Genealogie van der Kruijk - van der Harst
De tijdreis van onze families.
Treffers 1,251 t/m 1,500 van 2,532
| # | Aantekeningen | Verbonden met |
|---|---|---|
| 1251 | Het graafschap Holland was een graafschap waarvan het gebied uiteindelijk ongeveer overeenkwam met de provincies Noord- en Zuid-Holland zonder de Zuid-Hollandse eilanden en met de eilanden Terschelling, Vlieland, Urk en Schokland, die later zijn overgeheveld naar andere provincies. Datzelfde geldt voor het Land van Heusden en Altena dat vanaf 1813 behoort bij de provincie Noord-Brabant. Van een ‘graaf van Holland’ is voor het eerst sprake rond 1100 als graaf Floris II van Holland zichgraaf van Holland noemt. Met de dood van Jan I in 1299 stierf diens dynastie: het “Hollandse Huis” uit en sindsdien waren de graven van Holland steeds afkomstig van buiten het graafschap: achtereenvolgens het huis Avesnes (Henegouwen), het huis Wittelsbach (Beieren), het huis Valois (Bourgondië) en het Habsburgse huis. De Gerulfingen waren de familie van de eerste graven van West-Frisia en Holland en Zeeland. De naamgever was Gerulf I. Er zijn hypotheses die veronderstellen dat hij afstamde van de Friese koning Radboud († 719). Deze dynastie staat ook bekend als het Hollandse Huis en eindigde met de dood van Jan I van Holland in 1299. Hij was een Friese graaf die vanaf ongeveer 896 het bewind voerde over een aantal gebieden in de kuststreek van West-Frisia, het latere graafschap Holland. Hij was waarschijnlijk een zoon van de West-Friese graaf Gerulf. Dirk erfde van graaf Gerulf het gezag over Kennemerland en Rijnland. Van hem is bekend dat hij de Westfrankische koning Karel de Eenvoudige steunde bij een opstand van zijn vazallen. Als dank hiervoor kreeg hij van Karel op 15 juni 922 te Bladel de kerk van Egmond met alle daarbij behorende goederen. | van Holland, Graaf van West Frisia Dirk I (bis) (I4126)
|
| 1252 | Het hele schip is met man en muis vergaan. | Roeleveld, Cornelis (I6439)
|
| 1253 | Het huis Naaldwijk was een machtige adellijke familie uit het graafschap Holland. De heren van Naaldwijk droegen onder andere de titel van erfmaarschalk van Holland. Het geslacht is in 1600 uitgestorven. Unarch van Nadelwich is de stamvader van het geslacht. Hij wordt vermeld in een grafelijke oorkonde van 1156 als getuige van de graaf van Holland. Het stamslot van de familie heeft gelegen in het centrum van Naaldwijk. Zij bezaten tevens een buitenplaats bij Honselersdijk. Het geslacht Naaldwijk vindt zijn oorsprong uit het adellijk geslacht Voorne en bezat landgoederen in de streek die nu bekendstaat als het Westland. De leenschappen bestonden uit Naaldwijk en Honselersdijk met goederen en tienden in Monster, Poeldijk, Wateringen en Schipluiden. Door middel van zijn huwelijk bemachtigde Hugo I van Naaldwijk de titel van erfmaarschalk van Holland. Deze zou gedragen worden tot de laatste heer van Naaldwijk en bestond niet alleen uit een dienende rol als veldheer voor de graaf van Holland, maar ook een functie als adviseur en raadsheer. Unarch van Nadelwich wordt in 1156 als laatste met name genoemd onder de getuigen bij de overdracht van een aantal kerken in het graafschap Holland door de Abdij van Echternach aan graaf Dirk IV, gravin Sofia en hun zoon Floris in ruil voor 120 gemeten land op Schouwen. Tot die kerken behoorde de door Willebrord gestichte moederkerk van Flerethinga (Vlaardingen) en de daartoebehorende bijkerken van Skie (Overschie) en Harega (het vroegere Kethel). | van Nadelwic(k), Heer van Naaldwijk Unarch (I3393)
|
| 1254 | Het huwelijk met Cunegonde vertoonde in 1323 grote scheuren, omdat ze met haar kinderen gevlucht was naar een klooster in Linschoten, waar ze in 1326 nog zat. | Gezin: Heer van Arkel Jan III van Arkel / Cunegonde van Virnenburg (F1590224486)
|
| 1255 | Het is heel vwerrassend dat Quirijn de achternaam 'van Montfoort' heeft, terwijl de rest van de familie 'Schenaert' gebruikt. Er is geen verklaring voor gevonden en zeker geen verwantschap met de Leidse familie Van Montfoort. De kleinkinderen van Quirijn gebruiken wel weer de achternaam 'Schenaert'. | van Montfoort, Quirijn Cornelisz (I12620)
|
| 1256 | Het is niet duidelijk of dit de datum van begrafenis betreft of dat hij vermist is gebleven. | van der Meulen, Baarthout Claas (I4788)
|
| 1257 | Het is waarschijnlijk dat Jacob Pronk een rol speelde bij de landing van de erfprins van Oranje te Scheveningen. 30-11-1813 Ook is hij de commandant geweest van de boot die Stadhouder Willem V wegbracht. Tevens reder en oprichter van het eerste Scheveningse badhuis. (van hout) in 1817. Later door de gemeente 's-Gravenhage uitgekocht, waarna op deze plek het Kurhaus verscheen. | Pronk, Jacob (I5317)
|
| 1258 | Het kind van Hendrick Pietersz Sterrevelt - Op 15-5-1690 voor het kind ter weeskamer gekomen over aflossing van een schuldrentebrief van – als ’t voorsz kind tot laste van Jan Dircksz van der Moor en sijn h+e tot ’s Gravenzande sprekende hadde, dus 230-0-0 geroijeerd | van Alenburgh, Jan Doe (I3950)
|
| 1259 | Het leen blijkt nadien in handen van Maerten Willemsz. te Pijnacker | van Dijck, Pieter Dircksz (I3566)
|
| 1260 | Het lijkt aannemelijk dat de familie al generaties lang aan het gebied 'Harse laghe', 'Harsclaghe' of 'Harst laghe' 'verbonden was. Zie hiervoor ook bij de afdeling 'Kaarten', 'Haagambacht rond 1250'. Leendert Cornelis van der Harst wordt ½ 1798 een grijsaard genoemd. Hij was eerst visser, daarna boer, kreeg toestemming van de magistraat om vissersschuiten in en uit zee te trekken en hield daarvoor paarden. Ook deed hij aan de schelpenvisserij. Hij zag kans duingrond tot weien hooiland te ontginnen en kreeg op 7-9-1768 en 26-6-1769 ½ 12 morgen duingrond in de Graeflijkheid in eeuwigdurende erfpacht, waarvoor hij f 5,-- per morgen en 1/10 van de opbrengsten moest afdragen. In 1770 strandde een schip uit de Oostzee voor Scheveningen en Leendert van der Harst gebruikte de rogge als zaaikorels. Ook teelde hij aardappels uit zaad. Hij ontving voor de ontginningsactiviteiten een zilveren medaille en 30 gouden dukaten van de Maatschappij ter bevordering van de Landbouw. Voor de voortzetting van de ontginning kreeg hij veel waardering en ontving een zilveren tabaksdoos, een exemplaar van "De Werken van de Maatschappij" en vier dukaten. Ook zijn zoons Cornelis van der Harst (ged. 27-10-1754, tr. Kornelia Taal) en Joseph van der Harst (ged. 3-6-1764, tr. Jacoba Buis) hielpen hem bij de ontginning en bracht het aangrenzende duinterrein in cultuur. Voor de ontginning betrok hij tegen een geringe prijs het visafval van de Scheveningers. Uit het verslag van de heer Bogaardt uit 1785 blijkt dat toen 24 morgen, d.i. ongeveer 20 ha. ontgonnen was. Uiteindelijk zou het gebied zo'n 25 ha. groot worden. Meer info over deze markante voorvader is te vinden in het document 'Biografie LCvdH' in de sectie '(Levens) verhalen'. | van der Harst, Leendert Cornelisz (I5237)
|
| 1261 | Het lijkt er op dat Emile Arnold Kiderlen in 's-Gravenhage is overleden. De inschrijving in de registers van Wassenaar vindt namelijk op 13-6-1950 plaats, met verwijzing naar 's-Gravenhage. | Kiderlen, Emile Arnold (I6051)
|
| 1262 | Het recht of liever het voorrecht om als voerman te mogen fungeeren, had een bijzondere beteekenis. Kwam de voerman op jaren, dan zocht hij zijn zoon of bij gebreke van dien, een neef in zijn plaats benoemd te krijgen. Dat ging weer heel of- ficieel. - In de notulen vanachout en Burgemeesteren van 's-Gravenhage van 17 September 1794 leest men: „Is na deliberatie goedgevonden en verstaan vermits de vrijwillige af- stand van Leenderd van der Harst in zn'n plaats te qualificeeren, Joost van der Harst, om beneevens diegeenen, die te Scheveningen woonende met actens van het groote of kleine wagenveer bij Haar Edele Achtbaare zn'n voorsien, met zijn wagen te vervoeren de versche visch, die met de Schee- veningsche marktwagen gereeden moet worden, werwaarts de zeeluiden of vischverkoopers zullen goed' vinden, als meede de pinken op en neder te trekken, mits omtrend de loonen als anderzints zich stiptelijk reguleerende na de keuren en ordonnantiën daar omtrend bij Haar Edele Achtbaare alreeds gemaakt of noch te maaken, doch dat de voornoemde Joost van der Harst maar alleen zal mogen houden een ope waagen, en geensints een koets of bolderwaagen, phaëton of chaise en geene passagier zal mogen meede neemen en omtrend het vervoeren van pakgoederen zich zal regulee- ren na de resolutie van 29 January 1753." | van der Harst, Joseph Leendertsz (I5350)
|
| 1263 | Het recht of liever het voorrecht om als voerman te mogen fungeeren, had een bijzondere beteekenis. Kwam de voerman op jaren, dan zocht hij zijn zoon of bij gebreke van dien, een neef in zijn plaats benoemd te krijgen. Dat ging weer heel officieel. - In de notulen vanachout en Burgemeesteren van 's-Gravenhage van 17 September 1794 leest men: „Is na deliberatie goedgevonden en verstaan vermits de vrijwillige af- stand van Leenderd van der Harst in zn'n plaats te qualificeeren, Joost van der Harst, om beneevens diegeenen, die te Scheveningen woonende met actens van het groote of kleine wagenveer bij Haar Edele Achtbaare zn'n voorsien, met zijn wagen te vervoeren de versche visch, die met de Schee- veningsche marktwagen gereeden moet worden, werwaarts de zeeluiden of vischverkoopers zullen goed' vinden, als meede de pinken op en neder te trekken, mits omtrend de loonen als anderzints zich stiptelijk reguleerende na de keuren en ordonnantiën daar omtrend bij Haar Edele Achtbaare alreeds gemaakt of noch te maaken, doch dat de voornoemde Joost van der Harst maar alleen zal mogen houden een ope waagen, en geensints een koets of bolderwaagen, phaëton of chaise en geene passagier zal mogen meede neemen en omtrend het vervoeren van pakgoederen zich zal regulee- ren na de resolutie van 29 January 1753." | van der Harst, Leendert Cornelisz (I5237)
|
| 1264 | Het regentschap van Lutgardis (993-1005) Toen zijn vader Arnulf in 993 sneuvelde,[5] was Dirk III nog te jong om het bestuur op zich te nemen, waarop zijn moeder Lutgardis van Luxemburg deze taken waarnam. In 1005 was Dirk oud genoeg om zelfstandig het graafschap te besturen, maar maakte nog steeds dankbaar gebruik van de goede connecties van zijn moeder. Zij riep de hulp in van haar zwager, de Duitse koning Hendrik II, om een Friese opstand te onderdrukken. De koning vertrok vanuit Utrecht per schip met een leger naar Friesland en bracht de aanvallen tot staan. | van Luxemburg, Liutgard (I4261)
|
| 1265 | Het verhaal gaat dat Burchard in dienst trad van de paus. Toen Margaretha in 1244 gravin van Vlaanderen werd, zou hij zijn teruggekeerd naar Vlaanderen. Margaretha was inmiddels hertrouwd en liet Burchard in Rupelmonde onthoofden. | van Avesnes, Baljuw van Henegouwen Burchard (I4871)
|
| 1266 | Het zeebad was uitgevonden in Engeland. Jacob Pronk had er daar over horen spreken. In 1817 opende de scheveningse reder -die altijd geld rook waar het lag, of het nu met prinsen wegbrengen of met smokkelen was- een houten badhuis. Bestaandeuit een badkamertje en twee wachtkamers. De gegadigden zaten in een forse badkuip en nijvere vrouwtjes stortten emmers vol koud zeewater over hen uit. 'Verkwikkend, geneeskrachtig tegen rheumatische aandoeningen, vapeurs, hartwater'en alles wat verder de levenslust kon vergallen. Ook bevorderde het de vruchtbaarheid van vrouwen. 'Zelfs nog meer dan de modder van de rivier de Nijl'. Zoals er kryptisch bij staat. Graaf Gijsbert Karel van Hogendorp kwam de baden gebruiken tegen het hem nog altijd kwellende pootje. Zowel door de lijfelijke aanwezigheid van de beroemde bevrijder als door Pronks 'nicht durch Sachkennis getrübtes Urteil' (lof van een Duitser) nam het bedrijf een hoge vlucht. Uit: "Koningen, Kabinetten en Klompenvolk" 1975 Deel 1, blz. 443 | Pronk, Jacob (I5317)
|
| 1267 | Heynric Claesz, geboren voor 1500, overleden voor 1544. In het kohier van de 10-de penning van dat jaar komt zijn weduwe voor met 10 morgen eigen land plus nog 6 morgen eigen verdolven (verveend) land en 12 morgen, 5 hont en 14 hont in gebruik van derden. In de kohiers van 1555 en 1558 komen de 10 morgen eigen land niet meer voor, zij pacht dan 18 morgen met een woonhuis en 4, respectievelijk 3 morgen los land. Gehuwd met Maritjen, waarschijnlijk overleden voor 1562, in het kohier vande 10-de penning komt zij dan niet meer voor. | van der Speck (Verspeck), Heynric Claesz (I10352)
|
| 1268 | Hield op hooggezag lijkrede bij overlijden van Prins Willem IV | Semeyns, ds Arend Brouwer (I4114)
|
| 1269 | HIER.LEIT.BEGRAVEN IAN.CORNELIS.Z. ALIAS.IAN.DOCHERE ANNO 1603 graf 34 82x42 cm, voorzien van huismerk G.`t Hart voegt in zijn boek `De Oude Kerk` het volgende commentaar toe: `Zijn huismerk stamt overeen met `Jan Cornelis Doggers merk`(zie Weesk. arch. nr. 130, fol XXIII). Hij assisteert 2 Oct. 1599 Oth Jacobsz (die op die datum als weduwnaar van Neeltgen Huybrechts bewijzinge wil doen aan zijn 6 onmondige kinderen). In 1588 is Jan Dogger kerkmeester van Scheveningen, tesamen met Jan Adriaensz Houck, Huybrecht Thonisz en Dirck Jansz. (Arch. Kerkmeesters van Scheveningen, nr. 2 rek. 1588). Tot 1600 bleef hij met onderbrekingen kerkmeester. Volgens het Kohier van de 10e penning uit 1561 woonde hij toen aan de oostzijde van de Weststraat. 10 oktober 1566 werd, wegens het overlijden van de weduwe Ade Adriaensdr., gehuwd geweest met Walich Diricksz., een gedeelte van haar boedel verkocht, die niet deelbaar was (oud Archief der gemeente `s-Gravenhage 1313-1815 6311). Dan worden 5 erfgenamen genoemd, onder wie Jan Doggersz. stuurman, een zoon van Ade Adriaensdr. Circa 1594 blijkt Jan Cornelis Doggers zoons te hebben verloren, nl. Walich Jansz en Dirck Jans (weesk. arch. nr.130, fol. XXIII, XXIIII).` `t Hart beschrijft dan de samenstelling van de gezinnen van Walich en Dirck. De naam Dogger(s) komen we in de Oude Kerk nogmaals tegen. 7 aug. 1652 wordt in de kerk begraven `een Cagenair uyt de Hage van Jan Doggers volck`. | Doggers, Jan Cornelis (I5430)
