van de verkoop van de kleren van de overleden vader, 512½ gulden in drie termijnen te betalen,
2) een huwelijksuitzet van 63 gulden. Verder zou hij aan de armen 3 gulden uitkeren en de moeder nam op zich haar kind te onderhouden (23).

Op 26 januari 1588 maakte Teuntgen Tonisdr, weduwe en boelhouster van Jan Gerritsz Pellenaer "in sijn leven stuijerman ter heide za" voor haar kleinzoon Jan Lenertsz Pellenaer en voor haar dochter Stijntgen Jansdr een geldelijke regeling. Ze beloofde "Dzelve kinderen ende erffgenamen zulx voor vuijtcope" 1600 gulden (24).
Toen Jannetje Adriaensdr als weduwe en Jan Meesz als weduwnaar met elkaar trouwden, hadden ze elk hun inboedel.

Op 12 april 1588 gingen ze het overtollige verkopen (25) en in het Boelhuisboek staat genoteerd: "Op de volgende conditien ende voorwaerden wil Jan Meesz rechtop timmerman tot Monster Boelhuis houden ende vercopen seeckere huijsraet ende anders".
In ditzelfde Boelhuisboek lezen we gedateerd 24 april 1588: "Op de navolgende conditien ende voorwaerden willen den voochden van naergelaten weeskint van Lenert Jansz Pellenaer za vercopen zeeckere kleren" (26). Het huwelijk van Jannetje Adriaensdr en Jan Meesz heeft slechts enkele jaren geduurd. In 1593 blijken man en vrouw van het aards toneel verdwenen te zijn. De enige erfgenaam van Jannetje Adriaensdr was haar zoon Jan Lenertsz Pellenaer, voor wiens belangen de voogden naar behoren gezorgd hebben.

De nagelaten goederen van Jan Meesz en Jannetje Adriaensdr kwamen rechtens toe aan de broers van Jan Meesz en aan het kind van Jannetje Adriaensdr. Men ging de goederen verkopen en deelde aan het publiek mede: "Op de navolgende conditien ende voorwaerden sullen de gemene broeders ende erfgenamen van sa Jan Meesz in sine leven timmerman alhuer metten voochden van des selffs Jan Meesz s laeste overgeleden huijsvrouwe weeskinds boelhuijs houden en vercopen Allerhande huijsraet ende inboel als van Bedden linnen tinnen mans ende vrouwen cleren mitsgaders seeckere hout ende andere opten xvl februari 1593 (27). Na de verkoop van de roerende goederen ging men, eveneens op 16 februari 1593 het onroerende goed van de hand doen.

Zo verkochten Joris Meesz decker tot Monster, Philips Meesz decker tot Loosduinen en Maerten Meesz ter heijde" "ende oversulcz erffgenamen van wijlen sa Jan Meesz in sijn leven timmerman tot Monster" en Doe Arentsz Luck, Willem Arentsz Luck beijde tot Sgravesande en Pieter Arentsz Luck vleijshouwer in den hage voochden van Pellenaer Lenerts tnagelaten weeskint van wijlen Jannetgen Adriaensdr hare suster" aan Jan Pietersz Rechtop timmerman het huis van Jan Meesz. Jan Pietersz erkends hiervoor schuldig te zijn 900 carolus guldens. Contant betaalde hij 300 gulden. De rest zou hij in jaartermijnen van 60 gulden betalen (28).
Op 12 december 1593 verkochten de erfgenamen van Jan Meesz een huis te Terheide voor de prijs van 700 carolus guldens. Contant zou betaald worden 120 carolus guldens, verder met jaarlijkse aflossing van 27 carolus guldens (29).

Ten slotte verkochten de erfgenamen aan "Pieter Adriaensz Lucq vleijshouwer in den hage ende Willem Adriaensz Lucq backer tot Sgravensande" "een seeckere boe ende droochtuijn" te Terheide plus een kwart van "Seeckere bornput" voor in totaal "40 ponden grooten vlaems" waarvan "seven ponden vlaems gereet" en verder "Vijfthien carolus gulden Jaarlijks" (30).

Op 20 januari 1596 compareerden voor "Bailliuw ende weesmeesteren van Monster" de verschillende voogden van Jan Lenertsz "omme met malcanderen int vrundelicke te verdragen ende te vergelijcken van de goederen ancomende dvoorsz Lenertsz". Deze had "tsaemen een somme van sestijenhondert ses en twintich carolus gulden acht stuijvers drije penningen in hooftsomme alle weeskint tvoordele comende". Verder kwamen hem gelden toe uit de erfenis van zijn overleden grootmoeder Teuntgen Tonisdr. Bailliuw en weesmannen keurden de gehele regeling goed (31). 
Luck, Jannetgen Adriaensdr (I3618)
 
1592 Jaroslav werd begraven in de Sofiakathedraal in Kiev. Volgens een Scandinavische overlevering zou hij kreupel zijn als gevolg van een pijlwond. Onderzoek van het skelet van Jaroslav heeft dat bevestigd. van Kiev, Jaroslav de Wijze (I14609)
 
1593 Jaspar Arents van Marevelt van Maarlevelt, Jasper Arentsz (I974)
 
1594 JD laatst gewoond hebben de te Heukelom Gezin: Jacobus Bakkenes / Trijntje Pietersdr van Breene (F1590222555)
 
1595 JD thans wonende te De Lier Gezin: Martinus van Vliet / Magteld Pleunsdr Noordam (F1590222571)
 
1596 JD van Catwijck op zee Gezin: Jop Claessen Pronck / Nelletje Leenderts (F1640166407)
 
1597 JD van de Korendijk Gezin: Lucas Jcz Verkooren / Jobje Lucasdr Vreugdenhil (F1590222566)
 
1598 JD van De Lier. van der Meijde, Baaltje Michielsdr (I4207)
 
1599 JD van Delfgauw Gezin: Arend Dircxsz Koppert / Jannetje Klapwijk (F1590222578)
 
1600 JD van Delft van der Maas (Maes), Marrigje Govers (I4199)
 
1601 JD van Naaldwijk van Velse, Ariaentje Willems (I4710)
 
1602 JD van Noordwijk Binnen, wonend te Scheveningen. Gezin: Olivier Teunisse Koen / Maartie Dirks (F1640167754)
 
1603 JD van Schipluiden van der Korpershoek (Carpershoeck), Grietje Pdr (I1194)
 
1604 JD van Ter Heijde Gezin: Jacob Arijens Plugge / Catharina Everts Knoester (F1590223242)
 
1605 JD van Ter Heijde Gezin: Philip Arends Spaans / Margrieta Jans Baak (F1590223404)
 
1606 JD van Ter Heijde wonend te 's Gravenzande Gezin: Hendrik van Alenburgh / Geerke Olivierse Koen (F1590223856)
 
1607 JD van Vlaardingen wonend te De Lier Gezin: Arend Dircxsz Koppert / Maartje Pieters Korpershoek, Holierhoek (F1590222605)
 
1608 JD van Voorthuizen Gezin: Reijer Willemsz van Rootselaar / Hilletje Jansen (F1590223978)
 
1609 JM en JD van Schevening Gezin: Jacob Roeleveld / Volkje Jorisse Buitenhek (F1643448027)
 
1610 JM laatst gewoond hebbende tot Wateringen
JD wonende alhier 
Gezin: Johannes van Nelle / Anna Wdr van Santen (F1590222580)
 
1611 JM uit de Kaag? Of de Haag? Gezin: Jan Cornelisz van der Key / Lijsbeth Jansdr Boon (F1590223862)
 
1612 JM van 's-Gravenhage, woonachtig te Ter Heijde Gezin: Klaas Klaesz Hogeveen / Johanna Jdr Schoonbroot (F1590223508)
 
1613 JM van 's-Gravenzande Gezin: Adriaen Jz Luck / Gooltje Jorisdr (F1590222657)
 
1614 JM van 's-Gravenzande tot Schiplui
JD wonende te Maassluis 
Gezin: Korstiaan Claasz Goeijenbier, Gojenbier / Lijsbeth Oliviers van Santen (F1590222523)
 
1615 JM van Catwijk aan zee Gezin: Teunis Cornelisse van der Boon / Jannetje Janse Taal (F1590223218)
 
1616 JM van Doesburg
JD van Honsholredijk

16 is wel erg jong om te trouwen voor hem.
Bovendien scheelt hij 7 jaar met Gerritje ...
Gezien hij bij huwelijk als JM wordt voorgesteld moet hij ouder zijn.
Verder geen overeenkomende akten gevonden. 
Gezin: Arend Arendsen Wijgman / Gerretje Bouwman (F1590222910)
 
1617 JM van Honselersdijk
JD van Honselersdijk 
Gezin: Jan Cornelisz van Rijn / Lijsbeth Daniëls van Hamburch (F1640166268)
 
1618 JM van Honsholredijk Gezin: Anthonij Bouwman / Anna Cornelisse van der Wegt (Wegh) (F1602038920)
 
1619 JM van Loosduinen, wonend te Haagambacht
JD van Wateringen, wonend te Haagambacht 
Gezin: Pieter van der Lee / Anna Maria van der Kruck (F1590224602)
 
1620 JM van Maasland Swaenswijck, Michiel Jacobse (I1195)
 
1621 JM van Maasland Swaanswijk (Swaenswijck), Leendert Chielen (I4718)
 
1622 JM van Maasland, Zuidbuurt Gezin: Pieter Cz Breghman / Lysbet Claes van Haemeren (F1590223527)
 
1623 JM van Monster en aldaar woonachtig Gezin: Dirk Jansz Cuvenhoven / Trijntje Hubertse van der Sande (F1590222529)
 
1624 JM van Naaldwijk
JD van Monster 
Gezin: Paulus Lambertsz Herbert / Klaasje Arents van Es (F1590224777)
 
1625 JM van parochie van De Lier.
JD geboren onder De Ketel, wonend in De Lier. 
Gezin: Pieter Lz van Dijk (Dijck) / Geertje Gdr Korpershoek (Karpershoek) (F1590223055)
 
1626 JM van Rozenburg, wonende tot Maasland
JD van De Lier, wonende tot Maasland 
Gezin: Japik Cornelisz Noordam / Trijntje Maartensdr van Santen (F1590223485)
 
1627 JM van Santvoort Gezin: Cornelis Crijne Harteveld / Lysbeth Wouters Pronk (F1640166180)
 
1628 JM van Santvoort Gezin: Arij Crijnen Hartevelt / Immetje Egberts van Vollenhoven (F1640166236)
 
1629 JM van Scheveningen Gezin: Jan Janse Turfboer / Pietertje Leendertsdr Jonker (F1640166441)
 
1630 JM van Schipluiden van der Meijden, Michiel Leendertsz (I1193)
 
1631 JM van Schipluiden won De Lier
Attestatie gelicht den 24 dito om tot Schipluij te trouwen 
Gezin: Isaack Dircksz van der Eijck / Hilletje Cornelisdr van der Meer (F1590223547)
 
1632 JM van Ter Heijde Gezin: Jan Evertse Knoester / Helena Huijbertse Heijn (F1590224210)
 
1633 JM van Ter Heijde Gezin: Jan Evertse Knoester / Geertje Jans Thielmans (F1590224211)
 
1634 JM van Zegwaart en
Wed van Huijbert Hijligerboom 
Gezin: Gerrit Immerseel / Jannetje Victory (F1590224683)
 
1635 JM wonend onder het ambacht van Monster Gezin: Gerrit Leendertsz van der Kruck / Catharina Arentsdr Luck (F1590222521)
 
1636 JM wonend te 's-Gravenzande. (Bernhardus Willemse)
JD wonend te Maassluis 
Gezin: Bernardus Willemse / Aaltje van der Smient (F1590223056)
 
1637 JM wonend te alhier Gezin: Jacob Bastiaensz van Hal / Annetje Korssen Goeijenbier (F1590222496)
 
1638 JM wonend te Spaland Gezin: Leendert Pietersz van Dijk (Dijck) / Ariaantje Govertsdr Boeckesteijn (F1590223057)
 
1639 JM wonend te Zandambacht
JD wonend te 's-Gravenzande 
Gezin: Pouwels Jansz van Reijgersbergen / Ariaentje Jans van Alenburgh (F1590223571)
 
1640 JM wonend te Zoetermeer
JD van 's-Gravenzande 
Gezin: Lambert Lambertsz Herbert / Neeltje Pauwels Reigersbergen (F1590223534)
 
1641 JM wonende in Den Hage Gezin: Abraham Jacobse Roeleveld / Pietertje Jansdr Houtman (F1590223400)
 
1642 Joanna van Henegouwen was een hertogin van Jülich (Gulik) door huwelijk met Willem V, hertog van Jülich.
Ze was de derde dochter van Willem I, graaf van Henegouwen en Joanna van Valois.
Ze was een jongere zus van Philippa van Henegouwen, koningin van Engeland en Margaret II van Henegouwen. 
van Holland, Johanna (I3464)
 
1643 Joannes Naaldwijk? van Mechelen, Jeremias (Johannes) Romboutsz (I3917)
 
1644 Job kocht voor 300 gulden een huis aan de Keizerstraat (28-8-1627), hij verkocht het pand in voor 50 gulden aan zijn zoon Cornelis Joppen Pronk

http://www.scheveningse-taal.nl/indexopnaam/indexopnaam.htm
Job Corneliszn. Pronck, * mog. Scheveningen ± 1565, † ald. , cagenaar, de Coomen (koopman), wo. 1642 te Amsterdam en verkocht op gemakkelijke betalingsvoorwaarden een huis met erf aan de Keizerstraat, dat hij zelf op 28 augustus 1627 heeft gekocht,verkoopt aan Cornelis Jobsz Pronck. De Scheveningse Pronken zouden dan afstammen van ene Cornelis die omstreeks 1545 geboren moet zijn. Mogelijk is ook dat de naam Pronck, die al eerder werd gedragen door ene Aertgen Pronc en die omstreeks 1555 inScheveningen woonde naast Trijn ´t appelwijf, op een van de meer voorkomende "Scheveningse manieren" via de moeder in mannelijke lijn werd doorgegeven. Job tr.: Josijntje Maertens, Appelverkoopster op de appelmarkt te Amsterdam (1639).
Bron: document Scheveningers 
Pronck, Job Cornelisz (I4903)
 
1645 Johannes (Jan Davidse) van der Houwen, blikslager, verver. Jan Davidsse (zoals hij in notariele akten ondertekent) woont te Delftshaven aan de oude haven aan de zuidkant van het stadhuis. In een akte van 5 september 1725 vermaakt hij aan Margarethe, David en Willem 150 guldens. Leven de andere kinderen dan niet meer? Jan bezit bij zijn overlijden o.a. een paar silveren schoengespen, de begrafenis kost 39.11.00 de lijkdragers krijen een daalder de man, de doodskist kost 13.00.00, aan ham wordt gegeten 3.00.00 brood, koek en boter 2.10.00, wijn4.00.00 en tabak 1.10.00!
Na zijn overlijden krijgt Margaretha, de weduwe van IJsbrant Westerheij 862.10.00 op 1 juni 1743 voor 6 jaar, 8 maanden en 1 week inwoning! 
van der Houwen, Johannes (I85)
 
1646 Johannes (wordt bij de geboorte v.d. kinderen Jan Gerrits genoemd en
bij de laatste kinderen Jan Gerrits van Heek), en Lubbertje van
Hakvoort, won. Veenendaal 
Geerlink (van Heek), Johannes Gerritsz (I2472)
 
1647 Johannes is wonend onder Zandambacht. Gezin: Johannes van der Houwen / Thonia Bouwman (F1590222559)
 
1648 Johannes was omstreeks 1653 gelegerd in het Garnizoen van Venlo (Holland). Hij keerde voor 1657 terug naar Ulm am Donau Küderlin, Johannes Hans (I3794)
 
1649 Jol, Alida
Jol, Arij
Jol, Arij Giele
Jol, Cornelis
Jol, Gieltje
Jol, Marijtje
Jol, Michiel
Plas, Gornelis Teunisse van der
Roeleveld, Wouter
Spaans, Cornelis
Toet, Aaltje Arentze
Toet, Arij
Toet, Jan
Vrolijk, Jannetje Maartensdr., 
Toet, Aaltje Arens (I5717)
 
1650 jongedochter op Snidler (= Sniddelaar). Ceeltje Jansen (I1815)
 
1651 jongedochter, wonend Ambacht van Dorp, Noordam, Maartje Cornelisdr (I4877)
 
1652 jongeman wonend Ambacht van Ruijven

Mees erfde de boerderij die ten oosten grensde aan de Zuideindseweg en ten zuiden aan de Ruyvense Molensloot. De waarde, na aftrek van lasten, bedroeg ƒ 7.986,30 Dat vertegenwoordigde een heel hoge waarde voor die tijd. Hij was Nederlands Hervormd,maar kwam in conflict met de predikant van Maasland. Dat was Ysbrandus Kouwenhoven. Mees hield "oefeningen", samen met Willem van der Vaart. Mees werd ondanks tegenwerking van de predikant en kerkenraad van Maasland (ze kwamen niet bij zijn examen) officieel "oefenaar" met toestemming van een commissie van de Classis Delfland. [bron 36] 
van der Speck, Mees (I4822)
 
1653 jongeman wonend te Delfgauw Gezin: Abraham van der Speck / Trijntje Jansdr van der Hoeven (F1590224094)
 
1654 Jongere jaren

Robrecht de Fries was de tweede zoon van graaf Boudewijn V van Vlaanderen en van Adela van Frankrijk. Volgens Lampert van Hersfeld trok hij als jonge man de wereld rond en streed hij in Spanje en Griekenland, maar die verhalen berusten op fantasie. Vermoedelijlk verbracht hij zijn jeugd gewoon in Vlaanderen, tot zijn vader hem koppelde aan Geertruida van Saksen, de weduwe van graaf Floris I.
Regent van West-Frisia

Na zijn huwelijk met Geertruida in 1063, vestigde Robrecht zich in West-Frisia. Dit graafschap was vanouds een deel van Frisia, vandaar dat Robrecht al tijdens zijn leven de bijnaam "de Fries" kreeg. Hij deed ten gunste van zijn oudere broer Boudewijn VI, en diens zoon Arnulf III, afstand van zijn aanspraken op het graafschap Vlaanderen. In het najaar van 1070 werden Robrecht en zijn gezin echter uit West-Frisia verjaagd door Willem van Gelre, de bisschop van Utrecht en hertog Godfried III van Neder-Lotharingen. Ze moesten vluchten naar Gent.
Vlaanderen

Na het overlijden van Boudewijn VI in 1070 en na het verlies van West-Frisia, kwam Robrecht terug op zijn afstand van Vlaanderen en greep de macht in het graafschap, ten koste van zijn neef Arnulf die de rechtmatige erfgenaam was. Arnulfs moeder, Richilde van Henegouwen, zocht in Normandië steun bij haar zwager Willem de Veroveraar, de man van haar schoonzus Mathilde van Vlaanderen. Ook kreeg zij de steun van koning Filips I, die de belangen van zijn rechtmatige vazal verdedigde. Richildes leger werd op 20 februari 1071 in de slag bij Kassel echter verslagen. De jonge Arnulf werd gedood, en Robrecht was voortaan de graaf van Vlaanderen.

Nauwelijks een maand na de nederlaag bij Kassel trok Richilde met een gezamenlijk Henegouws en Frans leger ten strijde tegen Robrecht de Fries. Robrecht was in het defensief, maar haalde toen een slimme diplomatieke zet uit. Hij had voordien in Kassel Eustaas, graaf van Boulogne, gevangengenomen. Deze was tevens de broer van Godfried, bisschop van Parijs en kanselier van Filips I. Door een goed woord van laatstgenoemde bij de Franse koning en de vrijlating van Eustaas, zag Filips I af van verdere steun aan Richilde. Robrecht de Fries verzoende zich met de Franse koning en gaf hem zijn stiefdochter Bertha van Holland tot vrouw.

Richilde probeerde nog een laatste keer om Vlaanderen te heroveren voor haar jongere zoon Boudewijn. Ze sloot een nieuw bondgenootschap met de bisschop van Luik, Godfried III met de Bult, hertog van Neder-Lotharingen, Willem I, bisschop van Utrecht, en de bisschoppen van Verdun en Kamerijk alsook de aartsbisschop van Keulen. Robrecht besloot echter om keizer Hendrik IV te huldigen voor Rijks-Vlaanderen. In ruil daarvoor zorgde Hendrik ervoor dat zijn vazallen en bisschoppen Richilde niet meer steunden. De grote veldtocht tegen Vlaanderen, die Richilde in gedachten had, kwam er niet, en het conflict doofde uit.
Strijd tegen de bisschop van Utrecht

Toen Robrecht in Vlaanderen stevig in het zadel zat, hielp hij zijn stiefzoon Dirk V om het graafschap West-Frisia te heroveren. Ze organiseerden samen een aanslag op de hertog van Neder-Lotharingen Godfried met de Bult. Deze werd in Vlaardingen, toen hij 's nachts het toilet bezocht, gespietst met een scherp wapen. Hij stierf op 26 februari 1076. Een paar maanden later, op 8 juni 1076, versloegen Robrecht en Dirk de bisschop van Utrecht in de Slag bij IJsselmonde. Dirk V kwam weer terug als graaf en hij bestuurde Holland tot zijn dood in 1091..
Betrokkenheid bij de Engelse troon

De betrekkingen met de Engelse koning Willem de Veroveraar waren na de slag bij Kassel in 1071 verre van vriendschappelijk. Willem de Veroveraar had toen een contingent Normandiërs gestuurd om Richilde te steunen in haar strijd tegen Robrecht. Robrecht steunde de aanspraken van zijn schoonzoon Knoet IV van Denemarken op de (verloren) Engelse troon. Samen waren zij van plan een vloot van 1600 schepen naar Engeland sturen. Het kwam echter niet zover; door een broedertwist tussen de twee Deense prinsen Knoet IV en Olaf. Olaf werd gevangengenomen en naar Robrecht gestuurd. Maar kort daarop, op 10 juli 1086, werd Knoet IV vermoord. Olaf I van Denemarken mocht na betaling van een aanzienlijke som losgeld naar Denemarken terugkeren.
Pelgrimstocht naar Jeruzalem

Robrecht de Fries had het plan opgevat om op pelgrimstocht naar Palestina (het "Heilige Land") te trekken (1086–1091) (dus nog geen decennium voor de Eerste Kruistocht). Dus de positie van de christenen was er niet dramatisch slecht en de kruistochten dienden vooral andere belangen.[1] In 1086 vertrok hij vergezeld door een klein leger uit Vlaanderen. Hij liet het bestuur van het graafschap in handen van zijn zoon, de latere Robrecht II.

Robrecht de Fries verbleef twee jaar in Jeruzalem. Bij zijn terugkeer knoopte Robrecht betrekkingen aan met de Byzantijnse keizer Alexius Comnenus, aan wie hij militaire hulp verleende in diens strijd tegen de Seltsjoeken.[2] In een gevecht reden Robert en drie van zijn metgezellen voor de hoofdmacht van het leger uit in een charge tegen troepen onder commando van Kerbogha, wiens troepen in dit gevecht door de christenen volledig uit elkaar werden geslagen.

Hervormingen

Robrecht de Fries staat bekend om zijn binnenlandse hervormingen die hem in staat stelden met de steun van de steden het grafelijk gezag te verstevigen, ten nadele van de voorrechten van de adel en de geestelijkheid. Dit ging niet vanzelf. Arnoldus, bisschop van Soissons en latere stichter van de abdij in Oudenburg, ging in 1083 op reis door het graafschap om de vrede te herstellen tussen de graaf en de adel. Arnoldus zou sterven op 15 augustus 1087 te Oudenburg gedurende een tweede vredestocht. Robrecht de Fries voerde het ambt in van grafelijke kanselier en bevorderde de ontluikende handel. Hij was bovendien geïnteresseerd in letteren en wetenschappen.

Hij maakte van Brugge een Europees handelscentrum. Door de begrippen godsvrede en -bestand na te leven, bevorderde hij ook de vrede met naburige graafschappen. Brugge werd ook een politiek centrum en hierdoor verplaatste zich het overwicht van het meer Gallicaanse Zuiden naar het meer Dietse Noorden. Hij verbleef vaak in Brugge en bouwde ook een kasteel in Wijnendale waar hij vaak verbleef. Daarnaast verbleef hij soms ook in het kasteel van Veurne.

Robrecht was een bondgenoot van paus Gregorius VII, maar in de praktijk hield hij zich niet aan diens Gregoriaanse hervorming. Hij bemoeide zich namelijk zelf nadrukkelijk met bisschopsbenoemingen 
van Vlaanderen, Graaf van Holland Robrecht I (I14653)
 
1655 Joost Dedel en Cornelis Anthonisz. van Hambrouck, Schepenen van Den Haag oorkonden, dat Mr. Nicolaas Cromholt, raad van den Hove van Holland, verklaarde schuldig te zijn en verkocht te hebben aan Cornelis Michielsz., Cornelis Jansz., Arien Claesz. en Lenert Jacobsz. Gasthuismeesters van Scheveningen, ten behoeve van het gasthuis een losrente van F. 12.- 's jaars, te lossen met de penning 18, terwijl hij deze rente verzekerd heeft op een partij land in Oost-Escamp in Haagambacht, volgens de meting van Floris Jacobsz. groot 1 morgen 5 hont en 64 roeden, belend ten N. Mr. Nicolaas Cromholt zelf, ten O. de erfgenamen van Jan Apersz. tot Delft, ten Z. de heer Cromholt zelf en ten W. dezelfde. van der Harst, Lenaert Jacobs (I5486)
 
1656 Joris Meesz. dekker te Monster, Philips Meesz. dekker te Loosduinen en Maerten Meesz. op Ter Heijde gebroeders en erfgenamen van wijlen Jan Meesz. in zijn leven timmerman te Monster voor de ene helft, Doe Arentsz. Luck, Willem Arentsz. Luck beiden te ’s-Gravenzande en Pieter Arentsz. Luck vleeshouwer in Den Haag ooms en voogden van moederszijde van Pellenaer Lenertsz. nagelaten weeskind van wijlen Jannitgen Aeriaensdr. hun zuster in haar leven huisvrouw van voorsz. Jan Meesz. zijnde geassisteerd met Gerrit Dammisz. van der Baen als weesmeester en met instemming van Teuntgen Teunisdr. de grootmoeder van vaderszijde van het voornoemde weeskind voor de andere helft, bekenden dat zij op 26 januari 1593 verkocht hebben aan Jan Pietersz. Rechtop mede timmerman een huis en erf binnen het dorp van Monster waar voorn. Jan Meesz. in gewoond heeft. Luck, Jannetgen Adriaensdr (I3618)
 
1657 Judith van Beieren, ook Judith Welf of ook Judita van Aldorf (ca. 805 - Tours (Frankrijk), 19 april 843), was de tweede vrouw van Lodewijk de Vrome der Franken. Ze is begraven in de Basiliek van Sint-Maarten te Tours.

Judith werd als tweede vrouw van Lodewijk gekozen na een soort schoonheidswedstrijd, maar haar belangrijke familieconnecties in Zwaben, Beieren en Saksen zullen ook een rol hebben gespeeld. Zij ontving bij haar huwelijk het klooster San Salvatore bij Brescia. Zij had een grote invloed op het beleid van Lodewijk en speelde steeds een belangrijke rol om de positie van haar zoon Karel te versterken en om hem van bondgenoten en troepen te voorzien. Zij begunstigde vooral de Saksische abdijen. Zobezat de Abdij van Corvey nog 700 jaar lang een kostbaar kruis dat Judith had geschonken en werd er tot 1803 ieder jaar "Judithsbrood" uitgedeeld aan de armen.

In februari 819 trouwde ze te Aken met Lodewijk de Vrome. Ze werd moeder van Gisela van Francië (820-5 juli 874) en Karel II de Kale van West-Francië. Haar zuster Emma trouwde in 827 met Lodewijk de Duitser (en werd zo dus tevens haar stiefschoondochter). Ze was de grootmoeder van Judith van West-Francië, naar haar genoemd en gehuwd met de eerste graaf van Vlaanderen, Boudewijn I.

Zij was dochter van graaf Welf van Altdorf, op zijn beurt zoon van Rothard van de Argengau(?). Haar moeder was Eigilwich, die in 826 abdis werd van de Abdij van Chelles. Eigilwich was dochter van de Saksische edelman Isanbarth en Theodrada, op haarbeurt dochter van Bernard (Karolingen) en in 810 abdis van Notre Dame te Soissons geworden.

Judith van Beieren staat in de geschiedenisboeken beschreven als heerszuchtig en wellustig en zelfs overspelig, maar hiervoor zijn geen bewijzen. 
van Beieren, Keizerin - Gemalin van het Heilige Roomse Rijk Judith (I5989)
 
1658 Judith van West-Francië, een dochter van Karel de Kale, die op 1 oktober 856 te Verberie-sur-Oise, 12 jaar oud, met de toen bijna 60-jarige Æthelwulf trouwde.
Zij hadden geen kinderen. Volgens Frankisch gebruik werd ze "koningin" genoemd in plaats van "vrouw van de koning" wat onder de Angelsaksen gebruikelijk was.
Deze meer formele status leidde tot veel weerstand onder de adel. Na de spoedige dood van Æthelwulf nam diens oudste zoon Æthelbald haar tot vrouw.
Ook dit huwelijk bleef zonder kinderen en werd later ongeldig verklaard wegens (aangetrouwde) bloedverwantschap.
Judith werd teruggezonden naar haar vader en werd uiteindelijk van zijn hof geschaakt door Boudewijn I van Vlaanderen die later met haar trouwde. 
Gezin: Koning van Kent, Essex en Sussex. Aethelwulf / Koningin van Wessex Judith van West Francie (F1590224353)
 
1659 K I D E R L E N 1 5 9
Wapen von Kiderlen-Waechter: gedeeld: 1 in
blauw een omgewende, klimmende aanziende kat van
natuurlijke kleur; 2 in rood een Turk zonder benen
van terzdde gezien, overigens als in kwartier II van
het wapen Kiderlen (Kiderlen); in een ingedreven
zilveren punt een zwarte kraanvogel op groene grond,
houdend in de rechterpoot een steen van natuurlijke
kleur (von Waechter). Helm gekroond. Helmteken: als
bij het wapen Kiderlen. Dekkleden: rechts zilver en
rood, links zilver en zwart.
N.B. Voor het hier beschreven wapen en de
- overigens onjuiste - genealogie Kiderlen, zie
Briefadeliges Taschenbuch, blz. 419 en 420, 1909.
Inleiding. De gegevens over de eerste generaties
zijn geheel ontleend aan het artikel van A. Häberle,
gepubliceerd in Der Familienforscher, Band 3, Mann-
heim 1928.
Genealogie
(De uitwerking begint na generatie VIII)
1. Hans Küderlin, raadsheer te Neuburg (aan de
Run, Vorarlberg), t 1612, tr. N.N.
ll. Michael Kiderlen, uit Neuburg, burger van Ulm
1610, witlooier te Ulm, tr. Barbara Muller.
Ill. Hans Heinrich Kiderlen, geb. Ulm 1613, zwart-
verver te Ulm, sticht 1649 een verf- en mangelfabriek
te Langenau (Oberamt Ulm), t 1685, tr. Ulm 9 febr.
163(7) Katharina Zeller (Zoller), geb. Ulm 21 dec.
1610, t ald. 15 maart 1693.
IV. lohann Kiderlen, geb. Ulm 11 juni 1639, zwat-t-
verver te Ulm, t ald. 21 juli 1686, tr. le Ulm 10 febr.
160 KIDERLEN
1663 Anna Katharina Wiblishauser, geb. Ulm 26 okt.
1 6 4 4 , t a l d . 2 5 o k t . 1 6 7 6 ; t r . 2 e U l m 1 6 7 7 U r s u l a
S c h u h m a c h e r , w e d . v a n M a t h e i s K e c h e l i u s , h e e l -
meester.
Uit het eerste huwelijk o.a.:
V. Johann Kiderlen, geb. Ulm 18 febr. 1670, ver-
ver te Ulm, voorzitter verversgilde ald., t ald. 1 aug.
1756, tr. le Ulm 1700 Barbara Beiselen, t ald. 1703;
t r . 2 e U l m v o o r 1 7 2 4 A n n a K a t h a r i n a A r n o l d , u i t
N,ördlingen ( B e i e r e n ) , t U l m 1 2 o k t . 1 7 6 0 .
Uit het tweede huwelijk o.a.:
Vl. Georg David Kiderlen, geb. Ulm 5 nov. 1729,
pachter stads-blekerij te Ulm, t ald. 9 juli 1783, tr.
l e U l m 1 7 f e b r . 1 7 6 1 A n n a B a r b a r a Hall, g e b . U l m
7 maart 1733, t ald. 21 maart 1777, wed. van Marr
Tobias Hermann; tr. 2e Ulm 1778 Anna Maria Hägin,
uit N,ördlingen.
Uit het eerste huwelijk o.a.:
VII. Johann L u d w i g K i d e r l e n , g e b . U l m 2 5 j a n .
1774, koopman, Stadtpfleger en lid raad van Ulm,
t ald. 17 dec. 1850, tr. ald. 28 nov. 1797 Anna
Magdalena Kienle, geb. Ulm 12 mei 1779, t ald. 10
april 1844, dr. van Ludwig Albrecht en Anna Barbara
M a g d a l e n a Hall.
Uit dit huwelijk o.a.:
1 . Wilhelm, v o l g t VIII.
2. Robert Kiderlen, geb. Ulm 13 febr. 1808, direc-
teur Hofbank te Stuttgart, Hofkammerrat, t Stuttgart
2 7 m e i 1 8 5 7 , t r . a l d . 1 3 j u l i 1 8 5 1 M a r i a A u g u s t a
Freiin von Wachter, geb. ‘s-Gravenhage 10 dec. 1815,
v e r h e v e n m e t h a a r k i n d e r e n i n d e W ü r t t e m b e r g s e
adelstand als ,,von Kiderlen-Waechter” 11 sept. 1868,
t S t u t t g a r t 1 3 a p r i l 1 8 8 4 , d r . v a n F r e i h e r r A u g u s t
K I D E R L E N 161
Heinrich Christoph en Marie Sophie Haagen.
Uit dit huwelijk behalve 1 doodgeboren
dochter:
Von Kiderlen-Waechter
Alfred von Kiderlen-Waechter, geb.
S&gart 10 juli 1852, Duits gezant laatst. in
Boekarest, staatssecretaris buitenlandse zaken,
keizerlijk Duits werkelijk geheime raad, t
Stuttgart 30 dec. 1912.
b. Sarah Maria von Kiderlen-Waechter, geb.
Stuttgart 3 sept. 1853, t Berlijn 19 okt. 1903,
tr. Stuttgart 26 mei 1874 Artur von Lattre, geb.
Berlijn 1833, Pruisisch luitenant-generaal, di-
recteur Kriegsakademie te Berlgn, t ald. 4 april
1908, zn. van Louis en Angelika von L’Estocq.
c. Johanna von Kiderlen-Waechter, geb.
Stuttgart 18 sept. 1854, t ald. 17 mei 1943,
tr. ald. 16 nov. 1876 Dietrich Freiherr von
Gemmingen-Guttenberg, geb. Meiningen 22
nov. 1840, Württembergs ritmeester, t Stutt-
gart 16 okt. 1881, zn. van Freiherr Karl Rein-
hard Wieprecht en Emma Johanna von Utten-
hofen.
Kiderlen
VIII. Wilhelm Kiderlen, geb. Ulm 12 nov. 1798,
consul van Württemberg te Amsterdam, lid firma
Kiderlen & Fuchs, manufacturenhandel ald., lid firma
Kreglinger & Co., commissionairs ald., t Frankfurt/
Main 18 april 1870, tr. Amsterdam 8 mei 1822 Maria
Georgina Pfeiffer, ged. Amsterdam 12 nov. 1797,
t Frankfut-t/Main 12 april 1863, dr. van Valentijn en
Maria Agnes Weyll.
162 KIDERLEN
Uit dit huwelijk:
1. Auguste Kiderlen, geb. Amsterdam 21 mei 1823,
t Rotterdam 12 mei 1848.
2 . Emil, v o l g t I X .
3 . R o b e r t K i d e r l e n , g e b . A m s t e r d a m 2 9 m a a r t
1828, grondeigenaar te Elst, fabrikant te Blasewitz
(Dresden), t Dresden 11 febr. 1885, tr. Amsterdam
16 juli 1856 Petronella Cornelia Conrad, geb. Brugge
9 a u g . 1 8 3 0 , t A p e l d o o r n 1 9 m a a r t 1 8 9 9 , d r . v a n
Martinus Hendrik en Jkvr. Petronella Johanna Judith
de Jong van Beek en Donk.
Uit dit huwelijk:
a . Wilhelm G e o r g e K i d e r l e n , g e b . E l s t 2 7
juli 1857, vertrekt met zijn ouders sept. 1858
naar Wenen.
b . P e t r o n e l l a J o h a n n a K i d e r l e n , g e b . A r n -
hem 9 sept. 1858, onderwijzeres te Nijmegen,
woont 1914 te Garmisch-Partenkirchen.
c . Jeanne M a r i e H e n r i e t t e K i d e r l e n , g e b .
Kritzendorf (bij Klosterneuburg, Neder-Oosten-
ruk) 7 juni 1860, t Hater? 8 april 1891.
d . H e n r i e t t e M a r t i n a W i l h e l m i n a K i d e r l e n ,
geb. Kritzendorf 30 aug. 1863, vertrekt 12 okt.
1920 uit Nijmegen naar Kleef.
e . Helene K i d e r l e n , g e b . D r e s d e n 1 n o v .
1 8 7 1 , t V a l p a r a i s o ( C h i l i ) 2 3 n o v . 1 9 4 0 , t r .
M a a g d e n b u r g 1 1 j a n . 1 9 1 0 G o t t f r i e d L u d w i g
Heinrich Black, geb. Amsterdam 19 april 1885,
l e r a a r F r a n s , E n g e l s e n S p a a n s a l d . , k u n s t -
schilder, t Blaricum 4 juli 1973, zn. van Eduard
H e i n r i c h e n M a r i e Jeanne Clothilde Caroline
Wertheim.
IX. Emil Kiderlen, geb. Amsterdam 20 aug. 1824,
K I D E R L E N 1 6 3
lid firma Schnell & Kiderlen, commissionairs in tabak
te Rotterdam, lid firma E. Kiderlen, distilleerders te
Delfshaven, lid firma Nederlandsche Stoombranderij
en Distilleerderij te Rotterdam, directeur Société
Générale des Eaux de Vie de Cognac, voorheen
Tissot & Co. te Rotterdam, lid raad van Rotterdam,
vice-consul van Württemberg, t Hilversum 5 jan.
1899, tr. Amsterdam 18 jan. 1855 Antoinette Sera-
phine van Eibergen Santhagens, geb. Batavia 23 okt.
1835, t Hilversum 23 nov. 1910, dr. van Reinier en
Antoinette Thérèse Weygand.
Uit dit huwelijk behalve 1 jonggestorven dochter:
1. Agnes Marie Kiderlen, geb. Amsterdam 10 nov.
1855, t Berlgn 29 nov. 1887, tr. Delfshaven 13 mei
1875 Jhr. Henri Edouard Bicker, geb. Amsterdam
8 juni 1848, wijnkoper, lid firma Bicker & Modderman,
t Bad Neuenahr (Rijnland) 20 juni 1905, dr. van
Jhr. Daniël en Catharina Pluim.
2. Antoinette Thérèse Kiderlen, geb. Bennebroek
23 juni 1858, t ald. 7 okt. 1866.
3. Maria Georgina Huberta Kiderlen, geb. Benne-
broek 3 nov. 1860, t Hilversum 19 okt. 1937, tr.
Rotterdam 29 april 1886 Louis Ernst Clement Gustave
Wertheim Aymès (naamswijziging K.B. 8 aug. 1882
nr. 31) geb. St. losse ten Noode (Brussel) 28 aug.
1856, lid firma L. Wertheim & Zoon, commissionairs
in effecten te Amsterdam, t Hilversum 1 febr. 1928,
zn. van Samuel Lodewijk Wertheim en Marie Elisa-
beth Clémentine Aymès.
4. Antoine Emil, volgt X.
X. Antoine Emil Kiderlen, geb. Rotterdam 18 jan.
1868, werktuigkundige, lid firma Kiderlen & Co., koop-
lieden in machinerieën te Amsterdam, t Leiden 13
164 KIDERLEN
s e p t . 1 9 3 1 , t r . H i l v e r s u m 4 j u n i 1 8 9 6 A n n a B e a t a
Maria BuiJskes, geb. Batavia 20 maart 1873, t ‘s-Gra-
venhage 18 mei 1957, dr. van Mr. Arnold Adriaan
e n E l i s a b e t h A d r i a n a d u Cloux.
Uit dit huwelijk:
1. Emile Arnold, volgt Xla.
2. Pieter Johan, volgt Xlb.
Xla. Emile Arnold Kiderlen, geb. Hilversum 2 mei
1897, vertegenwoordiger N.V. Englebert’s Automobiel-
handel te Wassenaar, t ‘s-Gravenhage 6 juni 1950,
tr. Amsterdam 20 febr. 1917 Johanna Gerarda van
SGengen, g e b . A m s t e r d a m 3 m a a r t 1 8 9 4 , t W a s s e -
naar 14 nov. 1948, dr. van Hendrik Pieter en Jantje
Bakker.
Uit dit huwelijk:
1. Emilia Maria Kiderlen, geb. Amsterdam 10 juli
1 9 1 7 , t r . B a t a v i a 1 1 a u g . 1 9 3 8 W i j n a n d Gall, g e b .
Hellevoetsluis 2 juni 1907, oud-employé rubberonder-
n e m i n g T j i k a d o e t e R a n g k a s b e t o e n g ( B a n t a m ) , z n .
van Gerrit Anton en Maria Rebecca van Leeuwen.
[ H e e m s t e d e ]
2. Antoine Emile Louis, volgt XII.
X I I . A n t o i n e E m i l e L o u i s K i d e r l e n , g e b . Soera-
k a r t a 2 5 a u g . 1921, e m p l o y é L A D O l i e h a n d e l t e
‘ s - G r a v e n h a g e [ S c h e v e n i n g e n ] , t r . l e W a s s e n a a r
9 dec. 1942 (echtsch. ingeschr. ald. 23 juli 1952)
C a t h a r i n a M a r i a R i j k e , g e b . ‘ s - G r a v e n h a g e 3 d e c .
1920 [Oosterhout], dr. van Johannes Maria en Wil-
helmina de Laat, zij hertr. Wassenaar 2 juni 1954
Jacob Henderik Deurloo; tr. 2e Leidschendam 4 jan.
1955 Magdalena Reinnardina Alida Vermeulen, geb.
‘s-Gravenhage 8 mei 1929 [Leidschendam], dr. van
Reinhard en Elisabeth Adriana Huguenin.
KIDERLEN 165
Uit het eerste huwelijk:
1 . Emile Arnold, volgt XIII.
2. Wilhelmina Johanna Maria Kiderlen, geb. Was-
senaar 6 dec. 1944 1’sGravenhage], tr. Wassenaar
7 okt. 1964 (echtsch. ingeschr. ald. 16 dec. 1971)
Robert van Klaveren, geb. Voorschoten 18 juni 1943
[Voorschoten], zn. van Hendrik Jacobus en Maria
Wilhelmina Jannetje van Vliet, hij hertr. ‘s-Graven-
hage 29 maart 1972 Cornelia Catharina lacoba
B i s c h o p s .
Uit het tweede huweluk:
3. Emile Arnold Kiderlen, geb. Leidschendam 23
juni 1955, tijd. in mil. dienst. [Leidschendam]
4. Peter Kiderlen, geb. Leidschendam 28 juli 1956,
anjerkweker. ( L e i d s c h e n d a m ]
5. Paul Kiderlen, geb. Leidschendam 22 dec. 1958.
[Leidschendam]
XIII. Emile Arnold Kiderlen, geb. Leiden 1 juli
1943, employé Hanab B.V., installatiebureau te Val-
kenburg (Z.H.), tr. Wassenaar 13 mei 1964 Mijntje
van Beelen, geb. Katwijk aan Zee 1 mei 1944, dr.
van Huig en Mensje van der Plas. [Wassenaar]
Uit dit huweliJk:
1. Sandrina Kiderlen, geb. Leiden 31 okt. 1964.
2. Huig Kiderlen, geb. Katwijk aan Zee 26 sept.
1965.
3. Catharina Maria Kiderlen, tweeling met voor-
gaande, geb. Katwijk aan Zee 26 sept. 1965.
Xlb. Pieter Johan Kiderlen, geb. Hilversum 1 juni
1898, administratief medewerker Philips Brazilië, t
Sao Paulo 16 juli 1969, tr. 1 e Amsterdam 15 sept.
1921 Catharina Hendrika Klink, geb. Amsterdam 24
mei 1899, t ald. 14 april 1924, dr. van Pieter en
1 6 6 K I D E R L E N
Hendrika Johanna Woudsma; tr. 2e Cazaux (Gironde)
15 nov. 1927 (echtsch. ingeschr. Casablanca 5 jan.
1938) Eugénie Pré, geb. Parijs 3 nov. 1894, eigenares
boutique te Meknes (Casablanca), t ald. voor mei
1946.
Uit het eerste huwelijk:
1. Beata Maria Kiderlen, geb. Amsterdam 8 april
1924, tr. le Belo-Horizonte (Brazilië) 30 juni 1945
Jan Meijndershagen, geb. Amsterdam 4 okt. 1917,
eigenaar transportbedrijf te Campinas (Brazilië), t
ald. 27 juni 1963, zn. van Antoon en Jansje Kassteen;
tr. 2e Putte (N.B.) 14 jan. 1972 Hendrik Christiaan
Smeekes, geb. Utrecht 13 april 1928, boekhouder
firma Eberhardt, Aziatische kunsthandel te Amster-
dam, zn. van Hendrik Christiaan en Hendrika Johanna
J o n k e r g o u w . [Amsterdam]
2. Pieter Arnold Kiderlen, tweeling met voorgaan-
de, geb. Amsterdam 9 april 1924, publiciteitsmede-
werker James Ruben B.V., handel in auto-onderdelen
en machinegereedschappen te ‘s-Gravenhage.
[‘s-Gravenhage] 
Küderlin, Raadsheer Hans (I4766)
 