|
| 1270 | Hii wordt vermeld van 22-11-1433 tot 21-11-1440: op dat laatste tijdstip zegelt hij als poorter van 's-Gravenzande met drie afge- rukte leeuwekoppen; overl. voor 14-2-1477 | van Dorp, Henrick Bertelmeesz (I3490)
|
| 1271 | Hij betaalt in 1557 en ca. 1576 aan de St. Joriskerk te De Lier de 6 schellingen uit het land voor Burgersdijk, ca. 1533 nog betaald door Jacob Heyman Boudijnsz., zijn schoonvader. | van Dijck, Dirck Thonisz (I3599)
|
| 1272 | Hij bewoonde op 7 juli 1478 een huis te Rijswijk afkomstig van zijn broer Jacob. Van de bijbehorende 13 morgen land bezat hij 1/4 deel, die hij van Jacob zal hebben geërfd. Dirck Dirckxsz. van der Speck, de Oude, is in februari 1501 gestorven, nadat hij de kerk tot memorie van hem en zijn vrouwen Lijsbeth en Aechte een jaarrente van 1½ pond Hollands had vermaakt .. de kerkmeesters .. Dirck Dirckxsz. van der Speck, de Jonge enz. [KA Rijswijk inv. 518 fo. 11, reg. 74] | van der Speck, Dirck Dircksz (I10300)
|
| 1273 | Hij bracht zijn jeugd door in Schotland. Willem begeleidde zijn vader op diens kruistocht naar het Heilige Land. Daar waar zijn vader overleed, keerde Willem met roem terug. Bij de twisten met zijn broer Dirk koos hij de zijde van de Westfriezen. Uiteindelijk werd deze ruzie bijgelegd en mocht Willem zich onder andere als graaf van Friesland manifesteren. In die hoedanigheid kwam hij in conflict met Hendrik de Kraan, heer van Kuinre, leenman van de Bisschop van Utrecht, die plundertochten ondernam in het Friese gebied. Willem trok ten strijde en vernietigde de burgt van Kuinre. Zijn broer Dirk, voogd over het bisdom, liet Willem op kasteel Horst bij Rhenen door Hendrik van Kuinre gevangen nemen. Willem ontsnapte echter en vluchtte naar Gelre. Daar verloofde hij zich met de dochter van graaf Otto I van Gelre, Aleid en in 1198 huwde hij met haar te Stavoren. Na de dood van zijn oudere broer, graaf Dirk VII in 1203, betwistte hij het recht van opvolging van diens dochter Ada, die onmiddellijk na de dood van haar vader in het huwelijk was getreden met Lodewijk van Loon. Het gevolg was de zogenaamde "Loonse oorlog", waarbij Willem aanvankelijk de winnende partij was. Lodewijk van Loon gelukte het echter om in 1204 terug te slaan met steun van de Graaf van Vlaanderen en de Bisschoppen van Luik en Utrecht. Willem week uit naar Zeeland en van daar uitwist hij in 1205 het graafschap terug te veroveren. In 1206 werd de vrede getekend en formeel werd het graafschap tussen Willem en Lodewijk van Loon opgedeeld. Willem kreeg Zeeland met de streek rond Geertruidenberg, Lodewijk de rest. Waarschijnlijk is echter dat Willem als Graaf van Holland gewoon door regeerde en in 1213 ontving hij het graafschap als rijksleen van de Welfische keizer Otto IV. Hierna was hij onbetwist Graaf van Holland. Toen deze Keizer Otto IV op 27 juli 1214 in de slag bij Bouvrines verslagen werd, waarbij Willem I gevangen genomen werd, veranderde Willem van partij en sloot hij zich aan bij Keizer Frederik II. Vervolgens nam Willem I zelfs deel aan een Franse expeditie naar Engeland tegen Jan zonder Land. Het gevolg hiervan was dat de Engelse koning het verdrag uit 1206 weer boven tafel bracht en Lodewijk van Loon als graaf van Holland erkende. Tevens bereikte hij dat Willem I door de paus in 1216 werd geëxcommuniceerd. Mede om van deze ban ontslagen te worden, heeft Willem in 1217 aan de vijfde kruistocht deelgenomen. Op deze tocht verwierf hij veel roem, onder andere in 1217 te Portugal bij de verovering op de moren van de vesting Alcacer en in 1219 in de verovering van Damiate aan de Nijl in Egypte. Zijn vrouw Aleid was inmiddels op 12 februari 1218 overleden en na zijn terugkeer in Holland in 1220 huwde Willem voor een tweede maal, nu met Maria van Brabant, de weduwe van keizer Otto IV. Hoewel er in het huwelijksverdrag werd bepaald dat een eventueel uit het huwelijk geboren zoon in erfrecht voor zou gaan op de kinderen uit zijn eerste huwelijk kwam het niet zo ver. Toen Willem I op 12 februari 1222 overleed was zijn tweede huwelijk nog steeds kinderloos. In de tijd van Willem I werd de opkomst van de steden bevorderd. Hij verleende stadsrechten aan Middelburg, Dordrecht, Geertruidenberg en mogelijk ook aan Leiden. Ook werden tijdens zijn bewind een aantal belangrijke waterstaatkundige werken uitgevoerd, waaronder de bedijking van de Grote Waard en de aanleg van de Spaarndam. Hij gaf bovenden een belangrijke aanzet tot het ontstaan van de hoogheemraadschappen. | van Holland, Graaf van Holland en Zeeland Willem I (I4846)
|
| 1274 | Hij gebruikt vanaf 1659 de naam 'Immerseel' | Immerseel, Jan Jacobsz (I3876)
|
| 1275 | Hij heeft de naam "Hogewerff" geruime tijd gevoerd | Hogewerff, Willem Jacobszn (I1983)
|
| 1276 | Hij heeft zijn hele leven de naam "de Loose" gevoerd, evenals sommigen van zijn nakomelingen. | de Loose, Dirk Jacobsz (I3760)
|
| 1277 | Hij huwde mogelijk met een dochter van Heyn Allertsz. te Maasland | Gezin: Claes Toude Aerntsz / Ane (F1590223716)
|
| 1278 | Hij is bekend onder de naam "Mr. Symon Vrederic", pastoor van Edam, vermeld sedert 1445-4. Hij deed 23 okt. 1477 vrijwillig afstand, kapelaan van de St. Pieterskerk te Leiden, stichtte 24 okt. 1475 een vicarie op het St. Catharina-altaar in de St. Pancreaskerk te Leiden, gewijd aan St. Catharina, St. Barbara en St. Apollonia, bewoonde in 1478 een huis te Leiden aan de Nieuwe Straat (ws. de Kloksteeg) in het bon Over 't Hoff. Dit huis kocht hij 9 nov. 1460. Beleend met die Specken, op 18 juni 1477 na het overlijden van zijn broer Jacob. Bij de stichting van zijn vicarie bepaalde hij dat hij tot zijn dood zelf het vruchtgebruik van de vicariegoederen zou genieten, nadien zou de vicarie zijn voor zijn neef Joest Vranckenz.; de begeving van de vicarie behield hij voor zichzelf om vervolgens te komen aan zijn zuster Yeve, na haar dood aan genoemde Joest en tenslotte aan Yeves nageslacht. De vicaris moest gekozen worden uit Symons familie en bij gebrek daaraan diende een arm priester te worden gekoz de librije van de St. Pieterskerk onder voorwaarde van medegebruik door de vicaris (27 dec.1482). Symon vermaakte het Jherusalemshof aan de Cellebroedersgracbt (nu Kaiserstraat) te Leiden een rente, op voorwaarde dat de mannen van het hof ieder I penning in de St. Pieterskerk zouden offeren tijdens de memoriedienst voor hem. Ook het klooster Mariënhaven deed zijn memorie. | van der Specke, Symon (Mr. Symon Vrederic) (I10344)
|
| 1279 | Hij is een van de weinigen van de dusver beschrevenen die geen enkel ambt bekleed heeft. Niettemin is van hem vrij veel bekend. . In het kohier van de verkopingen der tienden over de jaren 1561 - 1580 komt hij tot zijn overlijden regelmatig voor. In 1562 koopt hij zelfs het gewas van de boomgaarden van de heer van Rijswijk voor de (voor die tijd !) aanzienlijke som van 70 pond. Dat laatste zal nog speculatiever geweest zijn dan de koop van tienden. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat hij het jaar daarop klaarblijkelijk krap bij kas is, want - op 17 juni 1563 - verkoopt hij aan Joffrou Clementi, de weduwe van wijlen Mr. Jan van Ilpendam, een jaarlijkse lijfrente van zes Karolus gulden, te lossen met de penning zestien. Het zal dus om ongeveer honderd gulden gegaan hebben. Hij heeft een woonhuis en 7 morgen land van zichzelf. Daarnaast pacht hij een bescheiden oppervlakte van 10 morgen, waarboven in 1558 en 1562 nog 1½ morgen teelland. Het is niet onmogelijk, dat de kopers van tienden, behal Eind 1563, begin 1564, is zijn eerste vrouw Aryaentje Dircxdr. overleden. Er zijn 9 kinderen uit dit huwelijk, die hij op 22 januari 1564 uitkoopt. De kinderen zijn: Pieter Pouwelszn. Neeltje Pouwelsdr. Cors Pouwelszn. Claes Pouwelszn. oud omtrent 19 jaar Heynric Pouwelszn. oud omtrent 17 jaar Willem Pouwelszn. oud omtrent 14 jaar Jacob Pouwelszn. oud omtrent 12 jaar Appolonia Pouwelsdr. oud omtrent 10 jaar Leentje Pouwelsdr. oud omtrent 6 jaar Uit de leeftijd van het jongste kind mogen we afleiden, dat Aryaentje Dircxsdr. bij haar overlijden niet veel ouder geweest kan zijn dan 45 à 50 jaar, hetgeen haar geboortejaar rond 1520 brengt. Het lijkt echter aannemelijk de leeftijd van Pouwels tien jaar ouder te stellen. Bij de voormelde acte neemt Ouwe Pouwels op zich de ongehuwde kinderen te eten en drinken te geven, te kleden en schoeien, de meisjes te leren naaien en school gaan en de "knechtjes" mede te leren lezen en schrijven. Datin het midden van de 16e eeuw de vader deze plicht tegenover zijn kinderen vastlegde, geeft een aanduiding van het aanzien van de familie. Aan het onderhoud en die opvoeding zou hij 300 pond te koste leggen. Bovendein zal hij, als de kinderen "tothaeren mondige staet" gekomen zijn, wat voor de jongens 20 jaar is en voor de meisjes 18, elk 24 pond uitkeren. Als ze echter van huis gaan en trouwen zal hij elk nog eens 18 Karolus gulden betalen "tot haere bruijtstuk". Voorts is er nog de curieuze bepaling opgenomen, d Paulus is vrij snel hertrouwd, wat geen wondeer mag heten met een groot gezin van nog vrij jonge kinderen. Zijn tweede vrouw is Aeltje Aryensdr. Het huwelijk heeft niet lang geduurd, want in 1570 is zijn weduwe reeds weer hertrouwd. Haar nieuwe echtgenoot, Oelsier Aryenszn. compareert dan voor gezworenen van Rijswijk waarbij hij verklaart Aeltje Aryensdr. gehuwd te hebben, de weduwe van Ouwe Pouwels Claeszn. Verspeck. Uit het tweede huwelijk van Paulus zijn nog twee kinderen geboren: Aeriaentje Pouwelsdr, die als haar moeder hertrouwt ongeveer drie jaar oud is; Neeltje Pouwelsdr. dan ongeveer een half jaar oud. Oelsier Aryenszn. heeft de verplichtingen van Ouwe Pouwels Claeszn. voortvloeiende uit de voormelde acte van 12 janauari 1564 overgenomen, in dier voege, dat hij op zich neemt aan de kinderen 800 Karolus gulden te betalen in diverse termijnen; eerst de kinderen uit het eerste huwelijk, dan de laatste. De zoons worden in deze acte genoemd in de volgorde: Pieter, Cors, Heynric, Willem, Claes en Jacob. Daarbij valt op, dat in vergelijking met de vorige acte, Claes is verhuisd van de derde naar de vijfde plaats. Neeltje blijkt inmiddels gehuwd met Damis Janszn. Zij is, evenals haar man, in 1582 reeds overleden en dus waarschijnlijk slechts even 40 jaar oud geworden. In een acte van 22 oktober 1582, namelijk, verkopen Pieter Pouwelszn. en Maerten Janszn. als gerechte öemers en Voechdens" van het achtergelaten weeskind van Damis Janszn. en Neeltje Pouwelsdr. een huis en erf. Er zijn, als Oesier Aryenszn. zijn verplichtingen doet vastleggen, nog slechts 4 kinderen thuis "van 't ouwe bedde" (het eerste huwe Uit deze acte blijkt, beter nog dan uit de voorgaande, dat de meisjes niet slechts de vrouwelijke handwerken leerden, maar eveneens lezen en schrijven. Sier Aryenszn. en Aeltje zijn huisvrouw, treden in al hetgeen Ouwel Pouwels Claeszn. bezeten heeft: huis, schuur, hooiberg, geboomte. Voorts koeien, paarden, schapen, varkens, kalveren, wagens, ploegen, eydens (eggen), stoppen (vermoedelijk een soort stoppelploeg), mouwen, enz. niets uitgezonderd. Waarschijnlijk is ook aan hun beiden geen lang leven beschoren geweest. In 1573 worden zij, met twee weeskinderen Leentgen Pouwelsdr en Ariaentgen Pouwelsdr, nog genoemd in het Kohier weekgeld Rijswijk juni 1573, maar voor Allerheiligen 1576 compareert dan voor Gezworenen van Rijswijk Gerrit gerritszn. en verklaarde gekocht te hebben van de voogden van Aryaentje Pouwelsdr. het achtergelaten weeskind van Pouwels Claeszn.Verspeck en Aeltje Aryensdr. zaliger, het huis, schuur, berg en geboomte, dat Ouwe Pouwels Claeszn. in zijn leven placht te bewonen. Waarschij Hoe het met de overige boedel is gesteld is niet aan het licht gekomen. Op de rechtdag van 10 februari 1577 (of 1579) spant Pieter Pouwelszn. een geding aan als voogd van het weeskind van Ouwe Pouwels Claeszn.Verspeck tegen Aryen Cornzn. wonende teNaaldwijk en eist een zeker, hem toekomend erfdeel uit de boedel van Ouwe Pouwels Claeszn. Er blijkt overigens wel uit, dat wanneer sterfgevallen elkaar snel opvolgend men al spoedig het spoor geheel bijster is. Ook zal niet altijd gemakkelijk zijn om, wanneer goederen in de twee of derde hand zijn overgegaan en de eerste koper de koopprijs nog niet geheel voldaan heeft, het restant te vorderen. Bij de verkoop van het huis circa in 1576 wordt de koopprijs gesteld op 300 gulden, waarvan 100 gulden gereed geld en voort alle volgende Allerheiligen, te beginnen 1577, 50 gulden totdat het geheel betaald is. Die betaling schijnt al zeer snel gestokt te hebben, want op de rechtsdag van 21 november 1578 daagt Pieter Pouwelszn. met "zijn com Socys" de eigenaren van h | van der Speck (Verspeck), Ouwe Pouwels Claesz (I3572)
|
| 1280 | Hij is volgens de trouwakte van Scheveningen Gezin 5114 Partner Leuntje Willems Pols Partner Baarthout Janszn Bruin Kind Adriana Bruin Kind Elisabeth Bruin Kind Maarten Bruijn Kind Willem Bruin Kind Cornelia Bruin Kind Gerritje Bruin | Gezin: Baarthout Jansz de Bruin / Leuntje Willems van der Pols (F1590224449)