1660 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Levend (I1)
 
1661 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Levend (I1)
 
1662 Karel de Grote, geb. bij Aix-la-Chapelle 2.4.748, gedoopt door Bonefacius aartsbisschop van Mainz; Karel en zijn broer Carloman volgen hun vader Pippijn samen op, waarbij Karel in hoofdzaak Neustrië, Bourgondië en de Provence, en Carloman inhoofdzaak Austrasië krijgen; beiden worden gezalfd op 9.10.768, Karel te Noyon en Carloman te Soissons;

Na de dood van Carloman in 771 en onder het passeren van diens minderjarige zonen, wordt Karel de enige koning der Franken; hij wordt dan wederom gezalfd als zodanig te Corbeny; na een geslaagde veldtocht tegen zijn ex-schoonvader de koning der Longobarden, volgt in 774 zijn proclamatie tot koning der Longobarden;
Karel was reeds met zijn vader Pippijn gezalfd tot koning, Saint-Denis 28.7.754, en tevens door paus Stephanus II verheven tot patricius Romanorum, maar deze titel voert hij pas na zijn overwinning op de Longobarden;
door paus Leo III tot keizer gekroond, Rome 25.12.800; laat dan zijn patricius-titel vallen; zijn uiteindelijke titulatuur wordt: Karolus serenissimus augustus a Deo coronatus magnus et pacificus imperator Romanum gubernans imperium et per misericordiam Dei rex Francorum et Longobardorum;
zijn (westers) keizerschap wordt in 812 door de Oostromeinse basileus Michael I Rhangabe erkend; overl. Aken 28.1.814, begr. ald. (Dom).

Karel had 4 echtgenotes en 6 concubines:

in ca. 768 een relatie met Himiltrudis (Chimiltrudis: Amautru), van Frankische origine, maar van onbekende familie.
tr. in 769 met een dochter van Desiderius, koning der Lombarden, en van Ansa. Karel verstootte haar echter in 770 of begin 771 en stuurde haar terug naar haar vader.
tr. voor 30.4.771 Hildegard (Houdiard), geb. in 758, overl. Thionville (Moselle) 30.4.783, begr. in de kerk van de abdij Saint-Arnoul van Metz (Moselle), dochter van Gerold I, frankisch graaf [in de Vinzgouw] en van Imma (Emma, Emme), dochter van de Alamannen-graaf Hnabi, achterkleindochter van hertog Godfried. Zij vergezelde Karel naar Italië in 773 en 781.
een relatie met een onbekende vrouw
tr. te Worm in oktober 783 de oost-Frankische Fastrada (Fastrée), overl.Frankfurt aan de Rijn 10.8.794, begr. in de basiliek van St. Albanus te Mainz, dochter van Radolf, graaf van Franconië.
tr. tussen de herfst van 794 en 796 Liutgardis (Liedgarde, Liégeard), een Alamannische, overl. Tours (Indre-et-Loire) 4.6.800 op pelgrimstocht en begr. in de kerk van Saint-Martin te Tours.
een relatie met Madelgardis (Mathalgarde), gezien de naam mogelijk familie van de edele Vincent Madelgaire (overl. 677).
een relatie met de Saxische Gerswindis
een relatie met Regina (Régine, Reine) in 800
een relatie met Adelindis in 806.

Kinderen

Uit 1): a. Alpais (?), geb. ca. 765/70, overl. 23 juli, uiterlijk in 852. Als weduwe werd zij abdis van Saint-Pierre te Reims. Tr. Beggo, overl. 28.10.816, graaf van Parijs (ca. 815) en stichtte de abdij van Saint-Maur-des-Fossés bij Parijs.
b. Pippijn, geb. ca. 770, overl. 811.

Uit 3):
c. Karel, de jonge, koning, geb. 772/73, overl. Beieren 4.12.811.
d. Adelais, geb. Italië tussen sept. 773 en juni 774, tijdens het beleg van Pavië, overl. Italië' aug. 774., begr. in de kerk van de abdij Saint-Arnoul te Metz.
e. Hrothrudis, geb. ca. 775, overl. 6.6.810; na aanvankelijk verloofd te zijn (in 781) met Constantijn VI Porphyrogénete, waaruit echter geen huwelijk voortvoeide, had zij een relatie met Rorico, graaf van Rennes, overl. 1.3.839, bij wie ze een zoon had.
f. Pippijn (IIA)
g. Lodewijk I (IIB)
h. Lotharius, geb. bij Poitiers tussen 16 april en de herfst van 778, overl. 779/80.
i. Bertrade of Berta, geb. 779/80, overl. na 14.1.823; na aanvankelijk verloofd te zijn (ca. 789) met Ecgfrith, zoon van koning Offa, had ze een relatie met Angilbert, overl. 18.2.814, hoofd van de raad van de jonge Pippijn (781). (Zie Reeks 33)
j. Gisela, geb. in 781, voor mei, overl. na 800, waarschijnlijk na 814.
k. Hildegardis, geb. Thionville in 782, na 8 juni, overl. tussen 1 en 8 juni 783, begr. in de kerk van de abdij Saint-Arnoul te Metz.

Uit 4):
l. Chrothais, geb. ca. 784, overl. na 800, waarschijnlijk na 814.

Uit 5):
m. Theodrada, geb. ca. 785, overl. tussen 9.1.844 en 853.
n. Hiltrudis, geb. ca. 787, overl. na 800, waarschijnlijk na 814.

Uit 7):
o. Rothildis, abdis van Faremoutiers tot aan haar dood op 24.3.852.

Uit 8):
Adeltrudis

Uit 9):
q. Drogo, bisschop van Metz, geb. 17.6.801, overl. Bourgogne 8.12.855, begr. in de kerk van de abdij Saint-Arnoul te Metz.
r. Hugo, bijgenaamd de abt, geb. tussen 802 en 806, werd gedood in een gevecht te Angoumois op 14.6.844.

Uit 10);
s. Theodoricus, geb. 807, overl. na 818.

Bronnen: De Karel de Groter-nummers van Gens Nostra.
La Préhistoire des Capétiens, door Christian Settipani, 1993

Haast geen andere historisch figuur spreekt meer tot de verbeelding dan Karel de Grote. Karel de Grote, de vader van Europa, grondlegger van de Europeesche gedachte. In het jaar 2000 was het precies 1200 jaar geleden dat Karel de Grote tot keizer werd gekroond. Hoewel zijn verenigd Europeesche rijk later uiteen viel, wordt er thans wederom volop gewerkt aan een Europeesche éénwording. Karel de Grote is dus na 1200 jaar volop actueel.

Het is dan ook niet te verbazen dat vele genealogen zich soms jaren suf zoeken in allerlei archieven om er achter te komen of ook zij tot de afstammelingen behoren van Karel de Grote. Niet om daarmee aan te tonen dat zij "beter" zouden zijn dan anderen, want wordt er niet verondersteld dat het overgrote deel van de Europeanen Karel de Grote tot één van zijn voorouders mag tellen, maar meer voor dat voldane gevoel wat men krijgt als men "zijn" of "haar" lijn naar Karel eindelijk, na soms velejaren van onderzoek, heeft gevonden.

Karel de Grote is ook na 1200 jaar nog volop actueel!


Hoewel er al vele boeken aan de afstammelingen van Karel de Grote waren gewijd, bracht Gens Nostra in 1968 een geheel thema-nummer uit met daarin een groot aantal afstammingelingen van Karel de Grote.

Na een lange stilte verschenen er in 1990 en 1991 opnieuw Karel de Grote-nummers in Gens Nostra met nog meer afstammingslijnen van Nederlandse afstammelingen van Karel de Grote. Deze site is bedoeld om de "Karel-koorts" nog meer aan te wakkeren en menig genealoog te prikkelen om zijn of haar Karel-afstammingslijnen toe te vertrouwen aan het Internet, zodat misschien weer andere genealogen daarop "in kunnen haken". Door zo veel mogelijk verschillende afstammingsreeksen te publiceren zullen kwatierstaat-onderzoekers geholpen worden bij het zoeken naar hun eigen aansluiting op de zogenaamde "vorsten-kwartieren" welke vaak de toegang verlenen tot een ver verleden. 
Keizer, Koning der Franken Karel de Grote (I4105)
 
1663 Karel II, de Kale, koning, daarna keizer, geb. Frankfurt aan de Main 13.6.823, overl. Maurienne op 6.10.877, begr. klooster Nantua, later Saint-Denis.
Vormt reeds vanaf 829 het middelpunt van handelen van zijn ouders om hem (in strijd met de als definitief bedoelde Ordinatio Imperii) een eigen rijk te bezorgen; door zijn vader tot koning gekroond en aangesteld tot hertog van Maine, Quierzy sept. 838 en van Aquitanië 13.12.838; strijdt na de dood van zijn vader samen met zijn halfbroerLodewijk de Duitser tegen hun oudste broer Lotharius I, welke zij verslaan bij Fontenoy (bij Auxerre) 25.6.841; verkrijgt West-Francië bij het verdelingsverdrag van Verdun aug. 843; wordt na jarenlang verzet van de aristocratie in het hem toebedeelde rijksdeel alsnog door “bijna alle” wereldrijke en geestelijke groten van Aquitanië tot koning gekozen en door de aartsbisschop van Sens gezalfd en gekroond, Orléans 848; weet echter (o.a. door de voortdurende Noormannen-invallen) pas vanaf 860 een zekere consolidering te bereiken; schaart zich van dan af, samen met Lodewijk de Duitser, aan de zijde van Theutberga wier huwelijk met hun neef Lotharius II kinderloos is

Karel de Kale (Frans: Charles le Chauve) (Frankfurt am Main, 13 juni 823 - Avrieux; Savoye, 6 oktober 877), koning van West-Francië (840/843-877), tot keizer gekroond van het hele Roomse Rijk (875-877) als Karel II, met de grenzen van zijn land vastgesteld door het Verdrag van Verdun in 843, was de jongste zoon van keizer Lodewijk de Vrome en zijn tweede vrouw Judith van Beieren.
Jeugd

Karel werd geboren als jongste zoon van keizer Lodewijk de Vrome, de enige uit diens tweede huwelijk met Judith van Beieren. Karel werd opgevoed in het klooster van Reichenau door Walahfrid Strabo, een bekende intellectueel van zijn tijd.

In 817 had Lodewijk zijn rijk al verdeeld tussen de drie zoons uit zijn eerste huwelijk door de Ordinatio Imperii. Judith zette zich uit alle macht in om ook haar zoon Karel een erfdeel te geven, en werd daarbij gesteund door een invloedrijke factie van hovelingen. In die periode kreeg Karel zijn bijnaam "de Kale", wat in deze context "zonder bezit" betekent. In 839 had Judith succes en kreeg Karel, Allemannië toegewezen, vermoedelijk omdat hij dat jaar 16 werd en als meerderjarig werd beschouwd.[bron?] Dit was een inbreuk op het evenwicht van de Ordinatio Imperii, wat leidde tot onvrede bij zijn halfbroers – vooral bij Lotharius I, die het meest werd benadeeld door de nieuwe verdeling.

De halfbroers van Karel en andere tegenstanders van Judith, Karel en hun factie aan het hof, hebben voortdurend geruchten verspreid dat Karel het kind zou zijn uit overspel van Judith met Bernhard van Septimanië. Bernhard was de leider van Judiths factie aan het hof.

Conflict en deling van het Rijk

In 832 waren de spanningen zo hoog opgelopen dat Pepijn I van Aquitanië, de tweede zoon van keizer Lodewijk de Vrome, in opstand kwam tegen zijn vader. Lodewijk ontnam Pepijn zijn koninkrijk en gaf het aan Karel. Nu kwamen Lotharius en Lodewijk de Duitser, de broers van Pepijn, ook in opstand. In 834 was Lodewijk de Vrome gedwongen om de situatie van voor 832 te herstellen. In 837 vroeg Lodewijk de Vrome de landdag van Crémieux om Karel als koning tussen Friesland en de Seine te erkennen, wat leidde tot een nieuwe opstand. Na de dood van Pepijn in 838 werd Karel in 839 op de landdag van Worms tot koning van West-Francië benoemd.

Na de dood van Lodewijk de Vrome in 840 brandde de strijd om de verdeling van het rijk echt los. Lotharius en de zoon van Pepijn, Pepijn II van Aquitanië vielen Karel aan, die een bondgenootschap met Lodewijk de Duitser sloot. Op 25 juni 841 versloegen Karel en Lodewijk hun tegenstanders bij Fontenay. Lotharius moest zich terugtrekken op Aken maar moest later ook die stad opgeven. Op 14 februari 842 bevestigden Karel en Lodewijk hun verbond te Straatsburg met de eed van Straatsburg. Karel werd datzelfde jaar in Aken tot koning van West-Francië benoemd.

Op 11 augustus 843 sloten Karel, Lodewijk en Lotharius het verdrag van Verdun. Dat bevestigde Karel als geheel zelfstandige koning van West-Francië.

Consolidatie van West-Francië

In november 843 sloot Karel het verdrag van Coulaines met de adel en de geestelijkheid van West-Francië waarin de rechten en plichten van de drie partijen ten opzichte van elkaar werden vastgelegd. Dit document wordt beschouwd als een eerste "grondwet" van feodaal Europa. Later zou hij in 864 met het Edict van Pîtres een aantal belangrijke sociaal-economische hervormingen doorvoeren (beperkt lijfeigenschap door schuld, hervormt het muntwezen en verbiedt het op eigen gezag bouwen van vestingen, geeft opdracht om in alle riviersteden versterkte bruggen aan te leggen om de Vikingen te kunnen tegenhouden, en verplicht alle eigenaren van paarden tot militaire diensten en legt zo de kiem voor de ridderstand).Karel, die in een klooster was opgevoed, vestigde zijn bestuur op de geestelijkheid.

Bernhard van Septimanië werd in 844 op bevel van Karel geëxecuteerd omdat hij tijdens de burgeroorlog zijn beloften aan Karel had gebroken en uiteindelijk de kant van Pepijn II had gekozen. Bretagne wist de onafhankelijkheid van West-Francië te behouden doordat de hertogen Nominoë (845) en Erispoë (851) Karel wisten te verslaan. In 848 wist Karel definitief Aquitanië te verwerven toen Pepijn II werd afgezet en gevangengenomen.

Op uitnodiging van Aquitaanse edelen stuurde Lodewijk de Duitser in 854 zijn zoon Lodewijk III de Jonge met een leger, om koning te worden in Aquitanië. Lodewijk III bereikte zonder tegenstand Limoges. Karel liet als tegenzet Pepijn II van Aquitanië vrij uit zijn gevangenschap. Pepijn wist een grote aanhang te mobiliseren in Aquitanië en Lodewijk moet zich terugtrekken.

Crisis door aanvallen van de Vikingen

De regering van Karel werd geplaagd door plundertochten van Vikingen. Karel was meerdere malen gedwongen om een dreigende inval met grote geldbedragen af te kopen. In de ogen van veel leidende edelen was dit een gebrek aan daadkracht. In 858 brachtdit een grote groep edelen onder Robert IV de Sterke ertoe om een beroep op Lodewijk de Duitser te doen. Die was er namelijk wel in geslaagd om zijn koninkrijk te vrijwaren van de Vikingen. Lodewijk wist Karel te verslaan bij Brienne. Lodewijk trok met zijn leger naar Orléans en werd daar gehuldigd door de meeste edelen van Aquitanië, Bretagne en Neustrië. Karel vluchtte naar Bourgondië. De bisschoppen eisten echter dat Lodewijk zich zou terugtrekken en om hen tegemoet te komen, zond hij een deel van zijn leger terug naar Oost-Francië. Toen het daarna bij Soissons tot een confrontatie tussen Karel en Lodewijk kwam, zag Lodewijk dat Karel een overmacht had en trok hij zich terug.

Ook hierna bleven de plundertochten van de Vikingen aanhouden.

Zes jaar later is het hoogtepunt van zijn macht: annexatie van de Karolingische deelrijken Bourgondië en Italië en de keizerskroon in Rome (876)

De decennia na de dood van Lotharius I (855) werden gedomineerd door het onvermogen van zijn zoons, Lodewijk van Italië, Lotharius II en Karel van Provence om in Midden-Francië een duurzame staat te vestigen, en door hun onvermogen om wettige mannelijke nakomelingen te produceren. Uiteindelijk leidde dit ertoe dat Karel en Lodewijk de Duitser het gehele Middenrijk onder elkaar verdeelden. Vooral het opportunisme dat Karel daarbij aan de dag legde, zorgde ervoor dat Karel en Lodewijk regelmatig met elkaar in conflict kwamen:

859 Lotharius II gaf de gebieden ten zuiden van de Jura, die werden gedomineerd door de opstandige hertog Hugbert, aan Lodewijk de Duitser. Toen Lodewijk probeerde om Hugbert te onderwerpen, ging Karel Hugbert steunen.
863 na het kinderloos overlijden van Karel van Provence probeerde Karel de Kale om diens koninkrijk te annexeren. Dit mislukte door het verzet onder leiding van Girard II van Roussillon en dreiging van Lodewijk de Duitser. Uiteindelijk erfde Lotharius II het grootste deel van het koninkrijk van Karel van Provence, zijn tweede broer, Lodewijk van Italië kreeg de rest. Karel de Kale en Lodewijk de Duitser sloten in Koblenz een verdrag om hun geschillen bij te leggen.
Karel en Lodewijk saboteerden eendrachtig de pogingen van Lotharius II om van zijn kinderloze echtgenote te scheiden en te trouwen met zijn minnares om haar kinderen te echten. In 868 sloten Karel en Lodewijk een verdrag over de verdeling van zijn koninkrijk, indien Lotharius II inderdaad zonder kinderen zou komen te overlijden.
869 na het overlijden van Lotharius II annexeerde Karel diens gehele koninkrijk omdat Lodewijk ziek was en zijn leger door oorlogen aan zijn oostelijke grenzen was gebonden.
870 onder dreiging van oorlog stemde Karel op 22 januari toe in het verdrag van Meerssen waarbij alsnog een verdeling van Lotharingen en het koninkrijk van Karel van Provence, dat Lotharius II had geërfd, werd geregeld. De grens liep van langs de Maas, Ourthe en Moezel in Lotharingen en in het zuiden langs de Saône en de Rhône (hoewel Karel ook de graafschappen Besançon, Lyon en Vienne, op de oostelijke oevers van deze rivieren kreeg). Karel steunde bijzonder op de lokale sterke man, Bosso van Provence, een niet-Karolinger, voor zijn plaatselijk Karolingisch bestuur.
875 na het overlijden van Lodewijk II van Italië bood de Italiaanse adel Karel de koningstitel aan, ondanks de afspraken die Lodewijk van Italië met Lodewijk de Duitser had gemaakt dat diens zoon Karloman zijn erfgenaam zou zijn. Op 25 decemberwerd Karel in Rome door paus Johannes VIII tot keizer van het Roomse Rijk gekroond.
876 Karel werd in Pavia uitgeroepen tot koning van Italië. Lodewijk de Duitser viel met zijn leger West-Francië binnen. Karel haastte zich terug en liet het bestuur van Italië over aan de vicekoning Bosso van Provence, op wie hij opnieuw steunt. Na het overlijden van Lodewijk probeerde Karel door een snelle veldtocht Oost-Francië te veroveren, maar hij werd op 8 oktober verslagen bij Andernach, een oversteekplaats van de Rijn.

Edict van Pîtres

Karel de Kale vaardigde in 864 het Edict van Pîtres uit. Met dit edict realiseerde Karel een groot aantal sociale en monetaire hervormingen. Zo werd de lijfeigenschap wegens het niet kunnen aflossen van een lening, beperkt tot zeven jaar en werd het muntwezen ingrijpend hervormd. In het vervolg zou de koning het alleenrecht hebben op het slaan van munten. Het edict somde ook de erkende munthuizen op, zoals Quentovic, Rouen, Reims en Parijs. Het bevatte tevens maatregelen die het bouwen van privévestingen moesten tegengaan.

Op verzoek van de paus keerde Karel terug naar Italië om de dreiging van de Saracenen het hoofd te bieden. Hij wist dat hij bij zijn vertrek West-Francië in de zwakke handen van zijn zoon Lodewijk de Stamelaar achterliet, daarom verklaarde hij voorde periode van zijn afwezigheid alle titels en functies erfelijk. Zo hoopte hij tijdens zijn afwezigheid twisten tussen edelen te voorkomen als er edelen bij de veldtocht in Italië om het leven zouden komen. Achteraf gezien was dit een belangrijkestap in de ontwikkeling van het feodale stelsel. Karels eigen edelen (ook Boso, zijn onderkoning in Italië) verzetten zich tegen de veldtocht en tegelijk trok Karloman van Beieren ook naar Italië. Onder deze omstandigheden besloot Karel om terug te keren, maar hij overleed bij het overtrekken van de Col du Mont Cenis aan een plotselinge ziekte. Zowel zijn joodse lijfarts als zijn tweede echtgenote werden ervan verdacht Karel te hebben vergiftigd.

Het lukte niet om zijn lichaam terug naar Parijs te brengen, omdat de dragers de stank van zijn rottende lichaam niet konden verdragen, ook niet toen het in een met leer gevoerd vat werd gestopt. Karel werd met vat en al begraven in Nantua. Later werd hij herbegraven in Saint-Denis.

Karel trouwde op 13 december 842 met Ermentrudis van Orléans. Nadat haar broer Willem in 866 in conflict met Karel was gedood, verliet zij Karel en trad in een klooster. 
Keizer, Koning van West- Francie Karel II (I4132)
 
1664 Karel Martel (Herstal of Andenne(?), 23 augustus 689 – Quierzy, 22 oktober 741) was hofmeier van Austrasië. Hij reorganiseerde het Frankische leger en bestuur en wist daarmee met succes zowel zijn binnenlandse als buitenlandse tegenstanders, met name de Arabieren, Friezen en Saksen het hoofd te bieden. Zijn macht werd zo groot dat hij de plaats van de Merovingische koningen innam, zonder zichzelf tot koning uit te roepen.

Karel wordt beschouwd als stamvader en naamgever van de Karolingen. Hij was zoon van Pepijn II en diens tweede vrouw in bigamie Alpaida,[2] en is begraven in de abdij van Saint-Denis. Zijn bijnaam Martel (klemtoon op de laatste lettergreep: Martèl) komt van het Latijnse martellus, hamer.

Karel werd geboren uit een twijfelachtig huwelijk van zijn vader Pepijn van Herstal. Pepijn was al getrouwd met de aristocratische Plectrudis en Karels moeder was vermoedelijk uit de lagere adel afkomstig. Volgens Alexander van Roes (13e-eeuwse schrijver) was Plectrudis zeer dominant en toen Karel werd geboren, durfde de boodschapper die dit nieuws aan Pepijn kwam brengen, daar niet openlijk over te spreken omdat Plectrudis ook aanwezig was. De boodschapper en Pepijn (die hem heel goed begreep) spraken over de "kerel die was gekomen", zo heeft Karel zijn toen ongewone naam gekregen.[4]

Toen in 714 Karels halfbroer Grimoald II werd vermoord,[5] had Pepijn geen zoons meer uit het huwelijk met Plectrudis en was Karel zijn oudste levende zoon.[6] Plectrudis zorgde er echter voor dat Pepijn Karel en zijn jongere broer Childebrand uitsloot van de opvolging, en zijn minderjarige kleinzoon Theudoald (zoon van Grimoald) als opvolger benoemde.[5] Toen Pepijn van Herstal nog in december van datzelfde jaar overleed, werd Theudoald inderdaad tot hofmeier voor het gehele Frankische rijk benoemd, met Plectrudis als regentes. Plectrudis liet Karel gevangennemen en sloot hem op in Keulen (of Aken)

De adel in Neustrië en Bourgondië zag in het bewind van de minderjarige Theudoald zijn kans zich te bevrijden van de Austrasische dominantie en koos in 715 Raganfrid als hofmeier.[8] Hierdoor was de situatie ontstaan, zoals in de kaart is weergegeven (Aquitanië was in die tijd een onafhankelijk Frankisch hertogdom). Ook de Friezen onder hun koning Radbod, profiteerden van de situatie door de gebieden die ze aan Pepijn van Herstal hadden verloren, waaronder Utrecht en omgeving, weer terug te veroveren. Raganfrid en Radboud sloten een bondgenootschap en vielen Austrasië aan. Een factie van de Austrasische adel besloot dat ze onder deze omstandigheden een volwassen hofmeier nodig hadden, en bevrijdden Karel uit zijn gevangenschap.[9] Ze waren echter te laat om Karel een volwaardig leger te laten opbouwen. In 716 vielen Raganfrid en Radboud, die met een vloot over de Rijn kwam, Theudoald en Plectrudis in Keulen aan. Karel probeerde de stad nog te ontzetten, maar moest zich na de eerste schermutselinge

Na de verovering van Keulen wist Karel snel terug te slaan. Het Neustrische leger en een deel van de Friezen trokken door de Ardennen naar huis. Hun gezamenlijke leger was nog steeds veel groter dan het leger van Karel, maar hij wist door verrassing en list (hij veinsde op de vlucht te slaan, waardoor hij een achtervolging uitlokte, die hij vervolgens in een hinderlaag wist te lokken) de Slag bij Amel (Amblève) in zijn voordeel te beslissen. Hij kreeg bij die gelegenheid ook weer het grootste deel van de Austrasische schatkist in handen.

In 717 voerde Karel zelf een veldtocht naar Neustrië. Op 21 maart van dat jaar boekte hij een beslissende overwinning bij Kamerijk.[10] Hij achtervolgde Chilperic II en zijn hofmeier tot aan Parijs. Daarna keerde hij terug naar huis, versloeg de aanhang van Plectrudis en veroverde Keulen. Hij riep vervolgens Chlotarius IV uit tot koning van het gehele rijk, met hemzelf als hofmeier. Karel benoemde ook een nieuwe bisschop in Reims. In 718 verbonden Chilperik en Raganfrid zich met Odo van Aquitanië; in de Slag bij Soissons werd hun leger echter opnieuw verslagen. Odo vluchtte terug naar zijn hertogdom en leverde in ruil voor vrede Chilperik II en diens hofmeier uit aan Karel. Odo erkende Karel als de rechtmatige hofmeier en Karel erkende Odo als hertog. Opmerkelijk is dat Karel al zijn verslagen tegenstanders ongemoeid liet.

Campagnes tegen de noordelijke buurvolken

Nadat hij in 718 zijn macht had gevestigd in het Frankische Rijk, begon Karel een programma om het Frankische gezag over de noordelijke buurvolken te herstellen en zijn noordelijke grenzen te beveiligen. In 718 versloeg hij de Saksen en verwoestte Westfalen.[11] Na de dood van Radbod heroverde hij vervolgens in 720 de verloren Friese gebieden en stelde Willibrord in staat om de zending vanuit Utrecht te hervatten. Van 720 tot 723 voerde Karel campagnes tegen de Beieren, waarin hij werd gesteund door de Alemannen. Hertog Hugbert van Beieren erkende uiteindelijk het gezag van Karel.[12] Toen Karel langere tijd in Beieren verbleef, kwam Raganfrid (nog altijd graaf van Anjou) in opstand. Deze opstand wordt in 724 door Karel onderdrukt.

In 730 versloeg hij de Alemannen en doodde hun hertog Lantfrid.[13] Karel benoemde geen opvolger, wat betekende dat hij zelf het feitelijke gezag over de Alemannen kon uitoefenen. In 734 versloeg hij de Friezen en doodde hun aanvoerder Poppo. Friesland ten westen van de Lauwers werd ingelijfd.
Opbouw van het leger – conflict met de kerk

Toen Karel hofmeier werd, bestond er geen georganiseerd Frankisch leger. In tijden van oorlog verzamelden de lokale bestuurders hun weerbare mannen en stelden zich onder aanvoering van hun hertog. Doordat Karel steeds in oorlog was en zich bovendien bewust was van het dreigende gevaar van de Arabieren, voerde hij radicale veranderingen door. Karel vormde een strijdmacht van trouwe veteranen om in een beroepsleger, dat door de staat werd betaald en bewapend. Hiermee beschikte Karel altijd over een krachtige, trouwe en snel inzetbare legermacht, die in tijden van oorlog altijd kon worden aangevuld met de gebruikelijke strijders uit de bevolking. Het leger dat Karel vormde, bestond in eerste instantie uit zware infanterie. Toen de stijgbeugel werd geïntroduceerd, konden ruiters ook actief deelnemen aan de strijd, en begon Karel ook aan de opbouw van een zware cavalerie. Dit moment moet rond 735 zijn geweest omdat hij tijdens de Slag bij Poitiers in 732 nog geen cavalerie had, terwijl deze bij de slag aa

Karel financierde zijn leger door kerkelijke bezittingen in beslag te nemen. De bisschoppen dreigden daarop om Karel te excommuniceren, wat alleen werd voorkomen doordat Bonifatius krachtige steun aan Karel gaf.
Slag bij Poitiers
Zie Slag bij Poitiers (732) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Karel Martel staat het meest bekend om zijn overwinning in de Slag bij Poitiers in 732, die traditioneel wordt gezien als de 'redding van Europa van de Arabieren'. Tegenwoordig wordt de betekenis van deze veldslag genuanceerd: het was vermoedelijk niet meer dan een van de militaire acties in de grensconflicten tussen de Arabieren en het hertogdom Aquitanië die toen geregeld plaatsvonden. Het was niet de eerste keer dat de Arabieren werden verslagen door de Franken (in 721 had Odo van Aquitanië hen bij een verrassingsaanval verslagen tijdens het beleg van Toulouse). Het was ook niet hun noordelijkste expeditie – in 725 hadden ze Autun geplunderd en zonder succes Sens belegerd – en evenmin het einde van hun activiteiten in het Frankenrijk. Odo had een bondgenootschap gesloten met de emir van Catalonië, maar toen die in opstand kwam tegen de emir van Andalusië, kwam die in de problemen. Nadat de opstand was onderdrukt, viel een Andalusisch leger Aquitanië binnen, veroverde Bordeaux en versloeg O

Karel stelde zijn leger (zware infanterie) op in een defensieve positie op een beboste heuvel tussen Poitiers en Tours. Karels plan was om de Arabieren te laten aanvallen omdat hun cavalerie-charge tegen de helling op in een bos veel van zijn kracht zou verliezen. De Franken waren goed voorzien en warm gekleed (het was oktober) en konden hun positie lang volhouden. Na een week van afwachten viel de Arabische cavalerie aan. De slag zou twee dagen hebben geduurd zonder een duidelijke uitkomst. De volgende dag waren de Moren weggetrokken omdat ze bang waren dat de Franken hun buit zouden roven.

Na deze veldslag had Karel ook de controle over Aquitanië.
Consolidatie van de macht (732-737)

Na de slag bij Poitiers gaat Karel door met het consolideren van zijn macht. Van 732 tot 735 vervangt hij de Bourgondische hertog en graven door zijn eigen getrouwen. Wanneer in 735 hertog Odo van Aquitanië aftreedt, wordt diens zoon Hunold tegen Karels zin (hij wilde zelf hertog worden) tot hertog gekozen door de adel. Karel erkent Hunold, die op zijn beurt Karel als heer erkent.

Wanneer in 737 koning Theuderik IV overlijdt, laat Karel de positie van koning vacant. Hoewel hij zich niet zelf tot koning uitroept, is het duidelijk dat hij alleen de macht heeft.
Arabische invasie van 737

De hertog van Provence, Maurontius, wilde meer zelfstandigheid ten opzichte van Karel Martel en sloot in 737 een bondgenootschap met de Arabieren uit Narbonne en hielp ze om Avignon te bezetten. Karel stuurde zijn broer Childebrand om de stad te belegeren en sloot zich later bij hem aan. Met stormrammen en touwladders werd de stad ingenomen en tot de grond toe afgebrand. Maurontius vluchtte naar de Alpen, waarna niets meer van hem werd vernomen.