|
| 1281 | Hij is weduwnaar van Jacobje Jacobs. | Gezin: Jan Ariense Zuurmond (Brouwer) / Leentge Leendertsdr van der Harst (F1703151980)
|
| 1282 | Hij JM Zij JD | Gezin: Adrianus Jz Koning (Konink, Koningh) (de) Koning / Pieternella, Petronella (de) Bont, Boent (F1590222569)
|
| 1283 | Hij komt voor in een oorkonde op 26 juni 1108, wanneer bisschop Burchard van Utrecht de abdij van Sint Truiden te Nijvel herstelt in de rechten, die zij in Aalburg bezit. | van Voorne, Heer van Voorne Hugo III (I3397)
|
| 1284 | Hij komt voor op een lijst van stuurlieden die in aanmerking komen voor opziener | Roeleveld, Wouter Cryne (I5273)
|
| 1285 | Hij koopt huis en tuin voor dezelfde prijs terug. | Warmeringh, Aijcke Jacobs (I6022)
|
| 1286 | Hij kreeg in 1235 een jaargeld van 6 ponden uit de tol van Geervliet, als leen van Holland. Hij was 1e gehuwd met Elisabeth van Arkel, dochter van Herbaren II van der Lede, heer van Arkel | van Strijen, Heer van Strijen Willem II (I3429)
|
| 1287 | Hij noemde zich later van Driel. | (van den Hordijk), Pieter Dirksz (I14458)
|
| 1288 | Hij overleed aan de pokken tijdens een veldtocht (onder aanvoering van Lotharius van Frankrijk) tegen Normandië. | van Vlaanderen, Graaf van Vlaanderen Boudewijn III (I14661)
|
| 1289 | Hij overleed aan een ziekte (hete koorts), en werd begraven in de Sint-Pietersabdij te Gent. | van Vlaanderen, Graaf van Saint Pol Arnulf II (I14659)
|
| 1290 | Hij overleed op een riddertoernooi in Trazegnies, waar hij door een groep ruiters werd vertrappeld, volgens zijn nabestaanden met opzet. Zijn jongere broer, Gwijde III, tweede zoon van de regerende gravin Margaretha van Constantinopel, werd daardoor erfgerechtigde op de troon in Vlaanderen. | van Dampierre, Heer van Dampierre Willem III (I14631)
|
| 1291 | Hij overleed tijdens een hinderlaag in Syrië. | van Arkel, Heer van Arkel en Heukelom Jan I (I14566)
|
| 1292 | Hij trouwde in 1196 met Mathilde, vrouwe van Bourbon, dochter van Archimbald van Bourbon, heer van Bourbon, en Adelheid van Bourgondië. Door dit huwelijk kwam de heerlijkheid Bourbon toe aan het Huis Dampierre. Hun kinderen waren: Archimbald VIII, (1189 - 1242), heer van Bourbon. Willem II (1196 - 1231) ∞ Margaretha II (- 1280), gravin van Vlaanderen en Henegouwen, dochter van Boudewijn IX (VI), Latijns keizer van Constantinopel (Huis Vlaanderen) Philippa (- 1223) ∞ 1205 Guiges IV van Albon (- 1241), graaf van Forez Maria, ∞ I 1210 Hervé van Vierzon; ∞ II 1220 Hendrik I van Sully | Gezin: Heer van Dampierre Gwijde II van Dampierre / Mathilde van Bourbon (F1730708829)
|
| 1293 | Hij verwierf in 1241 de Graafschap Dagsburg van zijn oom Simon en werd de Graaf van Leiningen-Dagsburg. Het voorouderlijk kasteel Altleiningen werd gezamenlijk eigendom van Friedrich III en zijn broer Emich IV van Leiningen Friedrich bouwde rond 1238-1241 niet ver daar vandaan het kasteel Neuleiningen. | van Leiningen, Graaf van Leiningen-Dagsburg Friedrich III (I3430)
|
| 1294 | Hij volgde zijn vader op in 1222. De eerst paar maanden, tot hij op zijn twaalfde jaar meerderjarig geworden was, onder voogdij van graaf Boudewijn van Bentheim. Floris IV huwde voor 1224 te Antwerpen met Machteld van Brabant. Hij was tien jaar daarvoor, op 5 november 1214, al met haar al verloofd toen hij nog maar vier jaar oud was. Machteld zelf was op het moment van deze verloving 14 jaar oud en al kort daarvoor weduwe geworden. Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren: Willem die zijn vader in 1234 als Willem II opvolgde, Hendrik, Floris die bekend werd als Floris de Voogd, Machteld, Aleid die huwde met Jan van Avesnes (met haar zoon Jan II werd het Eerste Huis van Holland na de dood van Jan I, de zoon van FlorisV, opgevolgd door het Huis van Henegouwen), en Margaretha, die Herman van Hennenberg huwde. Graaf van Holland (aanvankelijk onder voogdij van zijn achterneef Boudewijn graaf van Bentheim) 1222; geboren 24 juni 1210; betoont leenhulde aan de graaf van Vlaanderen voor Zeeland bewesten Schelde 21 mei 1226; treft regelingen met de bisschop van Utrecht over de Zwammerdam en het condominium over Friesland (met welk gebied hij zijn broer Otto beleend) 26 juni 1226; steunt bisschop Otto II van der Lippe met hulptroepen tegen Coevorden 1226 en 1227; ziet zijn machtsgebied aanzienlijk uitgebreid wanneer Dirk III heer van Altena en diens neef en opvolger Willem van Horne zich tot zijn leenmanverklaren 7 mei 1230; neemt deel aan de veldtocht tegen de Stedeingers 1234; vermoord op een tournooi te Corbie 19 juli 1234 door de graaf van Clairmont, die had ontdekt dat Floris IV verliefd was geworden op zijn echtgenote (die een paar dagen later is gestorven) en begraven Rijnsburg. | van Holland, Graaf van Holland Floris IV (I4172)
|
| 1295 | Hij was de laatste Friese troonpretendent. | van Egmont, Radbout II (I3367)
|
| 1296 | Hij was een avonturier, die al plunderend rondtrok over Vlaanderen en Henegouwen. Hij maakte onder meer Geraardsbergen, Lessen, Aalst en Chièvres afhandig van zijn schoonvader. Om hem te neutraliseren stond de graaf van Henegouwen aan Wederik de Rode de streek rond Avesnes-sur-Helpe toe. | van Avesnes, Wederik I (I14587)
|
| 1297 | Hij was een Friese graaf die van 1049 tot 1061 het bewind voerde over de gebieden die later bekend zouden worden als het graafschap Holland. Hij volgde zijn broer Dirk IV op. Maar moest aanvankelijk vluchten. De relatie met de keizer en de bisschoppen bleef slecht. Floris raakte in conflict met de keizer over de tol op de Merwede (vermoedelijk bij Vlaardingen, dus stroomafwaarts van de huidige Merwede). Bovendien probeerde hij zijn bezit in het rivierenland uit te breiden en kwam daardoor in conflict met bisschop Willem van Cuijk. Regentes Agnes gaf in 1058 bisschop Willem van Cuijk van Utrecht, Hendrik II van Leuven, Wichard van Gelder, Anno II aartsbisschop van Keulen, Diederik bisschop van Luik en Egbert I van Meißen, de markgraaf van Friesland (Friesland en Groningen), opdracht om Floris tot de orde te roepen. De eerste echte slag werd in 1061 uitgevochten bij Oudheusden. Floris was zwaar in de minderheid en had daarom het slagveld met grote aantallen valkuilen voorbereid. Zo raakten zijn tegenstanders in grote verwarring en werd een groot aantal direct al buiten gevecht gesteld. Floris wist daarna de slag eenvoudigte winnen. De volgende slag vond op 28 juni 1061 plaats bij Nederhemert. Floris viel de troepen van Keulen, Brunswijk en Cuijk aan en wist ze snel te verjagen. De Friezen gingen vervolgens rusten in de schaduw van de bomen langs de Maas. Herman van Cuijk, burggraaf van Utrecht, hergroepeerde zijn troepen en overviel de nietsvermoedende Friezen. Floris werd samen met honderden van zijn mannen gedood. | van Holland, Graaf van Holland Floris I (I4765)
|
| 1298 | Hij was een jongere zoon van graaf Dirk VI van Holland en Sophia van Rheineck. Van zijn grootmoeder van moederskant, Geertruid van Northeim, erfde hij het graafschap Bentheim. Otto begeleidde zijn moeder naar het Heilige Land in 1173. In 1187 werd hij genoemd als burggraaf van Coevorden. Otto nam deel aan de derde kruistocht, samen met zijn broer Floris III van Holland. In 1196 streed hij tegen de burggraaf van Coevorden. Otto steunde zijn neef Willem I van Holland in diens geslaagde poging om de macht over Holland te verwerven, ten koste van Ada van Holland (gravin). Otto was gehuwd met Alveradis van Arnsberg (ca. 1160 – 1230), erfdochter van Malsen, dochter van Godfried I van Cuijk (1100-1167). Bentheim of Benthem was een tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits behorend graafschap binnen het Heilige Roomse Rijk. De stad Benthem die er het centrum van was heet nu Bad Bentheim. Waarschijnlijk in de tiende eeuw stichtten de graven van Bentheim de burcht Bentheim. Deze burcht werd in 1116 door de hertog van Saksen, Lotharius van Supplinburg verwoest. Na de wederopbouw tot 1148 kwam ze in de loop van de twaalfde eeuw aan Otto, een jongere zoon van graaf Dirk VI van Holland. | van Holland, Graaf van Bentheim Otto (I3406)
|
| 1299 | Hij was een zoon van Herbaren I van der Lede en een dochter van Willem van Altena. Floris wordt genoemd in een charter van een Gelderse kroniek uit 1204, dat hij samen met zijn jongere broer Folpert (Walpertus) de heerschappij krijgt van eenklein kasteel te Asperen. Ditzelfde kasteel werd tijdens de Loonse Oorlog vernietigd door Willem I van Holland. In 1207 ondertekent Floris een oorkonde tot overgave tezamen met Ada van Holland en Lodewijk II van Loon. Datzelfde jaar wordt Floris om het leven gebracht door huurlingen van de koning van Engeland en de graaf van Holland. Floris huwde omstreeks 1200 met Jacomijn van Schoonhoven, een dochter van Hugo Botter, heer van Schoonhoven, ze kregen samen vier zonen en een dochter: | van der Lede, Heer van Lede Floris Herbaren (I3404)
|
| 1300 | Hij was een zoon van Jan II van Arkel en Bertrouda van Sterkenborg. Hij volgde zijn vader op in 1297, nadat deze gesneuveld was bij de slag van Vronen. Jan III breidde het Arkelse grondbezit verder uit en kocht landerijen in Holland en Brabant en was raadsman van bisschop Gwijde van Avesnes van Utrecht. In 1304 kreeg hij het grondbezit van de heren van Ter Leede, omdat de familietak was uitgestorven en de van Arkels eerste in lijn waren. Hij stond hoog in de gunst bij Willem III van Holland en werd in 1321 belast om als scheidsrechter uitspraak te doen in de geschillen tussen Willem III van Holland en Jan I van Brabant. In de volgende jaren is Jan III niet meer in de gunst. Mogelijk is hij op de achtergrond gedrongen door Willem van Duivenvoorde. Ook in 1321 benoemt hij zijn oudste zoon tot drossaard van Ter Leede. Deze gaat als Jan van der Lede door het leven tot 1324 (na het overlijden van Jan III) wanneer hij zich gewoon weer Van Arkel noemt. Jan is begraven in Gorinchem, bij zijn eerste vrouw. | van Arkel, Heer van Arkel Jan III (I4302)
|
| 1301 | Hij was een zoon van Jan III (de kruisvaarder) van Arkel en Adelheid (Aleid) van Heusden. Folpert erfde na de dood van zijn vader het gebied Van der Lede (hedendaags Leerdam) en stichtte het huis Van der Lede. In Gelderse almanakken komt Folpert naar voren als een bedrieglijk landheer. Folpert huwde met een nog onbekende vrouw, met wie hij een zoon en opvolger Herbaren I van der Lede kreeg. De dichter Anthony Christiaan Winand Staring schreef een gedicht over Folpert. | van Arkel, Eerste heer van Leede Folpert (I2387)
|
| 1302 | Hij was een zoon van Jan IV van Arkel en Irmengarde van Kleef. Otto was oorspronkelijk tweede in lijn van opvolging, totdat zijn oudere broer Jan omkwam bij een paardentoernooi in Dordrecht 1352. Tijdens Otto’s bewind werden de landgoederen opnieuw uitgebreid. Zo werd de heerlijkheid Haastrecht opnieuw verkregen en werd Liesveld toegevoegd in 1379. Otto trad ook toe tot de adviseurs van Albrecht van Holland in 1381. Tevens maakte Otto aanspraak op het graafschap Kleef nadat Jan van Kleef, een oom van Otto’s moeder Irmengarde, overleed. Dit graafschap werd echter aan Adolf II van der Mark geschonken. Hierna zou er een grote vijandschap ontstaan tussen de Van Arkels en Van Kleefs. In 1382 verleende Otto stadsrechten aan onder meer Gorinchem, Hagestein en Leerdam. Otto richtte zich de jaren daarna erop om van het kasteel Hagesteinen het dorp Gasperen een bolwerk te maken en tot stad te verheffen. Dit omdat hij voortdurend in conflict lag met de heren van Vianen, die hun gebied steeds meer naar het zuidwesten uitgebreid (Noordeloos, Meerkerk) hadden, waardoor verderop gelegen landerijen van Arkel geïsoleerd kwamen te liggen. Daarbij kwam nog dat de heren van Vianen voorde Hoekse-partij waren. | van Arkel, Heer van Arkel Otto (I3472)
|
| 1303 | Hij was een zoon van Otto van Arkel en Elisabeth van Bar-Pierrepont. Rond 1376 huwde hij met Johanna van Gulik en kreeg als bruidsgift van zijn schoonmoeder Maria van Gelre de erfrechten op het "Land van Mechelen", van zijn vader het domein Hagestein als bezit en erfde van zijn moeder de bezitting "Pierrepont" aan de Moezel. Tijdens de "Hoekse opstand van 1391-1393" in de Hoekse en Kabeljauwse twisten werd de positie van Jan V versterkt doordat Albrecht van Beieren met zijn zoon Willem van Oostervant in onmin leefde na de moord op Aleid van Poelgeest. Echter veranderde dit na 1396, omdat Van Oostervant zich weer verzoende met zijn vader. Onder Albrecht van Beieren, graaf van Holland, werden er diverse schermutselingen omtrent de Hoekse en Kabeljauwse twisten uitgevochten. Jan V was een trouwe bondgenoot van Albrecht omdat beiden van de Kabeljauwse partij waren, maar tijdens een campagne tegen de Westfriezen kwam Jan V in conflict met Albrechts zoon Willem van Oostervant, daarbij speelde ook de affaire rond Aleid vanPoelgeest een bijrol. In het voorjaar van 1401 zegde Jan V zijn "vazalschap" op aan Albrecht van Beieren en kort daarna ontstonden plundertochten in de Alblasserwaard en Krimpenerwaard door Jan V van Arkel en ook Willem van Oostervant begon met plunderingen in het Land van Arkel. Het resulteerde in de Arkelse Oorlog (1401-1412), die een eerste hoogtepunt zou krijgen met het Beleg van Gorinchem in 1402, na 12 weken van beleg moest Van Arkel een knieval maken en excuses aanbieden aan Albrecht van Beieren en Willem van Oostervant. Albrecht vond de straf genoeg zo maar overleed in december 1404, waardoor Willem van Oostervant de draad weer oppakte in 1405 met het "Beleg op Hagestein en Gasperden" dat verdedigd werd door Jan "de Bastaard" van Arkel, een halfbroer van Jan V[3]. Na de val van Hagestein wilde het stadsbestuur van Gorinchem de Heer van Arkel afzette en schoven zijn zoon Willem van Arkel naar voren. Jan V zocht steun bij zijn zwager Reinoud IV van Gelre en verpande het "Land van Arkel" in 1407 aan hem en kreeg het ambacht van Ooyen er voor terug. In 1412 word de oorlog met een vrede in Duurstede getekend. Het Land van Arkel vervalt aan het Graafschap Holland en Gelre kreeg een afkoopsom van 100.000 Franse kronen uitbetaald. Willem verkondigde aan zijn vader Albrecht dat Van Arkel geen trouw bondgenoot meer was, waarna Van Arkel zichzelf tot onafhankelijk heerser verklaarde. Jan van Arkel speelde daarna een belangrijke rol in de Arkelse oorlog (1401-1412). Hierbij leverde hij strijd met hoofdzakelijk de graaf van Holland. Uiteindelijk moesten de ‘Arkelsen’ het onderspit delven. Jan V van Arkel verloor zijn bezittingen, en moest de jaren 1415-1426 doorbrengen in gevangenschap. Ondanks dat Jan van Arkel van zijn bezittingen ontnomen was in Holland, bleef hij zelf ongestraft, tenzij hij voet op Hollandse bodem zou zetten kon hij gevangen gezet worden. In 1415 kwam Anton van Brabant om bij de Slag bij Azincourt en Jan van Arkel bezocht zijn begrafenis in Brussel. Op de terugweg naar huis, werd hij plots ontvoerd vlakbij Zevenbergen, door Geert van Strijen en naar Holland overgebracht. In Den Haag werd hij opgesloten in de Gevangenpoort en daar ondervraagt over een mogelijke opstand tegen Willem VI van Holland. In 1417 verhuisde van Arkel naar de gevangenis van Gouda, zijn zoon Willem van Arkel deed december dat jaar een couppoging in Gorinchem, wat hem het leven kostte. In het "verdrag van Woudrichem" in 1419 werd bepaald dat Jan van Arkel vanuit Gouda naar Zevenbergen werd overgeplaatst. In 1426-27 werd Van Arkel vrijgelaten en kreeg hij van Filips de Goede het vruchtgebruik van Schoonrewoerd en Leerdam, waar hij in augustus 1428 overleed. Zijn vrouw was al vroeg gestorven, in 1394 (of op 25-8-1428). Willem van Arkel, hun zoon, kwam om toen hij de stad Gorinchem, jarenlang Arkels bezit, probeerde te heroveren. Hij was toen naar schatting 30 tot 34 jaar oud. Aangezien Willem geen nakomelingen had – afgezien van vier bastaarddochters – kwam er een eind aan de Van Arkel-dynastie. Het Land van Arkel kwam grotendeels in handen van Holland en de hertog van Gelre. | van Arkel, Heer van Arkel, Bar-Pierrepont en Mechelen Jan V (I4409)
|
| 1304 | Hij was een zoon van Willem van Teylingen en Agniese van Bentheim. Dirk (I van Brederode) wordt door historici gezien als grondlegger van het huis Brederode; het grondgebied van Brederode was echter al in het bezit van zijn vader, die uit het geslacht Van Teylingen voortkwam, waardoor hij mogelijk niet de eerste heer van Brederode was. In 1226 werd Dirk benoemd tot drossaard aan het hof van de graaf van Holland. Hij diende onder Floris IV van Holland en Willem I van Holland. Bij afwezigheid van de graaf was hij tevens zijn eerste vervanger. | van Brederode (van Teylingen), Heer van Brederode Dirck (I3414)
|
| 1305 | Hij was eerst begraven in Remiremont, maar is in 717 herbegraven in Metz in de abdij van de Heilige Apostelen die daarna naar hem de Sint-Arnoldusabdij werd genoemd. | van Metz, Arnulf (I14651)
|
| 1306 | Hij was gehuwd met Adelheid van Aquitanië (945/952-1004), dochter van Adelheid van Normandië en van Willem III van Aquitanië graaf van Poitiers van 934 tot 963, en hertog van Aquitanië van 928 tot 963. Zij hadden vier kinderen: Gisela (ca. 969), gehuwd met Hugo, zoon van Hilduinus III van Montreuil. Hugo Capet gaf het echtpaar Abbeville (Somme), Ancre en Domart, uit het bezit van de abdij van Saint-Riquier en maakte Hugo lekenabt van die abdij. Deze bezittingen vormden later het graafschap Ponthieu en Hugo werd bekend als Hugo I van Ponthieu Hedwig (ca. 970 - na 1013), gehuwd met Reinier IV van Henegouwen, Robert II (972 - 1031), die hem opvolgt, Adelheid (ca. 973 - na 1063) Mogelijk had Hugo nog een buitenechtelijke zoon Gauzelin († 1030), abt van de abdij van Fleury en door Robert II benoemd tot aartsbisschop van Bourges. | Gezin: Koning van Frankrijk Hugo Capet / Adelheid van Poitiers (F1730625710)
|
| 1307 | Hij was getrouwd met een onbekende vrouw, met wie hij minstens twee zonen kreeg: Alard van Egmont (1130 - 1160) opvolger Dodo van Egmont (1131 - 1200) | Gezin: Heer van Egmond Beerwout II van Egmont / Rosemunde van Vlaanderen (F1590224515)
|
| 1308 | Hij was leenman van de graaf van Holland voor het huis te Doortoghe met 33 morgen land, in Monsterambacht gelegen, en voor de ambachten Zegwaard en Zevenhuizen. vermeld 9 okt. 1270 als bloedverwant van heer Dirk van Heusden, beleend voor 1266 met het goed de Doortoghe met 33 morgen, ambachtsheer van Zevenhuizen en Zegwaard, vermeld als getuige van Floris V 1292, 1296 en van heer Dirk van Brederode bij diens verzoening met graaf Floris V 1296. | van Brederode, Heer van Doortoghe, Zevenhuizen en Zegwaard Floris (I3442)
|
| 1309 | Hij was mede-eigenaar van een taanhuis met de naam ‘De Gulden Nagel’ aan de Hoogstraat noordzijde en wordt aldaar nog vele malen in akten genoemd | van Schilperoort, Lenert Jacobs (I14553)
|
| 1310 | Hij was oudste ouderling (NH) te Monster 1892 en 1896. Hij liet met Geertje Kool een testament maken voor R.W.A.M. Reijnen, notaris te ’s-Gravenzande. | van Veelen, Leendert (I1434)
|
| 1311 | Hij was visser ten haring, had in 1680, wonende in de Weststraat, 6 kinderen thuis (3 boven de 10 jaar, 1 tussen 4 en 8 jaar en 2 onder de 4 jaar). Hij werd begraven vanuit het gasthuis. | Hartevelt, Arij Crijnen (I8609)
|
| 1312 | Hij wed, zij wed | Gezin: Hugo Gerritse Blok / Jacomijntje Maartens Zeeman (F1590224232)
|
| 1313 | Hij weduwnaar van Pietertje Wouters Zij weduwe van Frans ... | Gezin: Arijen Cornelisse van der Key / Marijtge Ghijse Overduin (F1640166319)
|
| 1314 | Hij weduwnaar van Schipluiden Zij weduwe van 's-Gravenzande | Gezin: Pleun Cornelisz Noordam / Jannetje Dirx van Rijn (F1601621576)
|
| 1315 | Hij weduwnaar, zij weduwe | Gezin: Cornelis Arens den Heijer / Leuntie Arents (F1640167167)
|
| 1316 | Hij werd op 28 augustus 1215 tot rentmeester of voogd van de Sint-Adelbertabdij benoemd, dit deed hij tot 1221. Hij liet in 1227 een kapel bouwen bij het slot aan de hoeven. Hij was onder de aanzienlijke edelen ten tijde van de graven Willem I en Floris IV, was evenals zijn vader advocatus der abdij en werd in 1227 door de abt met verschillende goederen beleend, zodat hij blijkbaar de leenheerschappij der abten erkende, al twistte hij ook langdurig met hen over rechten, die hij aan zichzelf ontleende. In het voorjaar van 1234 trok hij mee met Floris IV van Holland als vazal om de stedingers een halt toe te roepen, in een van de veldslagen nabij de Elbe werd Willem gedood. Zijn lichaam werd teruggebracht en begraven in het slotkapel in Egmond aan den Hoef. | van Egmont, Heer van Egmond Willem I (I3413)
|
| 1317 | Hij wonend Oranjepolder | Gezin: Hendrick Pz 't Hart / Trijntje Adr van der Oest (F1590223511)
|
| 1318 | Hij wonend te Honselersdijk | Gezin: Simon Fransz van der Meer / Dieuwertgen Cornelisdr (F1590222753)
|
| 1319 | hij woonde in 1680 met vrouw en 2 kinderen (1> 10 jr en 1 tussen 4-8 jr op de Korendijck | Tuijt, Teunis Dirksz (I5450)
|
| 1320 | Hij woonde op verschillende adressen aan de Weststraat te Scheveningen (1543-61), bezat een lijnbaan aan de Haagweg (Weststraat ri. Den Haag, afgezet met bomen en struiken om het stuifzand tegen te gaan) dit heette later De Laantjes, nu De Nieuwe Laantjes. Praaiberichten oktober 1996: Over het geslacht De Jager is veel te vertellen. In het artikel "Scheveningse haringjagers in de 16e eeuw" door wijlen de heer van Leeuwen gepubliceerd in de Scheveningsche Kerkbode inde jaren juni 1956 tot mei 1960 onder de titel "Zwijgende stenen, sprekende getuigen" (nieuw uitgegeven in 1982 door Stichting Oud-Scheveningen en de Vrienden Schevenings Museum) vinden we niet alleen een verklaring voor deze familienaam, maar ook de beschrijving van het familiewapen (tekening familiewapen in het boek "De Oude Kerk van Scheveningen" door G. 't Hart). Voorts treffen we in de vele aktendiverse huismerken aan. In dit overzicht wordt wat dieper ingegaan op het geslacht de Jager. De naam is ontstaan uit het beroep ventjager. Op zee werd van andere schepen haring overgenomen om danvervolgens aan land als "caegeman" te verkopen. Adriaen Cornelis die Jagher. Geboren ca. 1518, overleden 1589, alias de Otter, beroep lijndraaier en cagenaer, kerkmeester 1565 (OV 387), woont Weststraat tegenover Gasthuisstraat, kohier 1543 (nr. 31 lijndraaiershuis), kohier 1553-1556 nr. 16, kohier 1559-1561 nr. 24, bezat lijnbaan aande Haagweg (Weststraat richting Den Haag, beide kanten van de lijnbaan afgeschermd met bomen voor het stuiven van zand tegen te gaan. Later werd deze lijnbaan niet meer gebruikt en kreeg de naan "De Laantjes", nu bekend onder "De Nieuwe Laantjes", in het verlengde van de lijnbaan vanzijn schoonvader Jacob Symons Schilperoort, ook werl van der Bilt (kohier 1559), regelt als oudste schoonzoon de nalatenschap vanzijn schoonvader samen met zwager Hubert Jacobs Duifhuis (TR. 12/5/1578), staat borg voor Gerrit Jans, viskoper uit Delft (Wk 127 fol. 242 d.d. 18-5-1588) en wordt dan Adriaen Cornelis de Jagher die caegerman genoemd, komt voor in het Schuldboek Rotterdam (OV 371), trouwt ca 1559: Jannetje Jacobs, dr. van Jacob Symons (Schilperoort) en Pleunt Kinderen (genoemd d.d. 24/4/1588): 1. Cornelis Adriaens Jonge Jager, geb. in 1559 2. Pleuntje Adriaensdr., geb. ca. 1561. Zij trouwt: Adriaen Thijmans, wonende Hamburch. Zij verkopen als erfgenamen van Jacob Symons twee percelen grond in Eykenduynen en Haagambacht, Looserlaan (TR d.d. 22/6/1611) 3. Neeltje Adriaens, geb. ca 1563, 4. Wouter Adriaens, geb. ca 1565 (zie familie v.d. Toorn) 5. Ghijs Adriaans de Jager, geb. ca 1568. | de Jagher, Adriaen Cornelisz (I4892)
|
| 1321 | Hij wordt later eenmaal vermeld als "Adriaen Corn. Kunst, molenaar te Delft | Gezin: Aryen Cornelisz Molenaar / Barbara Verspeck (F1590224061)
|
| 1322 | Hij wordt op 13-12-1390 beleend met 5 hond land in de Noordinge te Naaldwijk, dat ten oosten belend wordt met het land van dezelfde Bertelmeus Tymansz. Dit leen behoort toe aan de hofstad Hontshol (4). | van Dorp, Bertelmeus Tymansz (I3473)
|
| 1323 | Hij wordt op 27-7-1364 beleend met 1,5 morgen land te Rijswijk, welk leen in 1434 in handen blijkt van Henric Bartholomeusz. Het leen behoort toe aan de hofstad Binckhorst (1). | van Dorp, Thyeman Bertholomeusz (I705)
|
| 1324 | Hij wordt van 1287 tot 1307 meermalen gemeld als landcommandeur van de Duitsche Orde te Utrecht. Het lidmaatschap van de orde met dispensatie is door Willem II, voor zijn bastaardzoon Dirk, aangevraagd aan de paus van Rome. | van Holland, Dirck (I10310)
|
| 1325 | Hij wordt vermeld in diverse transportacten( TR 6 mei 1577, 7 december 1585), WK 19 februari 1578, 127 f79) | Lap, Jacob Huyberts (I1414)
|
| 1326 | Hij zegelt met drie afgerukte leeuwekoppen en woont tot ca. 1509 te Naaldwijk en nadien te 's-Gravenhage. Geboortedatum: Bij de bespreking van Dorpii Vita - de levensbeschrijving van Martinus Dorpius - is sprake van een brief aan Erasmus van 28-11-1519, waarin Martinus van zijn vader Bartholomeus zegt 'vir senex ac pene octoqeniarius' i.e. een bejaarde man, bijna 80 jaar oud. Bartholomeus zal dus rond 1440 geboren zijn (20). Op 13-3-1508 sterft Baertqen en Mees Henricsz. heeft voor hen beiden vermaakt aan het Kapittel een halve morgen, gemeen met Geryt Claesz.' weduwe op Hontsholredijc; aan de Heilige Geest de helft van de Hoqewerff op de geest, groot 14 hond, gemeen met dezelfde Heilige Geest, bruiker Gerijt Adriaensz.; aan het Godshuis 10 schellingen per jaar op een huis en erf van Joost Willemsz. aan de rooster van het kerkhof. Lenen Lek en Polanen: Bertelmeeus Heynricxz. houdt van Lek en Polanen in leen 2 morgen land met een woning (in 1475 genoemd: Roenburch; en in 1483: Roemburch gelegen te Monster). Willem Bertelmeeusz. is leenvolqer op 5-4-1521 bij dode van zijn vader Bertelmeeus Heynricxsz. (leen 88) (35). Lenen Abdij van Egmond: Bartholomeus Hendriksz. houdt in leen de helft van 4,5 morgen en 19,5 roeden in het Nieuwland van 's-Gravenzande, welk leen na zijn dood overgaat op zijn zoon Willem Bartholomeusz. (95). Overig onroerend goed en renten: Heinric Heinricsz. die Duvel schenkt - de datum is onbekend - aan de Heilige Geest te Naaldwijk 2 morgen te Naaldwijk in een kamp van 16 hond, genaamd Coppenland, waarvan de overige 4 hond (ten westen gelegen) door Mees Heinricsz. in leen wordt gehouden van de Heer van Naaldwijk. Is dat stuk land identiek met de 5 hond land (leen 3 Hofstad Hontshol)? (36). De Heer van Naaldwijk heeft aan de Heilige Geest te Naaldwijk geschonken 8 hond land - de datum is niet bekend; - terwijl Reynier Jacobsz. en Mees Heinricsz. hun rechten op dit land afstonden (37). Ook liep er een weg of een laan, die thans mede vernietigd is, naar een klooster (een overblijfsel hiervan draagt nog in sommige opzichten een kloosterachtig aanzien en is, zegt men, het huis waar de beroemde Dorpius geboren is), hetwelk op het dorpsplein uitkwam. Aldus een beschrijving van Naaldwijk (38). | van Dorpe, Bartholomeus Hendricksz (I4242)
|
| 1327 | Hij zou zijn hertrouwd op 18 mei 1692 te Den Haag met Geertje Cornelis Pronck. | Gezin: Joris Jacobsz de(n) Boer / Betje Claesdr Kaa (F1590224391)
|