Karel belegerde daarna Narbonne. Een Arabisch leger dat de stad kwam ontzetten, werd vernietigend verslagen tijdens de slag aan de rivier de Berre. Karel dankte deze overwinning aan de inzet van zijn zware cavalerie, waar de Arabieren niet op hadden gerekend. De belangrijkste Arabische steden in Septimanië werden veroverd, behalve Narbonne. Moderne historici vinden deze overwinningen belangrijker dan die van Poitiers omdat hier echt van een doelgerichte Arabische invasie kan worden gesproken. Later in het jaar volgde nog een campagne tegen de Provence; Karel veroverde onder andere Arles en Aix – met hulp van de Longobarden.
Laatste jaren (737-741)
In 739 bood Paus Gregorius III Karel de titel van consul van Rome aan, in ruil voor hulp tegen de Longobarden. Karel sloeg dit aanbod af omdat hij over goede banden met de Longobarden beschikte. In deze periode werd zijn gezag verder versterkt doordat Karel verdere veldtochten voerde tegen Beieren, Allemanië, Saksen en Aquitanië. 
Martel, Hofmeier Austrasië Karel (I6469)
 
1665 Karel Martel stierf op 22 oktober 741 in Quierzy-sur-Oise in wat nu het departement Aisne in Hauts-de-France is.[14] Hij werd begraven in de Basiliek (sinds 1966 Kathedraal) van Saint-Denis nabij Parijs. Zijn gebieden waren al een jaar eerder onder zijn volwassen zonen verdeeld: Carloman kreeg Austrasië en Alemannië (met Beieren als een vazalstaat) en Pepijn de Korte kreeg Neustrië en Bourgondië (met Aquitainië als vazalstaat). De toen minderjarige Grifo kreeg niets, hoewel sommige bronnen aangeven dat er over gesproken was hem een strook land tussen Neustrië en Austrasië te geven. Martel, Hofmeier Austrasië Karel (I6469)
 
1666 Kerckmeester, in de kerck bij 't choor. van der Swan, Huijbert Arijense (I4914)
 
1667 Kerkmeester te Overschie Coley, Leendert (I3670)
 
1668 Kerkmeester van Eikenduinen, Gildemeester van het Heilig Kruisgilde, Ambachtsbewaarder van Eskamp. Pieter Gijsbrechtsz (I3520)
 
1669 Kerkmeester.
In de kerk, in de middeltrans. 
Mosch, Pieter Cornelisz (I4912)
 
1670 Kleermaker te Poeldijk Jacob Willemsz (I1003)
 
1671 Kocht van Sebastiaen Maerts een schuit genaamd ‘De Tortelduif' Cornelis Michiels (I2771)
 
1672 Koenraad I van Auxerre (800 – 16 februari 863) was via zijn zuster Judith een zwager van Lodewijk de Vrome en oom van Karel de Kale. Via zijn zuster Imma was hij de zwager van Lodewijk de Duitser. Koenraad is de stamvader van de Bourgondische tak van de Welfen.
Familie

Koenraad was een zoon van graaf Welf van Altdorf en daarmee kleinzoon van Rothard van de Argengau. Zijn moeder was Eigilwich die in 826 abdis werd van de Abdij van Chelles. Eigilwich was dochter van de Saksische edelman Isanbarth en zijn vrouw Theodrada. Theodrada was dochter van Bernard en werd in 810 abdis van Notre Dame te Soissons.
Leven

Koenraad was een belangrijke vertrouweling van Lodewijk de Vrome. Oorspronkelijk was hij graaf van de Argengau. Hij verwierf grote bezittingen in Zwaben. In 830 was hij ook hertog van Alemannië en voogd van de Abdij van Sankt Gallen, en werd in dat jaar (als aanhanger van de keizer) gedwongen om in het klooster te treden tijdens de eerste opstand tegen Lodewijk de Vrome. In 833-834 deelde hij de gevangenschap van keizer Lodewijk. In 839 wordt hij vermeld als graaf van de Argengau, Alpgau, Rheingau, Eritgau en Zürichgau. Hij was ook lekenabt van de Abdij van Sint-Germanus van Auxerre.

In 842 was Koenraad namens Karel de Kale en Lodewijk de Duitser een van de drie onderhandelaars in de onderhandelingen voor het verdrag van Verdun. In 844 werd hij ook graaf van de Linzgau. Daarmee bestuurde hij vrijwel het gehele gebied rondom het Bodenmeer. In 849 werd hij graaf van Parijs (onder Karel de Kale dus), Koenraad bleef echter een belangrijke adviseur van Lodewijk de Duitser. Toen Karel en Lodewijk in 859 echter met elkaar in conflict kwamen, moest Koenraad een keuze maken en koos het kamp van Karel. Hij verloor zijn bezittingen in Alemannië en Beieren maar kreeg van Karel het graafschap Auxerre. Dit vormde later de basis voor de Bourgondische bezittingen van de Welfen. 
Auxerre, Koenraad I (I13770)
 
1673 Koenraad was getrouwd met Adelheid van Tours, dochter van Hugo van Tours en Ava van Morvois (ca. 820 - 866). Zij hadden de volgende kinderen:

Welf (ca. 825 - voor 879), graaf van de Linzgau, Argengau en Alpgau als opvolger van zijn vader toen die graaf van Parijs werd, maar verloor zijn titels toen hij in 859 de keuze van zijn vader volgde. Werd gecompenseerd met de functie van lekenabt van de Abdij van Sainte-Colombe te Sens en de Abdij van Saint-Riquier. Hij was getrouwd met Willa van Buchau, erfdochter van Ato van Hegau.
Koenraad II
Hugo, maakt een indrukwekkende carrière en werd o.a. graaf van Tours en Auxerre, bisschop van Keulen, markies van Neustrië en lekenabt van meerdere abdijen
Rudolf
Judith (?), getrouwd met Udo, graaf van de Lahngouw, zoon van Gebhard, graaf van de Lahngouw en kleinzoon van Odo van Orléans en Engeltrude van Parijs.

Adelheid zou zijn hertrouwd met Robert_I_van_Frankrijk 
Gezin: Koenraad I Auxerre / Adelheid van Tours (F1730637138)
 
1674 Kolonel Koeman Jenner, Frederik (I13544)
 
1675 Komend uit 's-Gravenzande Bal, Janneke (I6190)
 
1676 Komt niet voor in het Heilig Oliesel register van der Cruijck, Dirk Leendertse (I1554)
 
1677 Komt voor in Prm III kwst de Hoog. Swaanswijk, Marija Leendertsdr (I4400)
 
1678 Komt voor op rechtdag 4 oktober 1553 van der Speck (Verspeck), Jan Heynricxs (I3530)
 
1679 Koning Filips I overleed in zijn kasteel in Melun op 29 juli 1108. Hij werd begraven bij het klooster van Saint-Benoît-sur-Loire,
omdat hij vond dat hij niet waardig was om bij zijn voorvaderen in de kathedraal van Saint-Denis te worden bijgezet. 
van Frankrijk, Koning van Frankrijk Filips I (I14604)
 
1680 Konink, Kooning
Ook: Adrianus Aris 
(de) Koning, Adrianus Jz Koning (Konink, Koningh) (I879)
 
1681 Koos heeft zijn leven lang in hetzelfde huis gewoond. van der Kruijk, Jacobus (I13)
 
1682 Koper onroerend goed op dinsdag 23 maart 1790 Middelburg datum : 1790-03-23 Koper : Leendert v.d. Harst verkoper : Servaas v.d. Coppello, mr. locatie : Middelburg, Groenmarkt object 1 : pakhuis prijs : £ 12:0:0 bron : Archief Rekenkamer d 69691 van der Harst, Leendert (I4486)
 
1683 Koper onroerend goed op vrijdag 24 december 1802 Middelburg datum : 1802-12-24 Koper : Leendert v.d. Harst verkoper : Gijs de Jager locatie : Middelburg, Gravenstraat object 1 : huis prijs : £ 170:0:0 bron : archief rekenkamer d 69831. van der Harst, Leendert (I4486)
 
1684 Koppijn Dossier !!! Kaa, Cniertje Cornelisse (I8337)
 
1685 Koppijn dossier ... Kaa, Cniertje Cornelisse (I8337)
 
1686 Koppijndossier
Uitzoeken!!! 
Turfboer, Jan Janse (I9010)
 
1687 Korving, Aagje Jansze
Korving, Annetje Jansze
Korving, Jan Willemsze
Korving, Kniertje Jansze
Kulk, Marijtje Arieze 
Kulk, Maria Arendse (I13170)
 
1688 Kreeg van Tieleman, landvoogd van Oost-Friesland onder keizer Otto I De Grote, het bestuur over Neder-Friesland, het huidige Friesland.
Hij werd hofmeester onder Graaf Dirk II Van Holland en werd door de graven van Holland en Teisterbant beleend met enige landen aan de Linge,
later verenigd onder de naam “het Land van Arkel”.

Het dorp Arkel (Arclo) wordt al vroeg vermeld, in 641 werd er een kerk gesticht. Heijman zou zich hier gevestigd hebben. 
van Arkel, Heijman (I14570)
 
1689 Krijn kreeg een beroerte terwijl hij bezig was een touw vast te maken aan het fokkezeil van de pink waar hij op voer. Hierdoor viel hij overboord en verdween onder het schip. Het lichaam is nooit gevonden. Roeleveld, Kryn (I6437)
 
1690 Kruk, van der
Bronvermelding

Registratiecode: HDATNL032026
Titel: Kruk, van der
Opmerking: Dit wapen is in 2013 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd in opdracht van [persoonsgegevens verwijderd conform AVG 2018], voor de stamvader en al zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Gerrit Leendertsz. Cruijck, geb. Kwinstheul, overl. vóór 1684. Hij huwde Naaldwijk 22 december 1651 met Lijsbeth Theunisse van den Bergh, geb. Monster 1631, overl. na 1684.
Afbeelding: Kruk01
Collectienummer: 1800
Familienaam
Kruk, van der
Wapen: in blauw een hoekige dwarsbalk vergezeld boven van drie molenijzers en beneden van een kruk, alles zilver.
Helm: aanziend
Wrong: blauw en zilver
Helmteken: een zilveren vlucht.
Dekkleden: blauw, gevoerd van zilver
Trefwoorden
dwarsbalk
kruk
molenijzer
vlucht
Maker
H.K. Nagtegaal
Akkoord: ja
Bron
collectie H.K. Nagtegaal Delft
COLLECTIE DERDEN: Het Centraal Bureau voor Genealogie stelt zich niet garant voor de correctheid van de hierboven genoemde genealogische en heraldische gegevens 
(Cruck, Cruijck), Gerrit Leendertsz (I3814)
 
1691 Kruk, van der
verklaring:
In het middeleeuws Nederlands kwamen de woorden crucke (cricke), nu kruk, en cruke (cruyke, cruuk), nu kruik, overeen. Daarmee moet bij de interpretatie van de familienamen (Van der) Kruk en Kruik rekening worden gehouden.
De namen Kruk en Van der Kruk kunnen in de eerste plaats in verband worden gebracht met de kruk in de betekenis 'bij het lopen ondersteunende stok (met een kruk = dwarsstuk)'. In de toponymie wordt met het bestanddeel kruk(ke) vaak naar de vorm twee loodrecht op elkaar staande percelen aangeduid. Een dergelijke veldnaam (en vervolgens huisnaam) kan als basis voor de familienaam gelden. Daarnaast zou men kunnen denken aan iemand die met krukken loopt, aan iemand die krukken vervaardigt of aaneen familie die in een huis woont genaamd De Kruk, wellicht met de afbeelding van krukken op een uithangbord. Deze laatste mogelijkheid hangt uiteraard samen met de productie van krukken en andere hulpmiddelen.
Indien we van de betekenis kruk < cruke = kruik uitgaan, kunnen we ons een kruikenmaker, een pottenbakker of wellicht de waard van een herberg voorstellen waar 'de Cruke uythangt'.
Vergelijk verder nog de franstalige naam Crucq, gebaseerd op de Picardische vorm van cruche = kruik. Na immigratie zou deze naam Kruk of Kruuk gespeld kunnen zijn.

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:
• Bouden met den Crucken, Antwerpen 1388; Matheus Crucke, Kortrijk 1648 [WFB].
• "De familie Van der Kruk, eertijds veelal Van der Cruck geschreven, stamt vrijwel zeker uit Jobgen Dircksdr, die in 1623 als weduwe van Lenaert Thonisz achterblijft met een huis vol kinderen. Vanuit de Quintsheul waar de familie aanvankelijk woonde, hebben latere generaties zich geleidelijk verder over Delfland verspreid." Adrianus Jansz van der Kruk (Schipluiden 1795-Abtsrecht 1829) [Encycl. Delft 1984, p 153].
• "Kruk(ke) is een veel voorkomend naamsbestanddeel voor twee loodrecht op elkaar staande percelen. Toch ben ik er niet zeker van dat het Gorsselse Krukkeland hierbij hoort. Hier zou ook een persoonsnaam in aanmerking kunnen komen (vgl. 1646/47 Krucken stede, een goedje in Epse)" [Maas-2000, p 20]. 
van der Kruk, Nicolaas (I4096)
 
1692 Kruk, van der
verklaring:
In het middeleeuws Nederlands kwamen de woorden crucke (cricke), nu kruk, en cruke (cruyke, cruuk), nu kruik, overeen. Daarmee moet bij de interpretatie van de familienamen (Van der) Kruk en Kruik rekening worden gehouden.
De namen Kruk en Van der Kruk kunnen in de eerste plaats in verband worden gebracht met de kruk in de betekenis 'bij het lopen ondersteunende stok (met een kruk = dwarsstuk)'. In de toponymie wordt met het bestanddeel kruk(ke) vaak naar de vorm twee loodrecht op elkaar staande percelen aangeduid. Een dergelijke veldnaam (en vervolgens huisnaam) kan als basis voor de familienaam gelden. Daarnaast zou men kunnen denken aan iemand die met krukken loopt, aan iemand die krukken vervaardigt of aaneen familie die in een huis woont genaamd De Kruk, wellicht met de afbeelding van krukken op een uithangbord. Deze laatste mogelijkheid hangt uiteraard samen met de productie van krukken en andere hulpmiddelen.
Indien we van de betekenis kruk < cruke = kruik uitgaan, kunnen we ons een kruikenmaker, een pottenbakker of wellicht de waard van een herberg voorstellen waar 'de Cruke uythangt'.
Vergelijk verder nog de franstalige naam Crucq, gebaseerd op de Picardische vorm van cruche = kruik. Na immigratie zou deze naam Kruk of Kruuk gespeld kunnen zijn.

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:
• Bouden met den Crucken, Antwerpen 1388; Matheus Crucke, Kortrijk 1648 [WFB].
• "De familie Van der Kruk, eertijds veelal Van der Cruck geschreven, stamt vrijwel zeker uit Jobgen Dircksdr, die in 1623 als weduwe van Lenaert Thonisz achterblijft met een huis vol kinderen. Vanuit de Quintsheul waar de familie aanvankelijk woonde, hebben latere generaties zich geleidelijk verder over Delfland verspreid." Adrianus Jansz van der Kruk (Schipluiden 1795-Abtsrecht 1829) [Encycl. Delft 1984, p 153].
• "Kruk(ke) is een veel voorkomend naamsbestanddeel voor twee loodrecht op elkaar staande percelen. Toch ben ik er niet zeker van dat het Gorsselse Krukkeland hierbij hoort. Hier zou ook een persoonsnaam in aanmerking kunnen komen (vgl. 1646/47 Krucken stede, een goedje in Epse)" [Maas-2000, p 20]. 
van der Kruk, Jacobus (I5965)
 
1693 Kruk, van der
verklaring:
In het middeleeuws Nederlands kwamen de woorden crucke (cricke), nu kruk, en cruke (cruyke, cruuk), nu kruik, overeen. Daarmee moet bij de interpretatie van de familienamen (Van der) Kruk en Kruik rekening worden gehouden.
De namen Kruk en Van der Kruk kunnen in de eerste plaats in verband worden gebracht met de kruk in de betekenis 'bij het lopen ondersteunende stok (met een kruk = dwarsstuk)'. In de toponymie wordt met het bestanddeel kruk(ke) vaak naar de vorm twee loodrecht op elkaar staande percelen aangeduid. Een dergelijke veldnaam (en vervolgens huisnaam) kan als basis voor de familienaam gelden. Daarnaast zou men kunnen denken aan iemand die met krukken loopt, aan iemand die krukken vervaardigt of aaneen familie die in een huis woont genaamd De Kruk, wellicht met de afbeelding van krukken op een uithangbord. Deze laatste mogelijkheid hangt uiteraard samen met de productie van krukken en andere hulpmiddelen.
Indien we van de betekenis kruk < cruke = kruik uitgaan, kunnen we ons een kruikenmaker, een pottenbakker of wellicht de waard van een herberg voorstellen waar 'de Cruke uythangt'.
Vergelijk verder nog de franstalige naam Crucq, gebaseerd op de Picardische vorm van cruche = kruik. Na immigratie zou deze naam Kruk of Kruuk gespeld kunnen zijn.

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:
• Bouden met den Crucken, Antwerpen 1388; Matheus Crucke, Kortrijk 1648 [WFB].
• "De familie Van der Kruk, eertijds veelal Van der Cruck geschreven, stamt vrijwel zeker uit Jobgen Dircksdr, die in 1623 als weduwe van Lenaert Thonisz achterblijft met een huis vol kinderen. Vanuit de Quintsheul waar de familie aanvankelijk woonde, hebben latere generaties zich geleidelijk verder over Delfland verspreid." Adrianus Jansz van der Kruk (Schipluiden 1795-Abtsrecht 1829) [Encycl. Delft 1984, p 153].
• "Kruk(ke) is een veel voorkomend naamsbestanddeel voor twee loodrecht op elkaar staande percelen. Toch ben ik er niet zeker van dat het Gorsselse Krukkeland hierbij hoort. Hier zou ook een persoonsnaam in aanmerking kunnen komen (vgl. 1646/47 Krucken stede, een goedje in Epse)" [Maas-2000, p 20]. 
Lenaert Thonisz (I3696)
 
1694 Kwam om het leven als bemanningslid van het kaperschip "De dappere Patriot"
De "Dappere Patriot" raakte 6 mijl ten Zuid-oosten van Texel in gevecht met het Engelse schip "The Cameleon". Een verslag omtrend dit gevecht meldt: "...zodanig dat deze twee schepen met elkander vogten Raa-aan-Raa tot half 10 Uuren, als wanneer de"Dappere Patriot", op een geweldige en Deplorabe wijse in de lugt vloog met zijn geheele moedige dog aller beklaagenswaardige Equipage ten getalle van 54 Menschen (...) zynde daar van 47 Nederlandse Inboorlingen en 7 Buytenlanders 
Roeleveld, Willem Jacobse (I8634)
 
1695 Kwam samen met Teunis Jacobsz op zee om het leven. Tasman, Michiel Arijensz (I3128)
 
1696 L 10-9v F3607 (3e vinger), gemist door L.V. II die nemen Cleas van 1639 F3636 Bockesteijn, JM van De Lier Boekesteijn, Claes Pietersz (I3878)
 
1697 Laatste doopgetuige ... Foppen Keus, Arie Leendertse (I8592)
 
1698 Laatste Friese koning en eerste heer van Egmont. van Egmont, Radbout I (I3362)
 
1699 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Levend (I5)
 
1700 Lam
naamsvermeldingen en literatuurreferenties:
• "Toen in 1811 het voeren van een familienaam verplicht werd, namen in Warns drie inwoners de weinig voorkomende naam Lam aan. Ook die is hoogst waarschijnlijk aan een scheepsnaam ontleend. Bekend is dat schippers uit Warns met schepen van die naam gevaren hebben. De oudst bekende is Tiete Idses, schipper op ''t Lam Godts'" (lijst van gemeten schepen 1642-1664) [Douwes-1984, p 207].
• Gerbren Hartmans Lam, 1811-12 te Hindeloopen [RFF 4, p 27].
• 1. Pietertje Pieters 't Lam, ged. Meerkerk 1672; zoon van Peter Jansen Lam, jm. van Weverwijk onder Meerkerk, ovl. 1672, ged. Meerkerk 1628; zoon van Jan Adriaensz, uit Ottoland, won. Weverwijk onder Meerkerk. 2. Jacob Lam, custos en secretaris in Maurik, begr. Meerkerk 1699 [Slootweg-1997, p 48, 90].
• Willem Tijmensz Lam, doop kind 1697 te Loosdrecht (zoon van Tijme Lam, 1675) [Doopboek Sypekerk Nieuw Loosdrecht, p 22].
• Pieter Dircksz Lam, schepen van Hoorn 1544 [J.C.J. Bunschoten-Wijnants, 'Claes Jansz Du(y)ring alias Claes Eelmans', in: Jb. CBG 44 (1990), p 99].
• Acroniem l'm < hebr. lamdan moeflag = groot geleerde [Ze'ev Bar, 'Beestachtige joodse namen', in: Misjpoge 8 (1995), nr 2, p 49].
• Heynrick Janszoen int Lam, 1557 op de Korenmarkt [V.L.C. Kersing, '"Als men ter stove waert gaet". Haagse topografie in de 14de eeuw', in: Jaarboek Die Haghe (1997), p 22]. 
't Lam, Johanna Hendrika (I6540)
 
1701 Landeigenaar te Kralingen Bregman, Claes (I3487)
 
1702 Landman van den Ende, Pieter Cz (van den Enden) (I5829)
 
1703 Landman, wonende aan de Schie,gezworene van Abtsrecht. Gehuwd (1) op 13 november 1630 te Delft. (Cornelis Pouwelszn. jongeman, afkomstig van Delffgaeuw, lantman met Neeltgen Jacobszn. jonge dochter, afkomstig van Delffgaeuw). met Neeltje Jacobsdr van der KOOIJ. Geboren circa 1611 te Delfgauw, dochter van Jacob Pleunen van der KOOIJ en Hilletje Joostensdr. van der HOEFF. Ondertrouwd(2) op 28 april 1646[dtb.inv.71] te Delft met Maertje Pouwels. Gehuwd (3) op 12 juni 1661[dtb.inv.129] teDelft met Maertje Jans. [trouwboek Kethel: ondertrouw op 27 mei 1661. Cornelis Paulusz Verspeck, weduwnaar van Maertge Paulus op de Delftse Schie, met Maertge Jans j.d. in Noord Kethel wonende. Attestatie verleend om elders te trouwen] van der Speck (Verspeck), Cornelis Pouwelsz (I3825)
 
1704 Langs het strand van Scheveningen leden het Stedelijk Badhuis, Hotel Garni, de 'muziektempel' van de Vereeniging Zeerust en enkele villa's veel schade. Voor het dorp strandde het Britse stoomschip Theresia waarvan de bemanning kon worden gered. Gedurende de storm waren er van Scheveningen nog ruim vijftig visserspinken in zee. Enkele pinken die terugkeerden brachten de tijding dat er op de kust tal van omgeslagen vrachtschepen, groot en klein, als wrakken langs de kust dreven.

Na het bedaren van de storm kwam van tijd tot tijd een pink in het zicht van de wal. Bezorgde families spoedden zich daarop haastig naar het strand. Een droevig voorbeeld daarvan was het aankomen van de pink 'Vrouw Engeltje' van reder Dominicus Bruin met stuurman Benjamin Keus. Al spoedig herkende de wachtenden het rouwteken in de mast van de pink; het ontbreken van de pronkvaan. Enkele gebaren van de schepelingen maakten duidelijk wie de omgekomene was. Uit de wachtenden aan het strand maakte een vrouw zich los en vertrok wenend terug naar haar woning, aldus de plaatselijke berichten van destijds.
Hoewel niet nadrukkelijk vermeld betreft het hier zonder twijfel de 44-jarige Adriana Pronk-Plugge. Haar man de 43-jarige Dirk Pronk was tijdens de storm voor Texel overboord geslagen en verdronken. Veel Scheveningse gezinnen verkeerde de dagen daarna dan ook in grote onzekerheid. Uiteindelijk werd duidelijk dat de orkaan aan 32 Scheveningse vissers het leven had gekost. 
Pronk, Dirk (I7075)
 
1705 Langstlevende testament van 'den eersamen Corn. Cornelijsz van Rijn wonende op Honsholredijck en sijne lieve huijsvrou Maertien Jansdr van Beeck'.
Van hun goederen hebben zij genoemd het gemunte en ongemunte goud en zilver, de inboedel, linnen, wollen, koper, tin & houtwerk, levende have, bouwgereedschap, uitstaande actiën. Regeling voor het onderhoud van de minderjarige kinderen: Elisabet Corn., 21 jaar; Cornelis Cornelis, 20 jaar; Jan Cornelis, 18 jaar; Henrick Corn., 13 jaar en Pieter Corn., 10 jaar oud. Zij moeten onder andere leren lezen en schrijven. Regeling voor de uitkering bij huwelijk of het bereiken van de 29-jarige leeftijd (elk kind een bedrag van 2.500 gld.). 
van Rijn, Jan Cornelisz (I8673)
 
1706 Langstlevende testament van 'den eersamen Corn. Cornelijsz van Rijn wonende op Honsholredijck en sijne lieve huijsvrou Maertien Jansdr van Beeck'.
Van hun goederen hebben zij genoemd het gemunte en ongemunte goud en zilver, de inboedel, linnen, wollen, koper, tin & houtwerk, levende have, bouwgereedschap, uitstaande actiën. Regeling voor het onderhoud van de minderjarige kinderen: Elisabet Corn., 21 jaar; Cornelis Cornelis, 20 jaar; Jan Cornelis, 18 jaar; Henrick Corn., 13 jaar en Pieter Corn., 10 jaar oud. Zij moeten onder andere leren lezen en schrijven. Regeling voor de uitkering bij huwelijk of het bereiken van de 29-jarige leeftijd (elk kind een bedrag van 2.500 gld.). 
van Rijn, Cornelis Cornelisz (Sr) (I8675)
 
1707 Later Gijsbrecht van IJsselstein.

Hij was de oudste zoon van Arnoud van Amstel, heer van Benschop en Noord-Polsbroek, heer van IJsselstein en maarschalk van de bisschop van het Sticht Utrecht en Johanna van IJsselstein. Gijsbrecht erfde deze titels van zijn vader. Hij trouwde rond 1280 met Bertha van Heukelom; uit het huwelijk werden zeven kinderen geboren: Arnold, Otto, Herberen, Johan, Willem, Agnes en een (naamloze) dochter. Hij nam de naam Van IJsselstein aan en veranderde het familiewapen, dat later ook het wapen van destad IJselstein zou worden.

Gijsbrecht van IJsselstein kwam in problemen toen in 1296 enkele edelen Floris V, de graaf van Holland, wilden ontvoeren, maar zich genoodzaakt zagen de graaf te doden. Onder de samenzweerders waren Gijsbrechts oom (de door Joost van den Vondel onsterfelijk gemaakte) Gijsbrecht IV van Amstel en zijn eigen broer Arnold van Benschop; Gijsbrecht werd verdacht van medeplichtigheid. In de verwarring die door de moord was ontstaan, was de strijd tussen Holland en het Sticht opgelaaid, waarbij Gijsbrecht de kant van het Sticht koos. De Hollanders namen hem gevangen en belegerden het kasteel van IJsselstein, dat verdedigd werd door zijn vrouw Bertha. Na een jaar gaf ze zich over aan de belegeraars. Gijsbrecht was al zijn goederen kwijt. Uiteindelijk zouden ze toevallen aan de bisschop van het Sticht, Gwijde van Avesnes, de broer van de nieuwe graaf van Holland, Jan I van Henegouwen

Toen in 1308 Gijsbrechts oudste zoon Arnold trouwde met Maria van Henegouwen, de dochter van Gwijde van Avesnes kreeg Gijsbrecht zijn leengoederen terug. Gijsbrecht kreeg toestemming van de bisschop om in IJsselstein een parochiekerk te bouwen. Deze Sint-Nicolaaskerk werd in 1310 ingewijd. Zo groeide onder Gijsbrechts bestuur IJsselstein uit van een kasteel met wat boerderijen tot een stad. Gijsbrecht overleed in 1342 of 1343 en werd door zijn zoon Arnold opgevolgd als heer van IJsselstein. 
van Amstel (IJsselstein), Gijsbrecht (I3453)
 
1708 Latijn: Florentius de Leda van der Lede, Heer van Lede Floris Herbaren (I3404)
 
1709 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Levend (I1)
 
1710 leefde in 1680 als weduwe alleen wonend van de armen in de Weststraat Lap, Maertje Jacobs (I8763)
 
1711 leefde in 1680 met 4 kleine kinderen (w.v. 1 < 8 en 3 <4) van de diaconie. Lap, Ghijsbrecht Leendertsz (I10821)
 
1712 leefde in 1680 met vrouw en 6 kinderen (w.v. 2 < 4jr; 2 tussen 4 en 8 jr; 2 >10 jr) van de
diaconie 
Tuijt, Dirk Dirkse (I8642)
 
1713 Leendert Cornelisz van der Harst wordt in deze rapportage verschillende malen opgevoerd en uitgebreid besproken. van der Harst, Leendert Cornelisz (I5237)
 
1714 Leendert Cornelisz van der Harst, maar ook zijn zoon Cornelis (Leendertsz) wordt in deze rapportage verschillende malen opgevoerd en uitgebreid besproken.

Zie hiervoor ook de documentreeks (Harstenhoek 4 t/m 13) bij vader Leendert. 
van der Harst, Cornelis Leenderts (I5312)
 
1715 Leendert Jacobs van der Harst was omstreeks 1622 getrouwd met Neeltge Arents
zie het Weeskamer dossier no. 1567 - waaruit blijkt dat deze vrouw
na drie jaar overleed, haar man een jongetje Jacob
van twee jaar nalatende. uit de inventaris volgt niet
alleen dat Leendert vier wagens, waaronder een coetswagen bezat,
doch ook dat hij 350 gulden had geleend van zijn schoonmoeder Adriaene Claesdr. de weduwe
van Arij Jansz schoenmaker. 
Gezin: Lenaert Jacobs van der Harst / Neeltje Ariens Jans Bom (F1590223095)
 
1716 Leendert Pieters 't Hert
Landbouwer 
't Hart, Leendert Pz (I4183)
 
1717 Leendert Pieters 't Hert 't Hart, Leendert Pz (I4183)
 
1718 Leenman van de Grafelijkheid (10 morgen in Maasland).
Ook beleend met Steenhuysland. alias Jan van Dorp.
Volgt 22-1-1307 zijn -niet bij naam bekende- broer op in het leen van 10 morgen land te Maasland.
tr. donderdag na St. Laurens 1322, (lijftocht 12-8-1322)
Geeft 12-8-1322 zijn echtgenote haar lijftocht aan 10 morgen land te Sciplede tussen de Ghaweg en Tandhooft, belend ten zuiden aan Florens van Hodenpijl en ten noorden aan het land dat Gherard van der Werve in leen houdt.
Krijgt 19-8-1340 van zijn zuster Katerine Coppaertsdr. dan weduwe van Willem van Coudenhove, 14 morgen land genaamd het Steenhuysland alsmede 8 hond land aan de westzijde erlangs gelegen te Maasland overgedragen 
van Dorp van Schipliede, Jan Coppaerds (I3455)
 
1719 Leiningen is de naam van een oude Duitse adellijke familie.
Het land lag voornamelijk in de Elzas , Lotharingen en de Palts.
Onder het kasteel Altleiningen in de vallei van Eckbachs ligt de plaats Altleiningen , terwijl de plaats Neuleiningen op de heuvel naast het kasteel van Neuleiningen heeft ontwikkeld. 
van Leiningen, Graaf Friedrich II van Leiningen Friedrich II (I3415)
 
1720 Lenen Hofstad Binckhorst:
Henric Bertolomeusz. heeft in leen 2 hond land binnen de vrij-
heid van 's-Gravenzande, hetwelk hij op 22-11-1433 ten vrij eigen
krijgt (leen 2) (10). Ook heeft hij in leen de li morgen land te
Rijswijk, waarmee zijn grootvader Thyeman Bertholomeusz. al
beleend was; Henric draagt het op 10-7-1434 over aan Dirck
Claesz. (leen 18) (11)

Lenen Hofstad Hontshol:
Het lijkt aannemelijk dat Henric Bertolomeusz. ook beleend was
met de 5 hond land in de Noordinge te Naaldwijk, ofschoon hij
niet als zodanig wordt vermeld (leen 3) (12).

Overig onroerend goed en zegel:
De Heer van Hodenpijl heeft op 2-4-1437 4 morgen 4: hond land in
het ambacht van Dorp, gemeen met Philips van der Spange, Heynric
Bartelmeesz., Ymme Ghijsbrechtsdr. en Katrijn, de weduwe van
Claes Dircx. (leen 15) (13).

Klerk Johannes Dirksz. Loef en diens moeder Machteld Gerardsdr.
stichten op 10-2-1439 een eeuwige kapelanie in de Sint Jacobs-
kerk te 's-Gravenhage op een door de collator aan te wijzen
altaar. De inkomsten komen onder meer uit 5$ hond land in het
Ambacht van Naaldwijk belend ten 0. de banwech, ten W. Hendrick
Bertelmeessoen, ten N. de erfgenamen van Meyns Janszoen, die dit
land voor 5 pond Hollands in gebruik hebben (14).

Heynric Bertelmeesz. koopt op 8-1-1439 van Pieter Wormboutsz. al
het land, dat Pieter en zijn kinderen in het ambacht 's-Graven-
zande bezitten, groot 2 morgen, genaamd Pinakersland, waarvan
zijn vijf delen bezitten tegen Pieter Claesz. drie delen. Op
12-5-1439 verkoopt Heynric Bertelmeesz. dit land aan zijn neef
Willem Pieterszoon (Pieter Claesz. wordt dan genoemd: Pieter
Claeys van Pijnakensz.) (15).

Heynric zegelt zelf op 12-5-1439 (zegel is geschonden) (15). Op
21-11-1440 zegelt Heynrick ook, als Claes Jansz. aan Pieter
Bertolomeesz. verkoopt zijn huis met 4; morgen land te 's-Graven-
zande in het Nieuweland (16).

De Hofstad Hoge Woerd te Naaldwijk heeft 4 morgen 4 hond 36 roede
land te Naaldwijk in 1474, ten oosten belend door Henrick Meeusz.
(17). 
van Dorp, Henrick Bertelmeesz (I3490)
 
1721 Lenert Jacobs en Jannetje Matheusdr. woonden eerst te Scheveningen (perceel 62 in 1543 en 84 in 1559) van Schilperoort, Lenert Jacobs (I14553)
 
1722 Leven

Gwijde werd geboren als tweede zoon van Willem II van Dampierre en Margaretha van Constantinopel.
Vlaams-Henegouwse Successieoorlog (1244-1253)
Zie Vlaams-Henegouwse Successieoorlog voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Toen Margaretha in 1244 haar zus Johanna opvolgde als gravin van Vlaanderen en Henegouwen, brak er een openlijke strijd uit tussen de halfbroers Jan van Avesnes en Willem van Dampierre. Uiteindelijk kwam de Franse koning Lodewijk IX in 1246 tussenbeide: hij oordeelde dat Henegouwen naar Jan van Avesnes zou gaan en Vlaanderen naar Willem van Dampierre. In het kader van deze beslissing stond Margaretha het Vlaamse bestuur af aan haar zoon Willem. Ze bleef echter op de Henegouwse troon zitten.

Gwijde, die als tweede zoon niet direct uitzicht had op een eigen gebied, had door zijn huwelijk met Mathilde van Béthune (ook Machteld van Béthune en Dendermonde genoemd) in 1246 de heerlijkheden Béthune en Dendermonde verworven.[1] Maar toen zijnoudere broer Willem in 1251 tijdens een toernooi in Trazegnies door paarden werd vertrappeld, werd Gwijde de nieuwe bestuurder van Vlaanderen.

Toen Lodewijk IX in 1248 echter op een zevenjarige kruistocht vertrok, nam Jan van Avesnes het recht in eigen handen. In de wetenschap dat zijn moeder hem nooit de troon van Henegouwen zou geven, kwam hij samen met zijn broer Boudewijn van Avesnes tegen haar en zijn halfbroer Gwijde in op stand. Jan van Avesnes was er bovendien in geslaagd om Willem II van Holland, de graaf van Holland en Zeeland, ervan te overtuigen zijn kant te kiezen en Henegouwen en enkele gebieden in Vlaanderen te bezetten. Op 4 juli 1253 werd Gwijde van Dampierre tijdens de slag bij Westkapelle door zijn halfbroer Jan van Avesnes worden verslagen en deze laatste werd hierdoor erfopvolger van het graafschap Henegouwen. Gwijde liep in de strijd verwondingen op aanbeide benen en zou hierdoor de rest van zijn leven blijven hinken. Deze nederlaag leidde er ook toe dat in de Vrede van Brussel het graafschap Zeeland werd toegeëigend door de graven van Holland, hoewel Gwijde van Dampierre dit zou blijven aanvechten.

Erfgenaam van het graafschap Vlaanderen

Gwijde wist op 19 maart 1263 evenwel dit verlies deels te compenseren door het graafschap Namen voor 20.000 Parijse pond te kopen van Filips I van Courtenay, zoon van Maria van Brienne en Boudewijn II van Constantinopel.[2]
Deelname aan Achtste Kruistocht (1270)

Hij nam in 1270, aan de zijde van de Franse koning Lodewijk IX, deel aan de Achtste Kruistocht naar Tunis.
Gwijde wordt van Vlaanderen graaf (1278-1305)

Op 29 december 1278 deed zijn moeder Margaretha van Constantinopel in zijn voordeel afstand van het graafschap Vlaanderen, waarvan hij tot dan mederegent was. Gwijde was toen al 53 jaar oud.

Het grafelijk bestuur stond niet hoog aangeschreven bij de bevolking. Dat was te wijten aan de langdurige afwezigheid van Ferrand van Portugal, die jarenlang in Frankrijk in gevangenschap verbleef, het onzekere bestuur van zijn echtgenote Johanna van Constantinopel en de jarenlange vete tussen het huis Dampierre en het huis Avesnes. De Vlaamse steden (Gent, Ieper, Kortrijk) werden welvarend dankzij de lakenindustrie. De graven moesten om hun hofhouding te bekostigen financieel steeds meer ophen een beroep doen ten koste van grafelijke macht.

Bij de troonsbestijging van koning Filips IV de Schone in 1285, begonnen de moeilijkheden tussen Vlaanderen en Frankrijk. Gwijde van Dampierre zocht steun bij de Engelse koning Eduard I. In 1294 kwamen Gwijde en Eduard te Lier overeen dat zoon Eduard II van Engeland zou huwen met Filippa van Vlaanderen, de dochter van Gwijde. De Franse koning verhinderde dit huwelijk door Gwijde, zijn dochter en groot gevolg naar Frankrijk uit te nodigen en ze beiden gevangen te zetten. Gwijde werd na bemiddeling van onder meer paus Bonifatius VIII vrijgelaten in 1295, terwijl zijn dochter Filippa in het paleis Louvre opgesloten bleef en er overleed in 1306. Gwijde zegde zijn feodale trouw 9 januari aan de Franse koning op en sloot een militair verbond met Engeland (7 januari 1297, dezelfde dag waarop de nieuwe Hollandse graaf Jan I met Elisabeth, de dochter van de Engelse koning Eduard, huwde[3]). De openlijke strijd tussen graaf Gwijde en koning Filips IV nam hierdoor een aanvang.

Uit geldnood deed Gwijde geregeld een beroep op Pieter uten Zak (gestorven in 1309 'in duistere omstandigheden'), de voorlaatste commandeur van de Tempeliers in het baljuwschap Vlaanderen.[4] Vlaanderen werd door de Franse koning bezet (januari ? mei 1300). Gwijde gaf zich met zijn oudste twee zonen, Robrecht III van Béthune en Willem van Crèvecoeur, gevangen. Deze gebeurtenissen waren mede oorzaak van de Brugse metten en de Guldensporenslag in 1302, waarin Gwijde van Namen, een zoon uit zijn tweede huwelijk, een belangrijke rol zou spelen.

Gwijde van Dampierre overleed in gevangenschap te Compiègne in 1305. Hoewel hij liever naast zijn tweede echtgenote Isabella van Luxemburg in de Abdij van Beaulieu was begraven, werd hij door zijn kinderen begraven in de Abdij van Flines. Hij werd in Vlaanderen opgevolgd door zijn zoon Robrecht III van Béthune. 
van Dampierre, Heer van Dampierre Gwijde III (I4171)
 
1723 Levensloop

Eleonora was een dochter van hertog Richard II van Normandië uit diens huwelijk met Judith van Bretagne, dochter van hertog Conan I van Bretagne.