| 1328 | Hij: JM van 's-Gravenzande Zij: JD wonende in Zandambacht. | Gezin: Jan Jz van den Bosch / Cornelia Isaakse van der Eijck (F1590223524)
|
| 1329 | Hij: Wonende te Ter Heijden onder deezen Heerlijkheid. Zij: Geboren en wonende te Sandelingen Ambacht. | Gezin: Gerrit Claasz van Alenburg / Bastiaantje Cornelisdr Steehouwer (F1590223119)
|
| 1330 | Hilletgen heeft uit haar eerste huwelijk drie kinderen, Jacop, Jannetgen en Adriaentgen. Op 6 november 1562 verkoopt IJsbrant Philipsz. aan de voogden van de kinderen, Jan Pauwelsz. (stiefzoon van Hilletgen) en Gerrit Willemsz. wonende in de Duertocht, een jaarlijkse losrente van 29 gld. en een braspenning, met een hoofdsom van 465 gld. | Hilleken Jacobsdr (I3585)
|
| 1331 | Hoen, 't Bronvermelding Registratiecode: HREGNL021488 Titel: 't Hoen Opmerking: Dit wapen kwam voor op inmiddels verdwenen zeventiende-eeuwse glasramen in een boerderij in Maasland, zoals beschreven en nagetekend in een Delftse notariële acte uit 1670. Geregistreerd op verzoek van Johannes Leonardus Franciscus 't Hoen, geb. 29 november 1947, wonende te Soest, zoon van Petrus Leonardus Maria 't Hoen en Adriana Adolfina Helena Dessing, voor alle naamdragende nakomelingen van Willem Jans Thoen, ook genoemd Willem Jan Claes Dircksz., alias 't Hennennest, leenman te Maasland, geb. ca. 1503, overl. 27 september 1574, begr. Nieuwe Kerk te Delft. Aanvrager stamt af van Derick Claesz., welgeboren man van Delfland (1446). 23 februari 2010 1.112 Afbeelding: Hoen01 Collectienummer: 1807 Familienaam Hoen, 't Wapen: gevierendeeld: I in rood een zilveren leeuw, goud getongd, genageld en gekroond; II in zilver een zwart stappend paard; III in groen drie zilveren hoenders; IV in goud drie groene palen. Helmteken: de leeuw van het schild, uitkomend. Dekkleden: rood, gevoerd van zilver. Trefwoorden gevierendeeld goud groen leeuw paal paard rood vogel zilver zwart Bron Voor de sinds de vijftiende eeuw geclaimde afstamming uit het huis Bronckhorst zie: J.L.F. 't Hoen, 'Westlanders beThoenen', Thoentertijd 64 (2009) 5-25, en J.L.F. 't Hoen, 'Maaslanders betonen hun afkomst', Thoentertijd 65A (2009) 11-25. De notariële acte d.d. 24 oktober 1670 is te vinden in NA Den Haag, toegangsnr. 3.22.01.02, volgnr. 446 (familie-archief Persijn van Ouwendijck), fol. 283 en 284, gepubliceerd in OV 46 (1991) 13-15. | Thoen van Bronckhorst, Willem Jan Claes Dircksz (I4225)
|
| 1332 | Hofstede 'Hoge Werf' | van der Vliet, Kerstant Jacobs (Cors) (I4653)
|
| 1333 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Levend (I1)
|
| 1334 | Hoogstwaarschijnlijk is de Middelburgse tak hier begonnen. | van der Harst, Leendert (I4486)
|
| 1335 | Hospes in Herberg "Het Statenwapen" te Renswoude, nieuw ingekomen lidmaat te Renswoude 1713/1714, hij wordt tezamen met zijn vrouw genoemd, zonder vermelding van herkomst. (ook wordt vermeld haar zuster Jannetje Gijsberts komende van Amersfoort en Willem Jordenszn. en Willem Pauliszn.) antwoord op vraag in VG. Bakkenes-Mulders Jacob Hendriks van Sweetselaar, otr. Lunteren 24-12-1713 Aalbertje Gijsberts van Renswoude. Wanneer dit het gezochte echtpaar is, kan Jacob Hendriks niet dezelfde zijn als die werd gedoopt op 27-2-1698, maar zal zeer waarschijnlijk gedoopt zijn te Lunteren als zoon van Hendrik Cornelisse en Henrijckje Jacobs. H.A. Gijsbertsen, Middelburg. Jacob Hendricks Bakkenes kwam op 25 jarige leeftijd van Lunteren naar Renswoude alwaar hij dus herbergier werd van de herberg 'Het Statenwapen"die tevens gerechtshuis was. Hij zal deze herberg annex boerderij en paardenstal gepacht hebben wat er op wijst dat hij niet geheel onbemiddeld was en als 'van goeder naam en faam' bekend stond. Hij werd in 1713/1714 ingeschreven als lidmaat en verkreeg één stoel in de kerk. En zo bleef hij ca 20 jaar hospis in welke periode (tussen 1716 en 1732) zijn acht kinderen geboren. Hij was tenslotte 49 jaar toen zijn huis, hof en bedrijfsinventaris geconfisceerd werden. herbergier in 'Het Statenwapen' te Renswoude Het karakteristieke pand op nr. 44-46 is in het einde van de 17-de eeuw gebouwd als Rechthuis en Herberg. In het rechter deel was het logement "Het Statenwapen" gevestigd. Schout en schepenen vergaderden in het linker deel. Pas in 1838 kreeg het gebouw een verdieping. Renswoude was een Hoge en Vrije Heerlijkheid. Dit betekende dat de doodstraf mocht worden uitgesproken. Er was in het Rechthuis dan ook een gevangenkamer en elders in het dorp was een galg opgericht. Van deze galg is overigens slechts éénmaal gebruik gemaakt. Het plein vóór het Rechthuis was in de Franse Tijd het toneel van een opstootje. De kasteelheer en daarmee ook het bestuur van Renswoude was patriottisch gezind. In 1785, op de verjaardag van prinses Wilhelmina, de vrouw van stadhouder Willen V, kwam uit het prinsgezinde Gelderland via de Veenweg een groep mensen, getooid met oranjestrikken, hier demonstreren. Ze weigerden te vertrekken en wisten zelfs een door de drost gearresteerde oranjeklant te bevrijden. Doordat "de kogels niet op de geweren pasten", klaagde de drost, had hij niet adequaat op kunnen treden. | Bakkenes van Sweetselaar, Jacob Hendriksz (I1773)
|
| 1336 | Hubert Bonefaasz van der Gaagh, oud welgeboren man van Veur, wonende aan de Leidschendam (Veur) welke op verzoek van Doe en Pellenaar Jaspersz van Alenburg verklaarde op verzoek van requirant te Vlaardingen is geweest ten huizen van Jan de With, herbergier aldaar in de Roscam en aldaar de persoon van Adriaan Jaspers van Alenburg had ontmoet om te praten over een schuld van 2157 gld 12 st | van Alenburgh, Doe Jaspersz (I2273)
|
| 1337 | Hugo Capet (Frans: Hugues Capet) (Dourdan, 941 – Les Juifs bij Chartres, 24 oktober 996) was koning van Frankrijk van 987 tot 996. Zijn bijnaam Capet betekent "mantel dragend" (cappa) en werd hem waarschijnlijk gegeven ter onderscheid van zijn vader Hugo de Grote of omdat zijn familie als lekenabt van de Abdij van Saint-Denis een mantel of cappa droeg.[2] Biografie Hugo Capet werd als het tweede kind en oudste zoon van Hugo de Grote en Hedwig van Saksen geboren.[3] Zijn grootvader Robert van Bourgondië was tussen 922 en 923 koning van West-Francië geweest. Via zijn grootmoeder Beatrix van Vermandois was hij tevens een nazaat van koning Karel de Grote. Zijn vader Hugo de Grote was in zijn tijd de machtigste man van Frankrijk, zelfs machtiger dan de koning. Bij de dood van zijn vader erfde Hugo Capet de meeste van zijn bezittingen en titels: Hugo werd hertog van de Franken (Neustrië), graaf van Parijs, Orléans, Poitou, Tours, et cetera, en lekenabt van onder meer Saint-Martin te Tours, Saint-Germain te Auxerre, Saint-Aignan te Orléans, Saint-Quentin en Sint-Vaast. Zijn broer Otto werd bovendien hertog van Bourgondië. De paus noemde hem de “glorierijke prins van de Franken”. Omdat Hugo nog minderjarig was, trad eerst Richard I van Normandië, die was getrouwd met Hugo's zus Emma, als zijn voogd op en later zijn moeder Hedwig van Saksen en zijn oom Bruno, De machtige Franse edelen maakten gebruik van Hugo's minderjarigheid om hun positie ten koste van hem te versterken, bijvoorbeeld: Willem III van Aquitanië die Poitou tegen Hugo wist te behouden, Theobald I van Blois die Chartres en Châteaudun verwierf, en Fulco II van Anjou die de omgeving van Nantes in handen kreeg. Hertog Als hertog voerde Hugo een voorzichtig beleid waarbij hij twee doelen nastreefde: enerzijds het behoud van zijn eigen dominante positie binnen Frankrijk, waarbij hij gebruikmaakte van de steun van de aan hem verwante Duitse keizers, anderzijds het behoud van de onafhankelijkheid van Frankrijk ten opzichte van Duitsland. Hierbij was Hugo een bondgenoot van aartsbisschop Adalbero van Reims, die bang was dat Frankrijk een vazalstaat van Duitsland zou worden. Rond 968 verbeterde Hugo zijn betrekkingen met Willem IV van Aquitanië door met diens zuster te trouwen. In 978 beschermde Hugo koning Lotharius van Frankrijk in Étampes en verdedigde Parijs tegen Otto II, nadat Lotharius een riskante plundertocht naar Aken had ondernomen. In 981 veroverde Hugo Montrieul, ook bezocht hij in dat jaar Otto II in Rome. In 986 klaagde Lotharius Adalbero aan wegens hoogverraad. Hugo bestormde de rechtszitting en de koning kwam daarbij om het leven. Dit bleef zonder gevolgen voor Hugo.[bron?] Koning Na de onverwachte dood van Lotharius' zoon Lodewijk V in 987, hij stierf kinderloos na een jachtongeval, werd Hugo op 3 juli 987 te Senlis tot koning gekozen. Adalbero steunde hem met de volgende argumentatie: Het koningschap krijgt men niet op grond van erfrecht; men moet slechts hem op de troon verheffen, die zich zowel door zijn lichamelijke welgeschapenheid als door zijn geestelijke wijsheid onderscheidt, die door het geloof gesterkt en door grootmoedigheid gesteund wordt.[4] Hugo werd in Noyon of Reims gekroond en liet nog op 30 december 987 zijn zoon Robert II tot medekoning kronen, een poging om zijn opvolging te verzekeren. Hoewel het eigenlijke grondbezit van Hugo veel kleiner was dan dat van zijn vader of van zijn belangrijke vazallen, had hij wel controle over Parijs, Orléans en een handvol kleinere steden, en over een aantal belangrijke abdijen en bisschopsbenoemingen in het noorden van Frankrijk. Zijn macht en rijkdom waren zo veel groter dan zijn grondbezit. Hij gebruikte de kerkelijke hervormingen, vooral de godsvredebeweging, om zijn gezag te vestigen en was goed bevriend met de abt van Cluny. In 988 probeerde Karel van Neder-Lotharingen, een Karolinger en neef van Hugo, de troon te verwerven ten koste van Hugo. Karel veroverde Laon en liet zich tot koning kronen. Hugo belegerde de stad twee keer zonder resultaat. Hugo verbond zich met Odo I van Blois, in ruil voor het graafschap Dreux. In 991 kon Hugo Karel gevangennemen door verraad van de bisschop Adalbero van Laon (een neef van Karel maar benoemd door Hugo). Dit gaf overigens nog aanleiding tot heftige conflicten over diens positie, vooral binnen de kerk waarbij de bondgenoten van Hugo natuurlijk bisschop Adalbero steunen. Karel werd met zijn gezin gevangengezet in Orléans en zou daar overlijden. Hugo verbond zich vervolgens met de graven van Normandië en Anjou, tegen Odo van Blois die Melun had geannexeerd. Melun werd heroverd maar Odo veroverde Nantes, dat weer werd heroverd. Toen Anjou weer te veel macht kreeg, viel dit bondgenootschap weer uiteen. De graaf van Barcelona (formeel deel van Frankrijk maar feitelijk al bijna 100 jaar onafhankelijk) deed een beroep op Hugo om steun tegen de Moren. Hugo wilde die verlenen in ruil voor erkenning als leenheer, maar uiteindelijk gebeurde er niets. In 993 werd een complot van Odo van Blois en de bisschop van Laon ontdekt, om Hugo te ontvoeren en over te dragen aan keizer Otto III. Dit bleef zonder gevolgen voor de betrokkenen. Na de dood van Odo in 996 weigerde Hugo een huwelijk van zijn zoon Robert met Odo's weduwe Bertha van Bourgondië. Hoewel Robert en Bertha oprecht van elkaar hielden (een bijzonderheid voor een koninklijk huwelijk in die tijd) en ondanks de grote voordelen (o.a. Bourgondië), gaf Hugo geen toestemming wegens bloedverwantschap | Capet, Koning van Frankrijk Hugo (I14615)
|
| 1338 | Hugo de Grote (Fontaines-en-Sologne, 897 – Dourdan, 16 juni 956) was in zijn tijd de machtigste edelman in Frankrijk. Hij weigerde tot driemaal toe om koning te worden maar gaf er de voorkeur aan om zwakkere koningen op de troon te plaatsen en direct zijn eigen belangen te kunnen behartigen. Hugo was de zoon van Robert I van Frankrijk en Beatrix van Vermandois. Na het overlijden van zijn vader in de Slag bij Soissons in 923, werd hem de kroon aangeboden. Hij weigerde echter, en zijn zwager Rudolf I van Frankrijk werd toen tot koning gekozen. Hugo was toen markgraaf van Bretagne, graaf van Parijs, Troyes, Orléans, en lekenabt van Saint-Denis, Saint-Germain-des-Prés, Marmoutier, Saint-Martin te Tours, Carmery, Villeloin. In de volgende jaren werd hij hertog van Neustrië en verwierf hij ook nog de graafschappen Autun, Auxerre, Nevers, Sens, Chalon en Mâcon. Na het kinderloos overlijden van Rudolf in 936 weigerde Hugo opnieuw de kroon maar vroeg Lodewijk IV van Frankrijk, die als kind door zijn moeder in Engeland in veiligheid was gebracht, om koning te worden. Hugo bedong voor zichzelf natuurlijk een positie van uitzonderlijke macht en invloed, onder de nieuwe koning. In 938 werd hij benoemd tot mede-hertog van Bourgondië. Daarna kwam Hugo in conflict met Lodewijk, die probeerde een zelfstandige positie als koning te verwerven. Hugo sloot in 940 met Herbert II van Vermandois en met Willem I van Normandië een bondgenootschap tegen Lodewijk IV. Ze belegerden Reims en versloegen de koning toen die probeerde de stad te ontzetten. In plaats van Lodewijk erkenden ze Otto I de Grote als koning. Uiteindelijk werd er in 942 te Wezet een vrede bemiddeld door Otto en zijn zuster Gerberga van Saksen, die met Lodewijk was getrouwd. Toen de Normandiërs Lodewijk in 945 gevangennamen, droegen ze hem over aan Hugo. En die liet Lodewijk pas in 946 vrij toen die de stad Laon aan hem had afgestaan. In dat jaar gebruikte Hugo de dood van Herbert II van Vermandois om diens erfenis te versnipperen over diens kinderen, zodat geen van hen nog zo machtig zou kunnen worden als hun vader. De Universele Synode van Ingelheim dreigde Hugo in 948 met excommunicatie als hij Lodewijk niet zou compenseren. De excommunicatie is ook een korte tijd daadwe | de Grote, Graaf van Auxerre Hugo (I14617)
|