Rond het jaar 1031 huwde ze met graaf Boudewijn IV van Vlaanderen (980-1035), die ongeveer dertig jaar ouder dan haar was, eerder gehuwd was met Otgiva van Luxemburg en reeds vader was van Boudewijn V (1012-1067) — zijn opvolger als graaf van Vlaanderen. Eleonora en Boudewijn IV kregen een dochter:

Judith (1033-1094), huwde in 1051 met Tostig Godwinson, graaf van Northumberland, en daarna in 1071 met hertog Welf I van Beieren 
van Normandië, Gravin van Vlaanderen Eleonora (I14658)
 
1724 Lid firma Schnell & Kiderlen, commissionairs in tabak te Rotterdam, lid firma E. Kiderlen, distilleerders te Delfshaven, lid firma Nederlandsche Stoombranderij en Distilleerderij te Rotterdam, directeur Societe Generale des Eaux de Vie de Cognac, voorheen Tissot & Co. te Rotterdam, lid raad van Rotterdam, vice-consul van Wurttemberg. von Kiderlen, Emil (I4329)
 
1725 lidmaat 1721 Tuijt, Soetje Teunisdr (I5641)
 
1726 Lidmaat op belijdenis Luytgen Siewertsz (I4274)
 
1727 Lidmaat te De Lier Boekesteijn (Verhoeck), Pieter Pz (I4186)
 
1728 Liesbeth Jans, eiseres, laat beslag leggen op het vermogen van Crijn Arentsz. van der Helm i.v.m. 21 gld. verdiend huurloon, toekomende aan
Dirk Arends van Santen tot ’s-Gravenzande. 
van der Helm, Crijn Adriaanszn (I2331)
 
1729 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Levend (I1)
 
1730 Liutgard van Vermandois (ca. 914 – 9 februari 978) was een dochter van Herbert II van Vermandois en Adelheid van Bourgondië. Via haar vader was zij een zesde generatie afstammeling van Karel de Grote. Ze huwde eerst met Willem I van Normandië en na zijn dood in 942 een jaar later in 943 met Theobald I van Blois. van Vermandois, Liutgard (I14598)
 
1731 Lodewijk I, geb. bij Poitiers tussen 16 april en de herfst van 778, door paus Hadrianus I tot koning van Aquitanië gezalfd Rome Pasen (154)-781; na de dood ,van zijn oudere broers Karel en Pippijn door zijn vader tot keizer gekroond en als mederegent aangesteld Aken 11.9.813; alleenheerser 28.1.814; doet zich door paus Stephanus IV opnieuw tot keizer kronen Reims 28.10.816; ontwerpt in Aken juli 817 een regeling van de toekomstige verdeling van zijn rijk (Ordinatio Imperii) welke hij echter in 829 wijzigt ten gunste van de uit zijn tweede huwelijk geboren zoon Karel hetgeen tot een reeks burgeroorlogen leidt; tot afstand gedwongen Compiègne okt. 833 doch door zijn jongere zoons hersteld Saint-Denis 1.3.834; dit bevestigd door hernieuwde kroning Metz 28.2.835; overl. op een eiland in de Rijn bij Ingelheim 20.6.840, begr. Saint-Arnould bij Metz; had in ca. 793 een verhouding met een onbekende vrouw, tr. (1) 794 of 795 Irmingard, overl. 3.10.818, dr. van Ingram, graaf in deHaspengouw, en N.N.;

Lodewijk de Vrome (Chasseneuil bij Poitiers, 11 april 778 – Ingelheim am Rhein, 20 juni 840), ook wel de Eerlijke en de Joviale, was de koning van Aquitanië vanaf 781. Hij was ook koning der Franken en medekeizer (als Lodewijk I) met zijn vader, Karel de Grote, vanaf 813. Als de enige overlevende volwassen zoon van Karel de Grote en Hildegard, werd hij de enige heerser der Franken na het overlijden van zijn vader in 814, een positie die hij bekleedde tot zijn overlijden, met uitzondering vande periode 833-834, waarin hij was afgezet.

Tijdens zijn bewind in Aquitanië werd Lodewijk belast met de verdediging van de zuidwestelijke grens van het rijk. Hij veroverde Barcelona op de moslims in 801 en liet de Frankische autoriteit gelden over Pamplona en de Basken ten zuiden van de Pyreneeën in 812. Als keizer nam hij zijn volwassen zonen - Lotharius I, Pepijn I van Aquitanië en Lodewijk de Duitser - op in de regering en zocht naar een geschikte verdeling van het rijk tussen hen. Het eerste decennium van zijn bewind werd gekenmerkt door tragedies en vernederingen, met name de brutale behandeling van zijn neef Bernhard van Italië, met wie hij zich verzoende in een publieke act van zelfvernedering. In de jaren 830 werd zijn rijk verscheurd door een burgeroorlog tussen zijn zonen, verergerd door pogingen van Lodewijk om zijn zoon Karel de Kale op te nemen in zijn opvolgingsplannen. Hoewel zijn bewind eindigde op een hoge noot, met orde grotendeels hersteld, werd het gevolgd door drie jaar burgeroorlog. Lodewijk wordt over het algemeen on

Geboorte en naamgeving

Terwijl Karel de Grote in Noord-Spanje op veldtocht was, beviel zijn vrouw Hildegard, hetzij op 11 april, in juni of augustus 778 in de palts van Chasseneuil bij Poitiers van een tweeling. Na Karels terugkeer werden ze als Lodewijk en Lothar gedoopt. De Karolingische koningsnamen Karel, Karloman en Pepijn waren al aan Karels eerder geboren zonen vergeven, zodat er besloten werd terug te grijpen op de namen van de belangrijkste Merovingische koningen Chlodowech I, oftewel Clovis, en Chlotarius I. De kleine Lothar overleed al in 779, maar Lodewijk overleefde.

Koning van Aquitanië

Ten tijde van de geboorte van Lodewijk begon Karel de Grote een politiek van decentralisatie van bestuur en militair bevel vorm te geven. Doel daarvan was om in alle strategische grensgebieden een permanent aanwezige macht te hebben, onafhankelijk van de verblijfplaats van Karel zelf. Hiertoe creëerde Karel koninkrijken voor zijn zoons, die daar moesten gaan wonen en het bestuur en het militaire bevel op zich moesten nemen. Lodewijk, drie jaar oud, werd in 781 koning van Aquitanië en daarmeebelast met de confrontatie met de Omajjaden van Andalusië, onder regentschap van een hofhouding van ervaren hovelingen, bestuurders en bevelhebbers, die zijn taken voor hem waarnamen.

Lodewijk ontving als kind goed onderwijs, hij sprak vloeiend Latijn en beheerste ook Grieks. Hij werd verder opgevoed volgens de gebruiken en wetten van Aquitanië.

In 797 verwierf Lodewijk Barcelona nadat de Arabische gouverneur van die stad in opstand was gekomen en toen zijn opstand mislukte de stad liever aan de Franken overdroeg. In 799 ging Barcelona verloren maar in 800 leidde Lodewijk met Willem met deHoorn en zijn zoon Bera, een leger van Aquitaniërs, Basken, Visigoten (uit Septimanië en de Provence) en belegerde Barcelona, de stad valt uiteindelijk in 801. Hiermee ontstond de Spaanse Mark.

In 806 regelde Karel de Grote zijn erfenis. Volgens deze verdeling zou Karel de Jongere vermoedelijk koning worden boven zijn broers en kreeg hij de kern van het rijk, Pepijn kreeg Italië en gedeelten van Zuid-Duitsland en Lodewijk kreeg Aquitanië,een gedeelte van Bourgondië en de Provence.

In 812 bedwong Lodewijk een Baskische opstand. Hij ging voor zijn vader minstens een keer op campagne tegen Benevento in Zuid-Italië. 
Keizer, Koning van Aquitanië Lodewijk I, De Vrome (I4798)
 
1732 Lodewijk VI, volledig: Lodewijk Theobald, de Dikke, (Parijs, 1 december 1081 – Château de la Douye te Béthisy-Saint-Pierre, 1 augustus 1137) was koning van Frankrijk van 29 juli 1108 tot 1137. Zijn bijnaam was letterlijk bedoeld, Lodewijk was dik en werd bij zijn leven al "de Dikke" genoemd. Lodewijk werd geboren in Parijs als zoon van Filips I van Frankrijk en Bertha van Holland (1055-1094).

Lodewijk werd opgevoed in de abdij van Saint-Denis, samen met zijn latere raadsman Suger. In 1092 werd hij benoemd tot graaf van de Vexin en de steden Mantes-la-Ville en Pontoise. Dit plaatste hem in het front tegen Normandië/Engeland. Zijn vader verstootte zijn moeder om te kunnen trouwen met Bertrada van Montfort, wat leidde tot een politieke crisis in Frankrijk. De jonge Lodewijk bleef zo veel mogelijk weg van het hof. In 1097 nam hij deel aan de verdediging van de Vexin tegen Willem II van Engeland en in 1098 werd hij tot ridder geslagen.

Ondanks de pogingen van zijn stiefmoeder om haar zoons koning te laten worden, werd Lodewijk in 1100 door zijn vader als erfgenaam aangewezen. In dat jaar maakte hij een reis naar Londen. Een poging van Bertrada om hem daar gevangen te laten nemen mislukte. Op de terugweg werd een aanslag op Lodewijk door een geestelijke verijdeld. In 1101 werd Lodewijk benoemd tot graaf van Vermandois. Zijn vader was toen al zo verzwakt dat Lodewijk in feite al als koning regeerde. Hij werd in 1101 vergiftigd maar werd genezen door een joodse arts.

In 1104 verzoende Lodewijk zich met Bertrada en hij verloofde zich met Lucienne de Rochefort, een verwante van Bertrada. In 1107 verbrak Lodewijk de verloving, met een te nauwe bloedverwantschap als excuus. In 1106 accepteerde Lodewijk dat Hendrik I van Engeland Normandië veroverde, waardoor Engeland en Normandië weer een verenigd rijk werden.
Koning

Filips overleed op 29 juli 1108. Lodewijk was formeel zijn erfgenaam maar zijn positie werd bedreigd door zijn stiefbroers.
Kroning

Lodewijk werd op 3 augustus 1108 in grote haast te Orléans tot koning gekroond. De kroning kon niet in Reims (de gebruikelijke plaats voor de kroning van Franse koningen) plaatsvinden omdat die stad door een conflict over de bisschopsfunctie onder een interdict viel. Bovendien werd de stad gecontroleerd door Lodewijks halfbroer Filips en diens bondgenoot Theobald IV van Blois. Er waren nauwelijks grote vazallen of kerkvorsten aanwezig bij de kroning.

De geldigheid van de kroning werd tevergeefs aangevochten door zijn halfbroers. Betrada besloot daarna om zich terug te trekken in een klooster. Guy van Rochefort kwam echter in opstand. Lodewijk veroverde zijn kasteel in Gournay-sur-Marne. Guy stierf en zijn partij werd nu aangevoerd door Hugo van Crécy, die zich weer verbond met Hugo van le Puiset. Omdat Hugo van le Puiset de fout maakte om de gebieden rond Chartres te plunderen, koos Theobald van Blois de kant van Lodewijk. Met de steun van Theobald kon Lodewijk zich handhaven, maar het gebied dat hij daadwerkelijk onder controle had was niet groter dan de regio rond Parijs, Orléans en Senlis. De rest van Frankrijk werd geregeerd door edelen die feitelijk onafhankelijk waren.
Binnenlandse strijd

Lodewijk was bijna 30 jaar koning en al die tijd was hij verwikkeld in conflicten met Normandië (en dus ook met Engeland) en lokale opstandige edelen en roofridders binnen zijn eigen domeinen. Vlaanderen en Vermandois waren meestal zijn bondgenoot, Blois en Anjou wisselden regelmatig van kant.

In 1109 veroverde Lodewijk La Roche-Guyon, op de grens van Normandië. Zijn poging om in 1110 het sterke Normandische kasteel van Gisors te veroveren, liep echter uit op een nederlaag. Dit leidde tot enkele jaren van schermutselingen.

Lodewijk veroverde het jaar daarop (1111) samen met Theobald IV van Blois Le Puiset en nam Hugo gevangen. Lodewijk bouwde in de omgeving een eigen kasteel, Toury. De Normandische edelman Robert I van Meulan brandschatte Parijs als vergelding voor plunderingen van zijn bezittingen door koninklijke troepen.

Toen in 1112 de graaf van Corbeil zonder directe erfgenaam overleed, verklaarde de koning dat het graafschap terug toeviel aan de kroon. Theobald van Blois maakte echter ook een aanspraak op het graafschap en koos nu de kant van de opstandelingen. Lodewijk liet in reactie hierop Hugo van le Puiset vrij, met de afspraak dat die zich tegen Theobald zou keren. Ondanks zijn beloften sloot deze zich direct bij de opstandelingen aan, waarop Lodewijk een bondgenootschap met Robrecht II van Jeruzalem sloot. Hugo van le Puiset veroverde het kasteel van Toury maar Lodewijk wist het weer te heroveren. Lodewijk en Rudolf I van Vermandois versloegen in een veldslag Hugo van le Puiset, Hugo van Crecy, Theobald van Blois en anderen. Later dat jaar versloeg en doodde Theobald van Blois Robrecht van Vlaanderen in een veldslag bij Meaux.

In 1113 sloot hij het eerste verdrag van Gisors met Hendrik I van Engeland. Lodewijk moest hierbij grote concessies doen. Ondertussen bleef Lodewijk evenwel de Normandische tegenstanders van Hendrik steunen. Ook sloot Lodewijk een bondgenootschap met Anjou.

Lodewijk wist het jaar daarop (1114) ten slotte Hugo van Crecy en zijn familie te onderwerpen. Hugo werd monnik en zijn familiebezit werd door Lodewijk verdeeld: Bray-sur-Seine werd aan Theobald van Blois gegeven. Zelf hield hij Montlhéry, Gometz en Châteaufort. Lodewijk stuurde troepen naar Amiens ter ondersteuning van de bisschop tegen Thomas I van Coucy. Toen Thomas ook nog de moordenaars van de bisschop van Laon onderdak bood, liet Lodewijk hem excommuniceren.

Lodewijk wist in 1115 Thomas te verslaan, maar kreeg tijdens de strijd een pijl in zijn borst.

Na de onderwerping van Thomas en het overlijden van diens vader in 1116, gaf Lodewijk het graafschap Amiens aan Adelheid van Vermandois. Dit zou tot een langdurige vete tussen Thomas en de familie van Vermandois leiden.

Lodewijk onderwierp in 1118 Hugo van le Puiset definitief en dwong hem om naar Palestina in ballingschap te gaan. Lodewijk steunde een opstand van Normandische edelen onder leiding van Willem Clito tegen Hendrik I van Engeland. Willem was een neef van Hendrik en eiste de titel van hertog van Normandië op, omdat Hendrik die titel in 1106 op zijn vader had veroverd. Lodewijk kon echter geen leger sturen door het verzet van Theobald van Blois, die Hendrik steunde. Hendrik wist de opstand grotendeels te onderdrukken.

Nadat hij in 1119 Theobald had onderworpen en trok hij met zijn leger naar Normandië. Hij veroverde Ivry, maar werd verslagen bij Breteuil. Boudewijn VII van Vlaanderen werd door Hendrik verslagen en gedood. Een nieuwe inval van Lodewijk in Normandië mislukte en hij kon alleen door te vluchten aan gevangenneming ontsnappen. Fulco V van Anjou koos de kant van Hendrik en Lodewijk moest de strijd opgeven.

Lodewijk intervenieerde in 1122 tegen de lokale graaf in Auvergne ten gunste van de bisschop. Het volgende jaar (1123) mislukte een nieuwe poging om Willem Clito aan de macht te brengen in Normandië.

In 1126 kwam het opnieuw tot een interventie in Auvergne, waarop de graaf steun vroeg aan de hertog van Aquitanië, die er juist voor koos om nu de koning te huldigen.

Lodewijk bestrafte in 1127 de moord op Karel de Goede door de betrokkenen van een toren in Brugge te laten werpen. Omdat Karel geen erfgenamen had, wees Lodewijk nu Willem Clito aan als graaf van Vlaanderen, maar die kreeg algauw met veel verzet te maken. Uiteindelijk werd Diederik van de Elzas als nieuwe graaf van Vlaanderen aangesteld. Tijdens Lodewijks afwezigheid kwam het tot een conflict tussen de koningin en de machtige kanselier Stephanus van Garlande, die steeds meer macht voor zichzelf en zijn familie trachtte te verwerven. Adelheid liet daarom de huizen van Stephanus en zijn partijgangers in Parijs verwoesten.

Het volgende jaar (1128) kreeg Stephanus steun van Theobald van Blois en Hendrik I van Engeland. Na een beleg van twee maanden veroverde Lodewijk samen met Roeland van Vermandois zijn kasteel bij Livry. Lodewijk werd evenwel door een pijl van een kruisboog in het been getroffen en Roeland verloor een oog, maar de macht van Stephanus was gebroken. Hij verzoende zich met Lodewijk en zou zelfs nog een keer kanselier worden.

In 1129 wees Lodewijk zijn oudste zoon, Filips, die zijn oogappel was, aan als opvolger en liet hem op 14 april tot medekoning benoemen. Het jaar daarop (1130) versloegen en doodden Lodewijk en Roeland van Vermandois Thomas van Marle, nadat die eerder Vermandois had aangevallen en een jongere broer van Roeland had gedood. Filips, Lodewijks medekoning en kroonprins, stierf op 13 oktober 1131 door een ongelukkige val van zijn paard. Lodewijk wees nu zijn zoon Lodewijk, die tot dan toe in de abdij van Saint-Denis was opgevoed, aan als opvolger, die door paus Innocentius II in Reims tot medekoning werd gezalfd en gekroond. In 1132 huldigde de graaf van Vlaanderen, Diederik van de Elzas, Lodewijk als zijn heer.

Lodewijk trok in 1137, tegen het advies van zijn adviseurs, die van mening zijn dat hij door zijn zwaarlijvigheid (zijn bijnaam is letterlijk bedoeld en werd al tijdens zijn leven gebruikt) en chronische buikklachten niet tot deze onderneming in staat was, op tegen de roofridders van Saint-Brisson-sur-Loire. Lodewijk werd getroffen door dysenterie en overleed.
Buitenlandse politiek

Lodewijk trouwde op 28 maart 1115 met Adelheid van Maurienne, wat aangaf dat zijn ambities tot in het zuiden van Frankrijk reikten. In 1119 steunde hij de verkiezing van paus Calixtus II en kwam daarmee in conflict met keizer Hendrik V. In 1124 trok Hendrik V met een leger naar Frankrijk. Het lukte Lodewijk met de steun van Theobald van Blois en de hertog van Aquitanië om een groot leger op de been te brengen. De legers ontmoetten elkaar bij Metz en vanwege de onverwachte sterkte van het Franse leger besloot Hendrik om van strijd af te zien en zich terug te trekken.
Bestuur

Lodewijk werd door alle tijdgenoten beschreven als een vriendelijke en vrolijke man. Hij was ook een krachtdadige koning en van groot belang voor de vestiging van de koninklijke macht in Frankrijk. Onder zijn bewind bloeiden de economie en de steden in de gebieden die onder zijn bewind stonden. Vanaf 1110 gaf hij steden stadsrechten. Bij zijn dood was Parijs de grootste stad van Frankrijk. Lodewijk stichtte daar de abdij van Saint-Victor, de priorij van Saint-Lazare en een vrouwenklooster op de Montmartre. Hij stelde een jaarmarkt in te Parijs en liet de oude Romeinse brug door een nieuwe stenen brug vervangen. Lodewijk rekruteerde zijn dienaren uit de lage adel en geestelijkheid om zo de macht van de grote adellijke families in te perken. Hij dwong zijn directe vazallen om zijn wetten te hanteren en geen eigen wetten te maken. Lodewijk stelde een koninklijke raad in.

In 1137 werd hij door de stervende hertog van Aquitanië belast met de taak om een goede echtgenoot voor zijn erfdochter Eleonora van Aquitanië te vinden. Lodewijk liet deze kans om de positie van de Franse kroon te versterken niet voorbijgaan en verloofde haar direct met zijn zoon en kroonprins Lodewijk VII van Frankrijk. 
van Frankrijk, Lodewijk VI (I14602)
 
1733 Lodewijk VII de Jongere (geboren 1120 – Parijs, 18 september 1180) was koning van Frankrijk van 1137 tot 1180.
Lodewijk was de tweede zoon van Lodewijk VI van Frankrijk en Adelheid van Maurienne. Hij was daarom voorbestemd voor een geestelijk ambt en werd opgevoed door de abt Suger van St. Denis,
de belangrijkste adviseur van zijn vader.