| 1339 | Hugo komt als getuige voor in twee oorkonden van bisschop Burchard van Lechsgemünd van Utrecht. In het eerste onder de “principes” dat wil zeggen edelen en vrijen, in het tweede onder de “laycos liberos”, dat zijn de vrije leken. In tegenstelling met de geestelijke heren en met de dienstlieden (servientes) die mede onder de getuigen voorkomen). Hugo was Heer van Voorne en leenman van de bisschop. | van Voorne, Heer van Voorne Hugo III (I3397)
|
| 1340 | Hugo overleed aan de pokken en werd in Saint Denis begraven, voor het altaar van de heilige drie-eenheid naast zijn voorvader Odo I van Frankrijk | Capet, Koning van Frankrijk Hugo (I14615)
|
| 1341 | Hugo was in zijn eerste huwelijk getrouwd met Judith, dochter van Rogier van Maine. In zijn tweede huwelijk was hij getrouwd met Eadhild, een zuster van koning Athelstan van Engeland. Als derde vrouw trouwde hij 14 september 937 Hedwig van Saksen, dochter van de Duitse koning Hendrik de Vogelaar en zuster van Otto I van Duitsland. Zij kregen de volgende kinderen: Beatrix, geboren rond 938, huwde met Frederik I van Lotharingen Hugo, geboren rond 940, die later onder de naam Hugo Capet Koning van Frankrijk zal worden. Emma (ovl. na 968), getrouwd met Richard I van Normandië Otto, geboren in 945, wordt hertog van Bourgondië en graaf van Auxerre. Odo, geboren in 948, noemt zich ook wel Hendrik Bij een minnares kreeg hij nog een zoon Herbert, die werd benoemd tot bisschop van Auxerre. | Gezin: Graaf van Auxerre Hugo de Grote / Hedwig van Saksen (F1730625711)
|
| 1342 | Huijsvrou van Floor Leendertse de Wit Impost F 3,= | Hoeckvermeer, Lijsbet Teunisse (I5547)
|
| 1343 | Huijsvrouw van Joris Jacobse in de kerk voor ... stoel. In haer eijgen graft. Kerke gregtigheijt 4-0-0 | Betje Claesdr (I12890)
|
| 1344 | Huisvrouw van Arij Sipje Pro Deo | Claartje Meessen (I5533)
|
| 1345 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Levend (I6512)
|
| 1346 | Hun kinderen worden Rooms Katholiek gedoopt. | Nadijk (Nodijk, Naaldijk), Hendrik (I4153)
|
| 1347 | Hun voorgenomen huwelijk op 03-01-1913 (akte o) was 5 dagen uitgesteld. | Gezin: Matthijs Mos / Cornelia Johanna Keus (F1644213178)
|
| 1348 | Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. | Gezin: Cornelis van der Kruijk / Levend (F1590222460)
|
| 1349 | Huwelijk en kinderen In 961 huwde hij met Mathilde van Saksen (942 - 25 mei 1008), dochter van Herman Billung, hertog van Saksen, en Hildegarde van Westerburg. Ze kregen een zoon: Arnulf II. | Gezin: Graaf van Vlaanderen Boudewijn III van Vlaanderen / Gravin van Vlaanderen Mathilde van Saksen Billung (F1730890664)
|
| 1350 | Huwelijken en kinderen Getrouwd met Plectrudis rond 670 (= Pepiniden):[5] Drogo (rond 670-708) Grimoald II, hofmeier in Neustrië, (rond 680 - vermoord in 714) Met zijn tweede vrouw (in bigamie getrouwd) Alpaida (= Karolingen):[6] Karel Martel (23 augustus 686-22 oktober 741) Childebrand (vermoedelijk rond 690-751) (het is niet helemaal zeker dat Childebrand een kind was van Alpaida) | Gezin: Hofmeier Austrasië, Neustrië en Bourgondië Pepijn II van Herstal / Alpaida (F1730794300)
|
| 1351 | Huwelijken en kinderen Karel Martel was rond 709 getrouwd met Rotrude van Trier (rond 690-724). Ze hadden de volgende kinderen: Carloman (713-755), Pepijn de Korte (714-768) H. Landrada (?) Hiltrude (716-754), gehuwd met hertog Odilo van Beieren (?-748) Na de dood van Rotrudis in 724 huwde Karel Martel met de Beierse Swanahilde. Uit dit huwelijk werden geboren: Grifo (726-752) Oda (ca. 735 - na 793), gehuwd met Theoderik II van Autun, een belangrijke hoveling van Lodewijk de Vrome aan diens hof in Aquitanië Karel Martel had ook kinderen bij zijn bijvrouw Ruodhaid. Bernhard (geboren voor 732-787) Hieronymus Remigius, aartsbisschop van Rouen Aldana | Gezin: Hofmeier Austrasië Karel Martel / Rotrude van Trier (F1603873387)
|
| 1352 | Huwelijken en kinderen Boudewijn IV van Vlaanderen In 1012 met Otgiva (ca. 990 - Gent, 21 februari 1028), dochter van Frederik van Luxemburg, graaf in de Moezelgouw (zoon van Siegfried I van Luxemburg), en Irmentrude van de Wetterau Boudewijn V van Rijsel Ermengarde waarschijnlijk nog een dochter, later echtgenote van Reinier van Leuven, zoon van Lambert I van Leuven | Gezin: Graaf van Saint Pol Boudewijn IV van Vlaanderen / Otgiva van Luxemburg (F1730882001)
|
| 1353 | Huwelijksakte onvindbaar | Gezin: Cornelis Wz de Vooijs / Ariaantje Huijgen van der Spijk (F1590222618)
|
| 1354 | Huwelijkse voorwaarden | Gezin: Jan Francken van Velden / Soetgen Pouwelsdr van Dijck (F1590223595)
|
| 1355 | Huwelijkse voorwaarden | Gezin: Abraham Vrancken van der Houve / Leentge Pdr Suijdervliet (F1590223603)
|
| 1356 | Huwelijkse voorwaarden | Gezin: Claes Huijgensz Valck / Jannetje Jansdr Barthout (F1590223644)
|
| 1357 | Huwelijkse voorwaarden | Gezin: Harmanus Pals / Alida Nibbeling (F1640505848)
|
| 1358 | Huysvrou van Joris Jacobse in de kerck voor de schepenstoel in haar eigen graft. | Kaa, Betje Claesdr (I2260)
|
| 1359 | Ida van Verdun was een dochter van Godfried II van Neder-Lotharingen en Doda. Volgens haar vita was Ida een beeldschone vrouw, groot van gestalte en met lang blond haar. Ze was een vrome vrouw die een voorbeeldig christelijk leven leidde. Nahet overlijden van haar echtgenoot Eustaas, wijdde ze haar leven aan de Kerk. Ze deed tal van schenkingen aan religieuze huizen en stichtte en herstelde diverse kloosters. Ze was gekend wegens haar schenkingen aan de armen. Ze nam zelf het habijt niet aan (zoals sommigen beweren), maar van abt Hugo van Cluny verkreeg ze een spirituele verbondenheid met de Abdij van Cluny. Ze correspondeerde met de heilige Anselmus van Canterbury en onder zijn supervisie promootte ze de hervorming van Cluny.Ida onderhield ook contacten met de Spaanse bisschop Osmond van Astorga. Ida speelde een belangrijke rol in het bestuur van de gebieden die in het bezit waren van de dynastie Boulogne. Zij was waarschijnlijk de drijvende kracht achter de verzoening tussen haar echtgenoot en Willem de Veroveraar. Zelf hield ze in Engeland vijf gebieden direct in leen van de koning. En vanuit haar bezittingen rond Tongeren en haar weduwgoed Genepiën steunde ze rond 1080 de inspanningen van haar zoon Godfried van Bouillon om aan de macht te komen in Lotharingen. Ida trouwde in 1049 met Eustaas II van Boulogne als diens tweede vrouw. Ida bracht het slot van Bouillon als bruidsschat in. Zij stond erop haar kinderen zelf te voeden omdat ze van mening was dat de kinderen met melk van een min ook de mindere kwaliteiten van het gewone volk zouden krijgen. Ze gaf haar zoons grote bedragen om hun deelname aan de Eerste Kruistocht te financieren. Ook stichtte en steunde ze kloosters te Boulogne, le Wast, Calais en Sint-Omaars. Uiteindelijk gaf ze al haar bezittingen weg en trad ze toe tot de orde van de benedictines-oblaten in een abdij in Arras. Ida van Verdun, ook Ida van Lotharingen, Ida van de Ardennen of Ida van Boulogne genoemd (Bouillon, ca. 1040 – Arras, 13 april 1113), was echtgenote van graaf Eustaas II van Boulogne en moeder van de prominente kruisvaarders Eustaas III van Boulogne, Godfried van Bouillon en Boudewijn I van Jeruzalem. Leven Ida van Verdun was een dochter van Godfried II van Neder-Lotharingen en Doda. Volgens haar vita was Ida een beeldschone vrouw, groot van gestalte en met lang blond haar. Ze was een vrome vrouw die een voorbeeldig christelijk leven leidde. Na het overlijden van haar echtgenoot Eustaas, wijdde ze haar leven aan de Kerk. Ze deed tal van schenkingen aan religieuze huizen en stichtte en herstelde diverse kloosters. Ze was gekend wegens haar schenkingen aan de armen. Ze nam zelf het habijt niet aan (zoals sommigen beweren), maar van abt Hugo van Cluny verkreeg ze een spirituele verbondenheid met de Abdij van Cluny. Ze correspondeerde met de heilige Anselmus van Canterbury en onder zijn supervisie promootte ze de hervorming van Cluny. Ida onderhield ook contacten met de Spaanse bisschop Osmond van Astorga. Ida speelde een belangrijke rol in het bestuur van de gebieden die in het bezit waren van de dynastie Boulogne. Zij was waarschijnlijk de drijvende kracht achter de verzoening tussen haar echtgenoot en Willem de Veroveraar. Zelf hield ze in Engeland vijf gebieden direct in leen van de koning. En vanuit haar bezittingen rond Tongeren en haar weduwgoed Genepiën steunde ze rond 1080 de inspanningen van haar zoon Godfried van Bouillon om aan de macht te komen in Lotharingen. Ida trouwde in 1049 met Eustaas II van Boulogne als diens tweede vrouw. Ida bracht het slot van Bouillon als bruidsschat in. Zij stond erop haar kinderen zelf te voeden omdat ze van mening was dat de kinderen met melk van een min ook de mindere kwaliteiten van het gewone volk zouden krijgen. Ze gaf haar zoons grote bedragen om hun deelname aan de Eerste Kruistocht te financieren. Ook stichtte en steunde ze kloosters te Boulogne, le Wast, Calais en Sint-Omaars. Uiteindelijk gaf ze al haar bezittingen weg en trad ze toe tot de orde van de benedictines-oblaten in een abdij in Arras. Ida is begraven in de abdij van Sint-Vaast, in 1669 overgebracht naar Parijs, en in 1808 overgebracht naar Bayeux. Eustaas en Ida kregen de volgende kinderen: Eustaas III van Boulogne (1059-1125) Godfried van Bouillon (1060-1100) Boudewijn I van Jeruzalem (-1118). Ida, die huwde met graaf Herman van Malsen, de stamvader van de familie van Cuyck. Kerkelijke inspanningen Ida bouwde een indrukwekkend kerkelijk netwerk uit. Al deze contacten en inspanningen ten aanzien van de Kerk waren bedoeld om het prestige van de dynastie te verhogen en de machtsbasis van de graaf van Boulogne te verstevigen. In 1070 bevestigden Eustaas en Ida het kapittel van Lens in hun bezittingen en deden ze additionele schenkingen. Deze waren niet alleen bedoeld voor hun zielenheil, maar ook om hun welwillende autoriteit te tonen. Samen met haar zoon Eustaas III van Boulogne restaureerde ze de abdij van Saint-Wulmer-au-Bois (in Samer). In 1090 besliste Ida ook een abdij te stichten in Les Attaques, in de buurt van Calais: de abdij van La Capelle of Capelette. Ze stichtte ook de Benedictijner priorij van Le Wast rond 1095, waar ze begraven werd. Ida bouwde de eerste stenen kerk in Boulogne-sur-Mer (nu de Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw) in de periode 1080-1100. Het gebouw werd diverse keren verwoest en heropgebouwd, maar werd uiteindelijk helemaal met de grond gelijk gemaakt in 1789. De crypte die Heiligverklaring Het was Mathilde van Boulogne, de dochter van Eustaas III van Boulogne en echtgenote van koning Stefanus van Engeland, die de kerkelijke autoriteiten aanspoorde om haar grootmoeder Ida van Boulogne heilig te verklaren. Mathilde’s andere grootmoeder, Margaretha van Schotland, was op dat moment reeds heilig verklaard. De heiligverklaring van Ida was onderdeel van de campagne om Stefanus koning van Engeland te maken. De monniken van de priorij van Le Wast, de bewakers van Ida’s graf, werden gevraagd om haar biografie op schrift te stellen. Relieken Ida overleed op 13 april 1113 in de door haar gestichte abdij van La Capelle. Volgens haar laatste wens werd haar lichaam overgebracht naar Le Wast om er begraven te worden in de abdijkerk daar. Kort na haar overlijden werd haar graf een eerste keer geopend. Volgens haar ‘Vita’ was haar lichaam intact en steeg een zoete geur uit het graf op, een teken van heiligheid. In de loop van de 14de eeuw werden haar stoffelijke resten ondergebracht in een kleine kapel die vlak bij de kerk van Le Wast werd gebouwd. In de 17de eeuw verkeerde haar begraafplaats echter in een lamentabele staat. Haar graf werd op 28 september 1669 geopend en haar beenderen werden toevertrouwd aan de Benedictinessen van het Heilige Sacrament in de rue Cassette in Parijs. Aan de kerk van Le Wast werd een rib van de heilige geschonken. Na de Franse Revolutie werd het reliekschrijn overgebracht naar de kerk van de Benedictinessen in Bayeux; daar bevinden ze zich nog steeds op dit moment. In 1899 werd een fragmentvan de rechterarm ov Herinnering Ondanks alle inspanningen werd de cultus van de heilige Ida nooit wijd verspreid. Ze werd niet zozeer herinnerd als een heilige, maar veeleer als de moeder van Godfried van Bouillon en Boudewijn I van Jeruzalem. In de Oudfranse ‘Cycle de la Croisade’ duikt Ida op als de dochter van de Zwaanridder (‘Le Chevalier au Cygne’), die trouwde met de graaf van Boulogne. Haar zoon Godfried van Bouillon werd dé held van de Eerste Kruistocht en sprak tot de verbeelding. De kroniekschrijver Guibert van Nogent schrijft dat Ida zelf heldenverhalen vertelde over haar zoon en dat deze als kind reeds zei dat hij een sterk leger naar Jeruzalem zou leiden: ‘De glorieuze vrouw vertelde, toen ze het succes van de tocht van haar zonen overschouwde, dat ze uit de mond van haar zoon, de hertog, een voorspelling had gehoord over de expeditie. Want hij had gezegd dat hij naar Jeruzalem zou gaan, niet als een gewone pelgrim, zoals zo vele anderen, maar met een groot leger, als hij er één op de been zou kunnen brenge | van Verdun, Ida (I4405)
|
| 1360 | Ida wordt als zalige gevierd op 13 april. In 1669 overgebracht naar Parijs, en in 1808 overgebracht naar Bayeux. | van Verdun, Ida (I4405)
|
| 1361 | IMMERSEEL, Gerrit VICTORIJ, Jannetje Z.15 23-01-1746 kinderen: Z.7 14-11-1747 Jacob Z.7 06-04-1749 Mattheus Z.7 10-01-1751 Mattheus Z.7 24-06-1753 Catharina Z.7 21-12-1755 Geertje | Immerseel, Gerrit (I1071)
|
| 1362 | Impost 3 gld | van der Zwan, Marija Arends (I5623)
|
| 1363 | Impost 3 gld | Houtman, Pietertje Jansdr (I5640)
|
| 1364 | Impost 3-0-0 | van Alenburgh, Hendrik (I5819)
|
| 1365 | Impost F 3,= | van der Harst, Cornelis Leenderts (I5688)
|
| 1366 | Impost F 3,= | Spaans, Cornelis Claase (I5692)
|
| 1367 | Impost F 3,= | de Ruyter, Arentje Minnekusse (I5697)
|
| 1368 | Impost F 3,= | Schaap, Bregje Dirkse (I5705)
|
| 1369 | Impost F 3,= | Harteveld, Kniertje Crijne (I5706)
|
| 1370 | Impost F 3,= | Harteveld, Pietertje Benjamins (I5708)
|
| 1371 | Impost F 3,= | Haasnoot, Arent Krijne (I5709)
|
| 1372 | Impost F 3,= | Toet, Aaltje Arens (I5717)
|
| 1373 | Impost F 3,= | de Niet, Willem Janse (I5719)
|
| 1374 | Impost F 3,= | Houtman, Maria Magdalena Jacobse (I5728)
|
| 1375 | Impost F 3,= | Spaans, Cornelia Claasse (I5732)
|
| 1376 | Impost F 3,= | van den Bos, Cornelis Willemsz (I5821)
|
| 1377 | Impost F 3,= | van den Bos, Maria Cornelisse (I6084)
|
| 1378 | Impost F 3,= | Vrolijk, Tieleman Dirks (I8281)
|
| 1379 | Impost F 3,= | de Wit (den Dulk), Kornelis Arense (I8539)
|
| 1380 | Impost F 3,= | Harteveld, Klaartje Arends (I8593)
|
| 1381 | Impost F 3,= | Spaans, Jacob Cornelisse (I8651)
|
| 1382 | Impost F 3,= | de Wit, Aaltje Leenderts (I8652)
|
| 1383 | Impost F 3,= | van der Keij, Marijtje Ariese (I8757)
|
| 1384 | Impost F 3,= | den Heijer, Kornelis Aries (I10637)
|
| 1385 | Impost F3 | den Harder, Maria Jacobs (I5045)
|
| 1386 | Impost ieder Fl 3 | Gezin: Jacob Pietersz Bregman / Neeltje Cdr van der Gaag (F1590223499)
|
| 1387 | In ’s-Gravenzande komen twee families Luck voor. De ene begint met Adriaen Pietersz. Luck en de andere begint met Jan Dircksz. Luck, die beiden in de eerste helft van de 16e eeuw geboren zijn. Van beide mannen was niet bekend met wie ze getrouwd waren. In publicaties en kwartierstaten wordt soms wel gesuggereerd of speculatief opgevoerd dat Jan Dircksz. Luck getrouwd was met een onbekende dochter van Adriaen Pietersz. Luck. Een toevalsvondst in het oud notarieel archief van Leiden toont nu aan hoe de connectie wel in elkaar zit. Het gaat om de akte als vermeld bij haar schoonzoon Anthonis Pietersz van Egmont #5243 Anthonis Pietersz. van Egmont was in 1620 getrouwd met Maritgen Jansdr. Bij haar hu- welijk was zij ‘jonge dochter van ’s-Gravenzande’. Zij is kinderloos overleden en na enig gepuzzel met haar erfgenamen blijken die allemaal bij de twee families Luck uit ’s-Gra- venzande te horen. Adriaen Pietersz. Luck is in tweede huwelijk getrouwd met genoemde Jaepgen Lourisdr., die na het overlijden van haar man hertrouwd is met Jan Dircksz. die daarna ook regelmatig als Jan Dircksz. Luck door het leven gaat. Dit geeft aanleiding tot twee stamvaders Luck. | Jaepgen Lourisdr (I2607)
|
| 1388 | In 't choor bij zijn vrouw, hier vooren begraven. No. 647 Kerkegraft: 6-0-0 Impost 6 gld | van der Harst, Jakob Bastiaans (I5134)
|
| 1389 | In 't Gasthuijs | Kae, Cornelis Dirxsz (I5518)
|
| 1390 | In 't graf van Simon Cornelisse, No 1927 In den hoek aan 't nieuwe portael Kerkeregt 4-0-0 | Reyne, Nelletge Bastiaans (I5463)
|
| 1391 | In 't graf van Simon Cornelisse, zijn schoonvader, No. 1927 4-0-0 | van der Meulen, Floris Baarthouts (I5462)
|
| 1392 | In 1059 liet Hendrik zijn zoon Filips tot medekoning kronen. In 1060 stichtte hij een kapittel van Sint Maarten in Parijs. Hendrik stierf op 4 augustus 1060 in Vitry-en-Brie. Hij werd begraven in de kathedraal van Saint-Denis. Hendrik werd opgevolgd door zijn zoon Filips, die toen 8 jaar oud was. Hendriks weduwe, Anna van Kiev, was zes jaar lang regent. | van Frankrijk, Hertog van Bourgondië Hendrik I (I14605)
|
| 1393 | In 1219 volgde hij zijn vader op als graaf van Gulik. Tot 1225 stond hij onder voogdij van zijn oom Everhard van Hengenbach. Willem consolideerde de macht van Gulik, maar stootte daarbij op de concurrentie van de aartsbisschop van Keulen. Erontstond een felle strijd tussen Gulik en Keulen. Tijdens het hoogtepunt van deze strijd hield Willem IV de aartsbisschop van Keulen, Engelbert II van Valkenburg, drie jaar gevangen in de burcht Nideggen. Willem werd samen met zijn zoon Willem in 1278 door de burgerij van Aken gedood. De moordaanslag vond plaats in de Jacobstraat, vóór het Wittevrouwenklooster, toen hij probeerde belastinggeld te innen voor koning Rudolf I van Habsburg. De Akenaren werden in 1280 veroordeeld tot het betalen van een hoog bedrag aan smartengeld. Zij moesten 15.000 mark aan zijn weduwe Richardis overmaken. Richardis en haar zonen Walram, Otto en Gerard waren op het proces aanwezig. Willem was 1e gehuwd in 1237 met Margaretha van Gelre († voor 1251), dochter van graaf Gerard III van Gelre (Zie Graven van Gelre nr. 8a). Hij huwde 2e voor 1251 met Richardis van Gelre († 1292), eveneens een dochter van graaf Gerard III van Gelre. Kinderen uit het huwelijk met Margaretha van Gelre: Mathilde, gehuwd met Johan I van Rieneck, graaf van van Loon-Chiny (-1279) Margaretha (-1292), gehuwd met Dieter V van Katzenelnbogen (-1276)Walram (-1297), proost van de dom van Aken, vanaf 1278 graaf van Gulik Willem (-1278), gehuwd met Maria van Dampierre (-1297), dochter van Gwijde van Dampierre Walram (-1297), proost van de dom van Aken, vanaf 1278 graaf van Gulik Gerard VII van Gulik (-1328), opvolger van Walram als graaf van Gulik (Volgt 11) Kinderen uit het huwelijk met Richardis van Gelre: Richardis, gehuwd met graaf Willem van Salm-Vianden Blancefloer, gehuwd met graaf Hendrik I van Sponheim-Kreuznach (-1289) Otto, proost van Sint-Servaas in Maastricht en aartsdiaken in Luik Pironetta, in 1277 gehuwd met graaf Lodewijk van Arnstein (-1313) Catharina, gehuwd met graaf Johan van Arberg Mechtildis | van Gulik, Graaf van Gulik Willem IV (I4106)
|
| 1394 | In 1229 kreeg Brussel stadsrechten van Hendrik I. Onder zijn toezien wordt gestart met de bouw van de kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele. In hetzelfde jaar gaf hij zijn aanspraken op Moha op. Keizer Frederik II van Hohenstaufen gaf Hendrik in 1235 de eervolle opdracht om naar Engeland te reizen en zijn verloofde Isabella Plantagenet op te halen, maar Hendrik werd ziek en overleed in Keulen. | van Brabant, Graaf van Brussel Hendrik I (I4403)
|
| 1395 | In 1288 nam hij aan Brabantse zijde deel aan de Slag bij Woeringen. In 1290 erkende hij Floris als zijn leenheer voor zijn kasteel in Gorinchem en kreeg daarvoor in ruil het recht om er tol te heffen. Jan was een van de ondertekenaars van een brief van de Hollandse adel aan koning Eduard I van Engeland. | van Arkel, Ridder Jan II (I2359)
|
| 1396 | In 1297 kwam hij om het leven bij de Slag van Vronen (thans Sint Pancras). Hij werd begraven in Gorinchem. | van Arkel, Ridder Jan II (I2359)
|
| 1397 | In 1396 verkoopt Jan Heynric Meynssenzn.zn. aan Bertelmees Tyemansz. 1 morgen land in de Noordbroek te Naaldwijk (5). | van Dorp, Bertelmeus Tymansz (I3473)
|
| 1398 | in 1532 buiten de jurisdictie van het Hof van Delft woont. Samen met haar kinderen heeft zij 5 morgen land in haar bezit gelegen in de hoefslag van de Leehove, hetwelk zij heeft geërfd van haar man 22 of 23 jaar geleden. Zij wordt in 1536 en 1562 als erfhuur-betaler aan de abdij van Egmond vermeld. Dat Dirck van Dijck circa 1509/1510 is overl., sluit aan op de leenregistratie van Lek en Polanen. Op 4-6-1510 wordt namelijk Pieter Dircxz. bij dode van zijn vader met de 4 morgen land in Ruiven beleend. | Margriete NN (I3513)
|
| 1399 | In 1546 bezit Cors Tonijsz. met zijn stiefkinderen de volgende percelen onder Hof van Delft: 10½ morgen in de hoefslag van de Poeldick, 16 morgen 2 hond 79 roede + 2 morgen in de hoefslag van het twaleftalf weer, 6 morgen 5 hond 67 roede 9 voet in de hoefslag van Zaddick en 1½ morgen in de hoefslag van Voordixhoren. 187 Dit maakt totaal 37 morgen 2 hond 46 roede 9 voet; idem in 1569/79. 188 De meeste van deze percelen (of delen daarvan) waren in 1532 in het bezit van Sijmon Pietersz.: 1½ morgen in de Poeldijck, 13 morgen 5 hond 79 roede in het twaelfttalff weer, 4 morgen 2 hond 76 roede in de Saddijck en 1½ morgen in Voerdichoern. 189 Ik meen hieruit te mogen afleiden dat Cors Thonisz. was getrouwd met de weduwe van Sijmon Pietersz. In 1589 verklaart Cors bovendien dat 345 ONS VOORGESLACHT | Jaargang 71 | juli augustus 2016 | 689 hij het land in de Poeldijck sedert 52 jaar in zijn bezit heeft (dus sinds ca. 1537). 190 Dit klopt met het vermoedelijke sterfjaar van Sijmon Pietersz. wiens onmondige zoon Pieter Sijmon Pietersz. op 28 februari 1538 wordt beleend met 2 morgen land op Harnas; hulde door zijn oom Willem Pietersz. Op 23 december 1549 wordt hij opgevolgd door (zijn broer) Heijnrick Sijmonsz., onmondig, hulde door zijn oom Claes Sijmonsz., bij dode van Pieter Sijmon Pietersz. Heijnrick Sijmonsz. doet zelf hulde op 7 maart 1554. Hij zal dus geboren zijn omstreeks 1529. Op 1 juni 1557 draagt Heijnrick het leen over aan zijn tante Marijtgen Jansdr., weduwe van Oude Willem Pietersz. op Den Hoorn, waarna hij uit beeld verdwijnt. 191 Op 18 maart 1584 leggen Cors Anthonisz. van Dijck, oud 64 jaar (e.a.) een verklaring af. 192 Neeltgen Cornelisdr., huisvrouw van Cors Anthonisz. van Dijck, oud omtrent 58 jaar, verklaart 3 augustus 1586 ten verzoeke van Baertout Dircxs wonende op Den Hoorn, dat zij ongeveer een jaar geleden had gezien dat jonker Van Westerbeeck zijn knecht de heining aan de oostzijde van de werf van de requirant had laten afbreken. Neeltgen had geprotesteerd: ‘Joncker ghij soudt die heijninck laten staen want die man zijn ghoet zal bedorven vande beesten’ maar de jonker zei tegen zijn knecht: ‘Gatter mede doer’. 193 Ten verzoeke van Cors Tonisz. op ’t Wout legt op 29 juni 1590 de 40-jarige Commer Jansdr. een verklaring af. In de winter van 74 op 75 toen de Spanjaarden nog in het land lagen, waren enige Spaanse soldaten, die bij Cors Tonisz. ingekwartierd waren, naar Honselersdijk gekomen waar zij toen bij haar vader woonde. De soldaten hadden Commer gedwongen een huis te openen menend daar bedden en ander huisraad van Cors te vinden. Toen ze daar niets van hun gading aantroffen, hadden ze uit het huis van Commers vader een bed en een peluw meegenomen. Haar vader thuiskomend, zag dat zijn bed verdwenen was, en had gezegd dat hij te oud was om in het stro te slapen. Commer had ten einde raad een bed gehaald uit een huis waar enige spullen van Cors waren opgeslagen. De vader van Commer had opgemerkt: ‘Door de schuld van Cors Tonisz. ben ik mijn bed kwijtgeraakt. Als hij het me teruggeeft of de waarde ervan vergoedt, krijgt hij het zijne terug’. 194 Niet lang daarna moet Cors zijn overleden. Op 4 november 1590 winnen Floris Ariensz. Bruijser voor hemzelf, vervangende en zich sterk makende voor Machtelt Corssen en Betgen Corssen, mitsgaders voor de kinderen van Wigger Jacopsz. wonende tot Danswijck (=Danzig), Claes Hendricxz. als man en voogd van Maritgen Ariensdr. en zich sterk makende voor Pouwels Ariensz. Vos, de gift van al- zulke hoflanden als Cors Anthonisz. en Neeltgen Cornelisdr. met de dood geruimd hebben, volgens de laatste verzwering door Cors Anthonis gedaan. 195 In een ongedateerde akte, (eind 1590/begin 1591?) zien we het begin van de ruzies over zijn nalatenschap als Wigger Jacobsz., als man en voogd van Marittgen Coorsen en als vader en voogd van hun kinderen, zijn mede-erfgenamen, t.w. Floris Adriaensz. Brousser nomine uxoris, Machtelt en Betge Corsens, Pouwels Adriaensz. en Claes Heijndricxs Verburch (getrouwd met een kleindochter van Cors) voor het gerecht van Hof van Delft daagt. 196 Op 6 juni 1591 dagen de erfgenamen van Cors Anthonisz. van Dijck en Neeltgen Cornelisdr. hun zwager Wigger Jacopsz. buiten Danswijck, als man en voogd van Maritgen Cors Anthonisdochter voor het gerecht om met hem de nagelaten goederen van Cors en Neeltgen te schiften, scheiden of om kenbaar te maken waaróm ze volgens hem niet zouden mogen schiften en scheiden. De zitting wordt verdaagd tot 30 juni. 197 Zes weken later is Wigger weer in het land, want op 18 augustus 1591 compareert hij voor het gerecht van Hof van Delft met de mededeling dat hij met de mede-erfgenamen de landen van zijn schoonvader heeft gekaveld. Omdat er daarna weer e.e.a. is geruild, krijgt hij van Machtelt en Betgen nog 950 gld. De schoonzussen hebben dat geld echter nog niet betaald. Wigger tekent daarom protest aan en eist interest en vergoeding van kosten. 198 Tussendoor speelt nog een ander akkefietje. Op 25 augustus 1591 dagen Cornelis Wiggersz. en Dirck Anthonisz. als man en voogd van Annitgen Wiggersdr., kinderen van Betgen Cornelisdr., Floris Ariensz. Bruijser als man en voogd van Neeltgen Corssen, de voogden van Machtelt en Betgen Corssen, Wigger Jacopsz. als man en voogd van Maritgen Corssen, en Thomas Dircxz. en Gerrit Joesten als voogden van de kinderen van Wigger Jacopsz., voor het gerecht van Hof van Delft. Hoewel de eis niet wordt toegelicht, blijkt uit aantekeningen in de marge dat de kinderen van Betgen Cornelisdr. aanspraak maken op de kleren van hun overleden tante Neeltgen Cornelisdr., de moeder van de vier Corssendochters. 199 In de maanden daarna sleept het geharrewar zich voort waarbij Wigger en Floris Ariensz. c.s. elkaar over en weer beschuldigen de afwikkeling te traineren. 200 Na een uitspraak van de vierschaar op 15 december 1591 wordt kaveling van de goederen nog dezelfde dag geregistreerd door de landgifter van Hof van Delft. Het ziet er naar uit dat Cors zijn dochter Maritgen had onterfd ten gunste van haar kinderen. Die, en niet hun moeder, krijgen namelijk ca. 8 morgen in de hoefslag van de Poeldijck. Floris Ariensz. Bruser, getrouwd met Neeltgen Corssen, krijgt ca. 7 morgen hofland in de hoefslag van Sadtdijck, Dirck Dircxz. van Onderwater als man van Machtelt Corssen de helft van 17 morgen in het Twaelfftalffweer, en de nog ongetrouwde Betgen Corssen de andere helft van dit land. 201 De beide kinderen van de vooroverleden zoon Adriaen Corssen schitteren door afwezigheid bij deze kaveling. Op 10 januari 1593 koopt Dirck Dircxz. van Onderwater, getrouwd met Machtelt Corssen, zelf erfgenaam voor een vierdepart in de helft en een vijfdepart in de wederhelft, van zijn mede-erfgenamen de woning van Cors Anthonisz. met vier hond hofland waar de woning op staat, met levende have en inboedel. Hij betaalt de drie volle zusters van zijn vrouw elk 762 gld. 6 st. en de beide kinderen haar overleden halfbroer samen 338 gld. 16 st. (een vijfdepart in de helft) wat neerkomt op een totale getaxeerde waarde van de woning met toebehoren van ca. 3625 gld. 202 Dezelfde dag verkoopt Betgen Corssendr. aan Dirck Dircxz. alias Dirck Jan van Onderwater, wonende tot Leiderdorp, voor 4040 car. gld. de helft van 17 morgen hofland in de hoefslag van Twaelfftalffweer waarvan de wederhelft Dirck zelf toekomt. 203 | van Dijck, Cors Thonisz (I3610)