In 1131 overleed zijn oudere broer door een ruiterongeluk en nu werd Lodewijk de kroonprins.
Hij werd op 15 oktober 1131 gezalfd en tot medekoning gekroond. Er was nog een complot om Lodewijk te vervangen door zijn jongere broer Robert maar dat werd verijdeld.

In 1137 overleed hertog Willem X van Aquitanië zonder mannelijke erfgenamen. Hij benoemde zijn oudste dochter Eleonora van Aquitanië tot zijn opvolger en verzocht Lodewijk VI om haar belangen te beschermen en een goede huwelijkskandidaat voor haar te vinden. Voor Lodewijk VI was dit een politiek wonder: het hertogdom Aquitanië met de bijbehorende graafschappen en steden was de grootste, rijkste en machtigste feodale staat van Frankrijk.
Controle over Aquitanië zou de koning de kans geven om geheel Frankrijk werkelijk aan zijn gezag te onderwerpen – Lodewijk VI en zijn voorouders hadden alleen werkelijk macht over het gebied rond Parijs en Orléans gehad en de grote feodale vorsten vonden zichzelf gelijkwaardig aan de koning.

Lodewijk VI besloot binnen een dag dat Eleonora met Lodewijk zouden moeten trouwen. Lodewijk trok samen met Suger, Theobald IV van Blois en Roeland I van Vermandois, met een gevolg van 500 ridders, naar Bordeaux.
Op 25 juli trouwden Lodewijk en Eleonora daar in de kathedraal. Bij het huwelijk werd echter overeengekomen dat Lodewijk geen macht over Aquitanië zou krijgen maar dat alleen Eleonora hertogin van Aquitanië zou zijn.
Pas een eventuele zoon zou de functies van hertog van Aquitanië en koning van Frankrijk werkelijk verenigen.

Kort na het huwelijk overleed Lodewijk VI en volgde Lodewijk hem op.

Het huwelijk van Eleonora en Lodewijk was stukgelopen, en ze hadden nog geen mannelijke erfgenaam geproduceerd. De oude abt Suger verzette zich echter uit alle macht tegen een scheiding.
Toen die in 1152 overleed, werd de scheiding al snel uitgesproken (11 maart 1152) op grond van te nauwe bloedverwantschap (in die tijd het gangbare excuus voor een scheiding). 
van Frankrijk, Koning van Frankrijk Lodewijk VII (I4806)
 
1734 Lodewijk werd in 1179 getroffen door een beroerte. Hij wees Filips van de Elzas, de Vlaamse graaf aan tot eerste raadgever en begeleider van de op dat ogenblik veertienjarige kroonprins Filips.
Daarna was hij niet meer in staat om te regeren. Zijn zoon werd in Reims gekroond maar Lodewijk was verlamd en al zo zwak dat hij de ceremonie niet kon bijwonen.
Een jaar later overleed hij. Lodewijk werd begraven in de abdij Notre-Dame-de-Barbeaux bij Fontainebleau. In 1817 werd hij herbegraven in de Kathedraal van Saint-Denis. 
van Frankrijk, Koning van Frankrijk Lodewijk VII (I4806)
 
1735 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Levend (I1)
 
1736 Lokatie:
52°11.854' N
04°19.583' O 
van der Harst, Johannes Zier (I4101)
 
1737 Loteling in het derde regiment infanterie. Harteveld, Willem (I13581)
 
1738 Louris Ariensz van der Does, omtrent 55 jaren en Pieter Jacobsz van der Moor, omtrent 55 jaren, beide wonend in t Noordlant in Zandbambacht leggen een verklaring af op verzoek van Arien en Doe Jaspers van Alenburg wonend tot Vlaardingen en 's-Gravesande. Pieter Arentsz Spronsen wonend te 's-Gravesande heeft gebruikt in de jaren 1655, 1656 em 1657 een morgen weiland in het Nieuweland buiten 's-Gravesande. Het land was van de heer dijckgraeff van Nieuwelant. van Alenburgh, Doe Jaspersz (I2273)
 
1739 Machteld was een zus van hertog Hendrik II. Na de dood van haar man in 1234 koos zij haar residentie in 's Gravenzande.
Zij kreeg toen de voogdij over haar 6 jarige zoon Willem, de latere Willem II. Ze zorg de ervoor dat 's Gravenzande stadsrechten kreeg en in 1246 ook een begijnhof.

Na de dood van Floris IV in 1234 kwam ze in conflict met haar zwager Willem over het regentschap. In 1235 werd met hulp van de aartsbisschop van Keulen een regeling getroffen waarbij Willem regent van Holland werd.
Na de meerderjarigheid van haar zoon Willem II trok zij zich terug op haar bezittingen in het Westland. Ze woonde in ‘s-Gravenzande en gaf die plaats stadsrechten. Ze stichtte daar ook een kerk en begijnhof. Machteld werd begraven in het cisterciënzer klooster in Loosduinen, dat zij in 1230 samen met haar man had gesticht. Dit ondanks dat ze in een akte van 1244 had aangegeven dat zij en haar dochters in de abdij van Affligem moesten worden begraven. 
van Brabant, Gravin van Holland Machteld (I5807)
 
1740 Machtelt Kers Jacobsz., overleden 11-10-1524, heeft het Kapittel
te Naaldwijk besproken 5 gouden gulden voor een eeuwige memorie
en 4 pond Hollands ten behoeve van 't loff' (?) (53). 
van Dorpe (Dorpius), Machteld Bartholomeusdr (Meesen) (I4654)
 
1741 Maerten Maertensz de Wit
door Robin Houben Terug naar familiefragmenten
In vele kwartierstaten prijkt de naam van Maertens Maertensz de Wit. Met hem stopt echter bij velen de De Wit afstamming. In onderstaand betoog wil ik zijn familie aantonen.
Maerten Maertensz de Wit huwde 3x. [Bron: Trouwboek Scheveningen]:
"Maerten Maertens j.m. van Schevel: met Maertie Cornelis j.d. van Schevelingen woonende beijde alhier haer eerste gebode gehadt den 13 september 1648 getrout den 8 november".
"Maarten Maertens de Wit weduwenaer vy Maertie Corn: Pronck met Corsje Jans j.d. beijde vy Schevel: ende alhier woonachtug haer eerste gebode gehadt dy 29 april 1663 getrout dy 13 maij pynsterdach maandach".
"18 januari 1693 Maerten Maertens de Wit wedr van Corsie Jans met Peternelletie Eeuwits beiaarde dochter beide woonende alhier getrouwt dy 1 febr".
Hoewel ook uit zijn 2e huwelijk kinderen zijn geboren is voor de afstamming van Maerten Maertensz de Wit vooral zijn 1e huwelijk belangrijk. Bij het dopen van zijn kinderen treden een aantal doopgetuigen op die de eerste aanwijzing voor zijn familie oplevert [Bron: Doopboek Scheveningen]. Dit zijn:
"Corn Maertensz" op 10-1-1649.
"Pr Maertsz" op 20-3-1661.
"Jannetge Jochums" op 20-3-1661.
Afgaande op de patroniemen zijn de eerste twee personen vermoedelijk broers van Maerten. Er is nu nog geen aanwijzing dat Jannetje Jochums ook familie is, maar ik noem haar toch omdat, zoals later blijkt, zij de stiefmoeder van Maerten Maertensz was. Zijis een belangrijke factor in de bewijsvoering van de afstamming van Maerten Maertensz de Wit.
Ook in Delfshaven zijn verschillende personen met de naam De Wit te vinden. Tegenwoordig heeft het Rotterdams Gemeentearchief, waar de gegevens van Delfshaven zich bevinden, een aantal zeer belangrijke bronnen op internet gezet. Dit maakt de bronnen gemakkelijk toegankelijk. In het notarieel archief van Delfshaven vinden we de volgende aanwijzigingen:
2-8-1669: [Bron: Not. Archief Delfshaven 3846-95/382]
Jannetgen Jochems van Hardenbergh, vrouw van Buyser Jacobs stierman legateert 50 gld. aan Cornelis Jochems van Hardenbergh, wonend in s Gravenhage, haar broer; en vermaakt haar kleding aan Pietertjen Maertens de With, vrouw van Adriaen Gerrits Cocxhoorn;Jaepjen Benjamijns van der Brugge, vrouw van Pieter Maertens de With en Geertjen Abrahams Walingh, vrouw van Floris Maertens de With en benoemt tot haar erfgen. haar man.
9-1-1693: [Bron: Not. Archief Delfshaven 3861-3/22]
Op verzoek van Buisert Jacobsz, weduwnaar van Jannetje Jochemsdr die eerder wed. was van Maerten Claesz, verklaren Cornelis Maertensz de Wit en Ary Gerritsz Bocxhoorn, gehuwd met Pietertje Maertensdr de Wit, beiden kinderen en erfgenamen van Maerten Claesz, stierman, dat het huis gelegen aan de oostzijde van de Oudehaven bij de boedelscheiding is toegevallen aan genoemde Jannetje Jochemsdr
11-5-1657: [Bron Not. Archief Rotterdam 142 339/510]
Jannetge Jochems 58 jaar weduwe van Maerten Claesz wonende te Delffshaven en haar drie zonen Cornelis Maertensz 25 jaar, Pieter Maertensz 18 jaar, Floris Maertensz 16 jaar verklaren op verzoek van Pieter Huchtenbrouck coopman dat voornoemde Maertenin opdracht van requirant 10 halve zakken hop naar Hul in Engeland gebracht heeft. De hop is daar verkocht aan Timothij Lunnen.
Uit deze 3 akten blijkt dat Jannetje Jochums eerst gehuwd moet zijn met ene Maerten Claes. Deze Maerten moet de vader geweest zijn van o.a. Cornelis, Pieter, Floris en Pietertje Maertens de Wit. Onduidelijk is nu nog of Jannetje Jochums de moeder of de stiefmoeder was.
Meer informatie omtrent Jannetje Jochums is te vinden in de trouwboeken van Scheveningen en Delfshaven.
Op 29-4-1650 gaan op Scheveingen in ondertrouw "Maerten Claesen weduwenaer met Jannetie Jochems j.d. beijde woonende alhier toe Schevel. haer eerste gebode gehadt dy 24 april 1650 getrout dy 8 mey". [Bron: Trouwboek Scheveningen].
Op 26-5-1658 trouwen in Delfshaven "Buijser Jacobsz, weduwnaar van Neeltje Cornelis, wonende Catwijc O/ Zee en Jannetje Jochems weduwe van Maerten Claesz, wonende Delfshaven". [Bron: Trouwboek Delfshaven]
Gezien de leeftijd van de verschillende kinderen van Maerten Claesz genoemd in de bovenvermelde not. Akten moet Jannetje Jochums dus hun stiefmoeder zijn.
Wederom terug naar Scheveningen, de plaats waar Jannetje Jochums voor het eerst in het huwelijk trad. In de weeskamer van Den Haag [Bron: Weeskamer Den Haag 402-1550] vinden we op 18-4-1650
"Maerte Claes stierman als vader eenre ende Cornelis Joppe Pronck, Arent Arents Koock en Arijen Doens als ooms en voogden van het nagelate weeskind van za. Lijsbet Pieters met name Pieter en Floris Maertens, alle woonachtig op de dorpe van Scheveninge alsdat sij Maerte Claes zal bij de weeskamer te s gravenhage soodanig somme van hondert gulden gecomen van Arijen Jans Knijn halve broeder van voors kinderen."
Gezien de datum en de namen van de kinderen moet dit wel dezelfde Maerten Claesz betreffen als degene die Jannetje Jochums zou huwen.
Eerst eens verder inzoomen op het echtpaar Maerten Claesz en Lijsbeth Pieters. Zij lieten in Scheveningen 2 kinderen dopen: [Bron: Doopboek Scheveningen]
In 1638 "Den 7e Novemb gedoopt het kint van Maerte Claesz gent Pr, get Corn Ingensz Frederick Cornsz".
In 1643 "Den 8e gedoopt het kint van Maerte Clsz gent Trijntge, get Cees Joppe Jannetge en Gerritge Pieters"
Dat het hier dezelfde Maerten Claesz betreft wordt bevestigd doordat zijn zoon Pieter op 11-5-1657 inderdaad 18 jaar was zoals in de not. akte van Delfshaven staat. Ook de dochter Trijntje is aan hem toe te schrijven gezien de doopgetuigen. Cornelis JoppePronck werd in de weesakte van 1650 als oom van de weeskinderen genoemd. De beide meisjes Pieters zullen zussen van Lijsbeth Pieters zijn geweest. Trijnge is vermoedelijk als kind gestorven in Delfshaven. De begraafboeken beginnen daar pas in 1695 dus vanhaar is verder niets meer te vinden. Van zoon Floris is geen doopinschrijving op Scheveningen te vinden. Gezien zijn 16 jarige leeftijd in 1657 moet hij omstreeks 1641 zijn geboren. Dit past prima tussen beide genoemde doopdatums in. In deze periode missen wel meer doopinschrijvingen op Scheveningen.
Lijsbeth Pieters zelf tenslotte stierf in 1649. "Den 12e begraven Lijsbet Prsdr huijsvrou van Maerte Claesz opt kerkhof aen noortsijde". [Bron: Begraafboek Scheveningen].
Lijsbeth Pieters was dus de moeder van Pieter en Floris Maertensz. Jannetje Jochums had echter nog meer stiefkinderen: op zijn minst Cornelis en Pietertje. Jannetje Pieters moet echter reeds eerder gehuwd zijn geweest met ene Jan Knijn. Het is dus zeker niet ondenkbaar dat Maerten Claesz ook al eerder gehuwd was voordat hij met Lijsbeth Pieters in het huwelijk trad. Hij zou dan dus 3x gehuwd zijn geweest.
Zoon Cornelis Maertensz de Wit was in 1657 25 jaar. Hij moet dus geboren zijn omstreeks 1632 uit het 1e huwelijk van Maerten Claesz de Wit. Onze Maerten Maertensz de Wit huwde in 1648. Hij werd begraven op 22-4-1709 [Bron: Begraafboek Scheveningen]. Vermoedelijk zal hij omstreeks 1625 geboren zijn. Qua tijdsperiode zou hij dus makkelijk een zoon uit het eerste huwelijk van Maerten Claesz kunnen zijn. Als (oudste?) zoon was hij reeds zelfstandig toen zijn vader naar Delfshaven vertrok en is hij op Scheveningen achter gebleven. Zijn jongere broers en zusters zijn wel naar Delfshaven gegaan.
Om deze theorie verder te onderbouwen moeten we eens naar de verschillende bronnen over huizen op Scheveningen kijken. Op 26-6-1688 verkoopt Maerten Maertensz de Wit een huis op Scheveningen "op dn hoeck van den heer van Wassenaerstraetje te Scheveningen", belend in het NO "Cornelis Cath". In mei 1649, 29-6-1658 en 11-11-1665 wordt op dit perceel in belendingen een Maerten Claesz genoemd. [Bron: Transportregister Den Haag]
Al met al genoeg bewijs om Maerten Claesz aan te wijzen als vader van Maerten Maertensz de Wit. 
de Wit, Maerten Claesz (I10003)
 
1742 Maerten Willemze Fiereman
Begraven op het koor
Impost 8-0-0 
Saeneke, Maerten Willemsz (I3868)
 
1743 Maertje Bastiaene weduwe van Arij Jercks kagenaer
1 Vrouw
1 meijt 
Maertje Bastiaenen (I2512)
 
1744 Margareta Stevensz wed Bastiaen Claesz de Wit
1 Vrouw
1 kindt booven 10 jaer
1 kindt booven 8 tot 10 jaren
1 kindt beneden 8 tot 4 jaren
1 kindt beneden 4 jaer 
Overklift, Margarita Steffens (I2269)
 
1745 Margaretha van Dampierre (1272 - 1331). Margaretha van Dampierre (niet te verwarren met haar gelijknamige halfzuster Margaretha van Dampierre, die leefde van ca. 1251 - 1285) was de dochter van Gwijde van Dampierre en zijn tweede vrouw Isabella van Luxemburg. Zij werd als tienjarige op 15 november 1282 te Roxburgh (Schotland) uitgehuwelijkt aan de negentienjarige Alexander van Schotland (1263-1283), erfprins van Schotland, die een jaar later stierf. Op 3 juli 1286 werd ze, inmiddels veertien jaar oud, te Namen (Wallonië) uitgehuwelijkt aan Reinoud I van Gelre (1255-1326), graaf van het hertogdom Gelre.

In 1293 schonk Margaretha een stuk grond aan de Dominicanermonniken van Zutphen bedoeld voor de bouw van een klooster, de huidige Broederenkerk. 
van Dampierre, Margaretha (I4306)
 
1746 Mari Oliviers een eygen huys, maar alsoe dese van aelmis leeft
daerover hier nyet. 
Marijcken Vranckendr (I3560)
 
1747 Maria Hoogewerff, weduwe van Adriaen van Roijen, die dijkgraaf van de zuid Beijerlanden en de Eendrachtspolder was, benoemt tot haar erfgenamen Cornelis, Jacobus, Magdalena, Henricus en Pieter van Driel, allemaal kinderen van haar broer Aert van Driel, dijkgraaf van Albrantswaard. Met de voorwaarde, dat haar genoemde broer zijn leven lang het vruchtgebruik heeft. Als executeur en voogd over de minderjarigen benoemt ze haar broer Aert van Driel. van Driel, Aert Jansz (I12710)
 
1748 Maria Tasman, wed. van Bastiaan van der Harst
Aelbertsz., verkoopt aan Bastiaan van der Harst substituut-schout de helft
in de bomschuit, genaamd „de Jonge Apolonia", stuurman Cornelis Wou-
ters Pronk voor ƒ 300.— 
van der Harst, Bastiaan Jacobse (I5197)
 
1749 Maria Tasman, wed. van Bastiaan van der Harst
Aelbertsz., verkoopt aan Bastiaan van der Harst substituut-schout de helft
in de bomschuit, genaamd „de Jonge Apolonia", stuurman Cornelis Wou-
ters Pronk voor ƒ 300.— 
Tasman, Marijtje Maartens (I14000)
 
1750 Maria van Schotland (1082 - 1116) was de jongste dochter van koning Malcolm III van Schotland en zijn tweede vrouw Margaretha van Schotland.

Maria was de jongste van acht kinderen. Haar broers waren: Eduard, Edmund, Ethelred, Edgar, Alexander en David. Maria had een zuster, Edith, eerste echtgenote van Hendrik I van Engeland.

Maria werd in 1086 samen met haar zuster Edith door hun ouders naar het klooster van Romsey gestuurd. De twee meisjes besteedden hun vroege leven in het klooster onder de hoede van hun tante, van wie zij ook hun onderwijs kregen. Edith ontving veelhuwelijksaanzoeken, maar sloeg deze af. Edith verliet ten slotte het klooster in 1100 om te trouwen met Hendrik I van Engeland. Aanvankelijk was het huwelijk onaanvaardbaar, omdat Edith en Maria beide hun jeugd in in het klooster doorbrachten en werden beschouwd als nonnen. Hendrik kreeg echter toestemming om te trouwen.

Maria verliet het klooster in 1096. Op verzoek van haar zus werd Maria door Hendrik uitgehuwelijkt aan Eustaas III van Boulogne, zoon van Eustaas II van Boulogne en Ida van Verdun. Het huwelijk duurde twintig jaar, waaruit een dochter voortkwam: Mathilde van Boulogne (1105-1152). Door haar huwelijk met Stefanus van Engeland werd zij koningin van Engeland. 
van Schotland, Maria (I3387)
 

      «Vorige «1 ... 3 4 5 6 7 8 9 10 11 Volgende»



Snelle Links

Contact

Contact
Achternamen
Historie

Bericht Webmaster

Ik doe er alles aan om het onderzoek te documenteren. Als u iets heeft dat u zou willen toevoegen, neem dan contact met mij op.