|
| 1400 | In 1590 wordt hij beleend met of pacht hij "De Rijnsche Hove", ook welgeboren man. 't Hoen van Bronckhorst | Thoen van Bronckhorst, Jan Jansz (I3739)
|
| 1401 | in 1606 als perceel 23 opgenomen | van Schilperoort, Jacob Cornelisz (I2767)
|
| 1402 | In 1606 vermeld in het Schoorsteengeld als 'Arissen Aerenszoon' | Aris Arijensz (I781)
|
| 1403 | In 1643 "Den 8e gedoopt het kint van Maerte Clsz gent Trijntge, get Cees Joppe Jannetge en Gerritge Pieters" | de Wit, Trijntje (I10009)
|
| 1404 | In 1680 hadden zij 4 kinderen boven de 10 jaar en 1 tussen de 8 en de 10 jaar. | Kervingh, Willem Jansz (I5452)
|
| 1405 | In 1680 waren nog in huis: 1 kind > 10 jr en 1 kind tussen 4 en 8 jr (volgens Dek een kleinkind) | Tuijt, Dirk Teunisse (I5489)
|
| 1406 | in 1680 was 1 kind < 4jr in leven | Saeneke, Claasje Willems (I2140)
|
| 1407 | In 1727 is Jocob gelijktijdig met Grietje van der Spek ingeschreven als lidmaat van de Gereformeerde Kerk te Monster. | van der Noll, Jacob (I906)
|
| 1408 | In 1727 is Jocob gelijktijdig met Grietje van der Spek ingeschreven als lidmaat van de Gereformeerde Kerk te Monster. | Spek, Grietje van der (I907)
|
| 1409 | In 1850 boerenknecht te Nijega, woonde vanaf 1851 in Joure, was achtereenvolgens boer, koemelker, arbeider, tabakskerversknecht en werkman. In 1881 winkelier te St. Nicolaasga, in 1885 veehouder te Heeg en in 1892 idem te St. Nicolaasga. | Zijlstra, Folkert (Wierds) (I7509)
|
| 1410 | In 1850 dienstmeid te Nijega | de Jong, Akke (Ruurds) (I7510)
|
| 1411 | In 1884 boerenknecht te Scharnegoutum en in 1895 arbeider te Nijhuizum. | Zijlstra, Ruurd (Folkerts) (I7487)
|
| 1412 | In 1884 dienstmeid te Engwierum. | Boermans, Antje (Douwes) (I7488)
|
| 1413 | In 2006 werden, bij de aanleg van de ondergrondse parking onder het Sint-Pietersplein in Gent, een aantal graven ontdekt uit de vroege middeleeuwen. In een van de graven werden botten gevonden van een vrouw van rond de 40, gestorven omstreeks het begin van de 10e eeuw. Volgens sommige historici zou het hier gaan om de overblijfselen van Judith van West-Francië, maar deze stelling blijft vooralsnog onbewezen. Naar aanleiding van tv-serie Het verhaal van Vlaanderen besloot de Gentse universiteit alsnog om dit te onderzoeken.[8][9] Op 11 april 2023 werd duidelijk dat alle bijkomende onderzoeken steeds meer bevestigen dat deze beenderen toe te schrijven zijn aan Judith van Vlaanderen, al is er nog geen uitsluitsel. Zo bewees het onderzoek naar haar tanden dat ze uit Noord-Frankrijk kwam en een tijd in Engeland leefde. Er wordt als bewijsvoering naar DNA van nabije familieleden gezocht | van West Francie, Koningin van Wessex Judith (I3365)
|
| 1414 | In 866 kwam Robert in actie tegen een inval van de Vikingen. De Vikingen verschansten zich in een kerk in Brissarthe. Omdat Robert dacht dat er een pauze in de gevechten was, trok hij zijn zware wapenrusting uit. Toen de Vikingen een snelle uitval deden was hij onbeschermd en kon makkelijk worden gedood. | Robert (Rutpert) de Sterke (I14624)
|
| 1415 | In 877 steunde hij Lodewijk de Stamelaar in de strijd om de opvolging van Karel de Kale. Kort daarna trok hij zich terug en werd monnik in de abdij van Sint-Bertinus, waar hij ook werd begraven. | van Vlaanderen, Graaf van Terwaan Boudewijn I (I4131)
|
| 1416 | In 990 volgde Boudewijn zijn vader op als graaf van Boulogne, Saint-Pôl, Guînes, Lens en lekenabt van de abdij van Sint-Bertinus. Hij maakte gebruik van de minderjarigheid van Boudewijn IV van Vlaanderen om een onafhankelijke positie te verwerven, wat later resulteerde in een voortdurende vijandschap tussen de twee Boudewijns. In 1017 vochten Boudewijn en zijn broer Arnulf tegen Vlaanderen, waarbij Arnulf werd gedood. Boudewijn werd in 1033 gedood door Engelram I van Ponthieu die door Boudewijn was beledigd. Engelram trouwde vervolgens met Adelheid. | van Boulogne, Graaf van Boulogne, Saint-Pôl, Guînes, Lens Boudewijn II (I3372)
|
| 1417 | In de 12e-eeuwse Annalen van Egmond staat Dirk III vermeld met de bijnaam Hierosolymita, de Jeruzalemganger. Dat duidt erop dat hij een pelgrimstocht naar het Heilige Land heeft gemaakt. Volgens de 14e-eeuwse geschiedschrijver Johannes de Beke heeft Dirk zijn tocht rond het jaar 1030 ondernomen. | van Holland, Graaf van Holland Dirk III (I4262)
|
| 1418 | In de akte is sprake van: Geboren te Naalwijk 1-11-1750. Dit klopt niet, zie doopakte. | Aartsen, Antonia (I4743)
|
| 1419 | In de Brieven en Gedenkschriften van Hogendorp leest men wel: „Met smachtend verlangen werd naar diens komst uitgezien. Eindelijk ver- spreidde zich den 30 November het gerucht, dat de Prins voor den wal was. * Stirum ging naar Scheveningen; Hogendorp's tweede zoon, de oudste t huis, spoedde er zich te paard heen." Doch zij kwamen te laat. Dat blijkt uit een „Gedenkstuk der Verlossing en Herstelling van Nederland in den jare 1813," 2e deel, uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen; waarin men het volgende leest: „Naauwelijks aan land zijnde, trad hij in een open rijtuig, en was reeds halfwege de stad genaderd, vóórdat de koetsen van den Graaf van Stirum en andere Heeren, Zijne Hoogheid ter inhaling tegenrjjdende, daar waren." Drie voertuigen brachten den Prins en Zjjn gevolg naar Den Haag. In het tweede, zijnde het eenige rijtuig dat Scheveningen in die dagen bezat — een zoogenaamde fourgon — namen Zijne Hoogheid en de graaf Van Limburg Stirum plaats. De eigenaar van het rijtuig, Abraham van der Harst Wz., fungeerde als koetsier. | van der Harst, Abraham Willemse (I13800)
|
| 1420 | In de geboorteinschrijving staat dat de moeder is: Huybertje Kluyf, Pronk dus. | Vrolijk, Haasje Flore (I8274)
|
| 1421 | In de kelder van Pals | van Kouwenhoven, IJsbrant (I13113)
|
| 1422 | In de kelder van Pals | Pals, Adriana (I12222)
|
| 1423 | In de kelder van Pals | Pals, Maria Magdalena (I14880)
|
| 1424 | In de kelder van Pals | Pals, Jannetje (I14881)
|
| 1425 | In de kelder van Pals op 't choor. Kerkeregt 6-0-0 | Kruijt, Joanna Jansdr (I12703)
|
| 1426 | In de kelder van Pals. | van Kouwenhoven, Corstina (I12701)
|
| 1427 | In de kerck int middelpleijn | Pals, Harmen (I12707)
|
| 1428 | In de kerck voor bijt portael | Gerrittie Jacobs (I5435)
|
| 1429 | In de kerck, naast sijn vader. | Overduin, Aelbert Jansz (I13798)
|
| 1430 | In de kerk Een oud graf F 2-0-0 | Bouwman, Leendert Cornelisz (I6354)
|
| 1431 | In de kerk aan 't voeteneind van Clasina Jol nr 543 | Fontijn, Trijntje Sijmons (I13203)
|
| 1432 | In de kerk aan de noordzijde onder deeerste bank bij het biegthuisje, naast Maria Aalberse. | de Bruijn, Aerijen Maertensz (I5112)
|
| 1433 | In de kerk aan de rollaag. Kerkeregt: 10-0-0 Impost F 3-0-0 | de Wit, Floris Leendertsz (I5466)
|
| 1434 | In de kerk aan het hoofdeinde van Ds Vorselius benoorden aan Lijsbeth Cornelisdr Taal | de Ruijter, Jacob Arentsz (I13251)
|
| 1435 | In de kerk begraven | van der Waal, Dirk Oolbertsz (I28)
|
| 1436 | In de kerk begraven | Poot, Neeltje Huibregtsdr (I5832)
|
| 1437 | In de kerk benoorden allernaast nr 641 | Dijkhuijzen, Cornelis Cornelisse (I13669)
|
| 1438 | In de kerk benoorden de grote zark bij haar man int graf van Neeltje Vrancke. | de Ruijter, Geertruij Ariens (I5078)
|
| 1439 | In de kerk benoorden tegen de eerste pilaar daart armbos tegen staat met het hoofdeinde in haar familiegraff regt over de gang. | Jol, Clasijntje Janse (I10620)
|
| 1440 | In de kerk besuiden naast de tweede grote sark in het Middelpand in het graf van Jan Aalberse. | Overduin, Jan Gijse (I13037)
|
| 1441 | In de kerk bezuiden nr 2167 | van der Harst, Willem (I712)
|
| 1442 | In de kerk bij 't choor. | de Wit, Gerbrand Leenderts (I8750)
|
| 1443 | In de kerk bij deszelfs broeder. | van der Harst, Arij (I14012)
|
| 1444 | In de kerk een nieuw graf in het Middelpant naast haar vader nr 671 | Geyteman, Soetje Cornelisse (I13189)
|
| 1445 | In de kerk in haar eigen graf getekent Arent Bouwense backer, voor den opgang van koor zuijdzij. Kerkeregt 4-0-0 Impost F 3,= | van der Pol, Jannetje Jacobs (I8934)
|
| 1446 | In de kerk in haar eyge graf aan de Noordzijde onder de eerste bank tegen de muur bij 't lij of biegthuisje. | Overduijn, Maria Aelberts (I5097)
|
| 1447 | In de kerk in het Middelpand, midden in het padt naast haar dogter nr 530 | de Mos, Burgje (I13990)
|
| 1448 | In de kerk in het Middelpant aan de Zuidzijde naast en tegen de kist van haar man nr 219 = Ary Maartensz Tasman | van der Harst, Clasijntje Jacobsdr (I5176)
|
| 1449 | In de kerk in het middelpant bij het choor Noordzij aan de grote sark. graf van Neeltje Vrancken no 1483 Kerkegeregtigheijt 4-0-0 3 gl | van der Harst, Aelbert Bastiaans (I5062)
|
| 1450 | In de kerk in middelpant, onder het tweede plankier, onder het noordelijke stuk. Impost F 4,= | Overduin, Marijtge Ghijse (I8765)
|
| 1451 | In de kerk in sijn vaders graf. | van der Meulen, Simon Cornelisse (I14314)
|
| 1452 | In de kerk in zijn eijgen graf Kerke geregtigheijt 4-0-0 | Braa, Jacob Ysbrands (I5449)
|
| 1453 | In de kerk met de voeten tegen het hoofd van nr. 2217 = Maria de Zoete en met het hoofd tegen de zuidelijkste pilaar van het orgel. | den Heijer, Jacob Willemse (I13043)
|
| 1454 | In de kerk Middelpand choorend onder het lange plankier langs de gemene banken, de voeten circa gelijk met het eind van het plankier. | Overduin, Dirk Janse (I13035)
|
| 1455 | In de kerk Middelpand Noordzijde met yhet hoofdeinde 2,5 tree bezuiden de eerste pilaar, het hoofdeinde gelijk met de pilaar en met de voeten na het choor. | van Duijvenbode, Guurtje Gijse (I13316)
|
| 1456 | In de kerk Middelpand tegen de nieuwe banken die agter de afgaande vuurbaakmeestersbank staan, strekkende de voeten circa gelijk met het agterste van de bank. | Keus, Anna Janse (I13036)
|
| 1457 | In de kerk Middelpand toreneind onder de noordelijkste banken voor het orgel. | den Heijer, Willem Chiele (I5224)
|
| 1458 | In de kerk Middelpant aan 't hoofdeinde van de sark van Ds Vorselius voor 't choor. | Taal, Lijsbet Cornelisse (I10624)
|
| 1459 | In de kerk Middelpant aan de zuidzijde onder het orgel een kist breedte van de zijmuur van de grafkelder van Heemskerk. | van der Harst, Jacob Abramse (I14039)
|
| 1460 | In de kerk Middelpant beoosten de eerste pilaar als men van de gang in de kerk komt, even buiten de toog waar mede de pilaar aan de vaste muur gehecht is, strekkende het midden der kist midden over de gemelde toog. | van der Harst, Huibertje Bastiaans (I5195)
|
| 1461 | In de kerk Middelpant onder de kleine bankjes voor het koor, Zuidzijde de tweede kist achter de bank nr 7 en voorts langs het plankier der stoelen van het Middenpant. | Boon, Teunis Cornelisz (I5231)
|
| 1462 | In de kerk Middelpant regt voor kerkmeestersbank int middenstuk tussen 't hekje en 't vrouwenbankje, voor kerkmeesters. | Tael, Heijndrick Pieterse (I13188)
|
| 1463 | In de kerk Middelpant toreneind voorde Schuitegatmeestersbank, een grote kistbreedte van de bank af. | de Best, Jannetje (I13356)
|
| 1464 | In de kerk Middelpant, op de helft, regt int pad. Tussen de ouderlingenbank en 't vrouwenbankje, dat voor de kerkmeestersbank staat. In eigen nieuw gekocht graf. | Buijs, Floor Teunisse (I5169)
|
| 1465 | In de kerk No. 367 | Schilperoort, Jannetje Leendertse (I5838)
|
| 1466 | In de kerk No. 367, bij zijn echtgenote | 't Hart, Pieter Hendriksz (I5843)
|
| 1467 | In de kerk Noordpand boven op haar man. | de Niet, Haasje Willems (I5225)
|
| 1468 | In de kerk Noordpand tooreneind circa onder de toog vanb de laatste pilaren onder de blauwe tegels, langs de zarkjesdie bij het laatste raam liggen. | den Heijer, Trijntje Chiele (I4050)
|
| 1469 | In de kerk Noordpand tussen de twee ramen bij het biegthuisje digt tegen de muur, strekkende met het voeteinde omtrent gelijk het ligt of kouzijn van de raam bij het biegthuisje en met het hoofdeinde verder langs de blinde muur. | de Zoete, Teunis (I5190)
|
| 1470 | In de kerk noordzijde de toren en strekkende met de voeten tegen het hoofdeinde van No 131 Staat twee diep. Kerkegraf, Kerkeregt F.... Pro Deo | van der Harst, Abraham Jacobse (I5214)
|
| 1471 | In de kerk onder de gemeentebanken die bij den armbusch staan bij de voorkoepeldeur, met het hoofdeinde tegen het voeteinde van nr 1715 en 1749. | van der Harst, Arij (I14007)
|
| 1472 | In de kerk onderde 1e toog bij het biegthuisje, dus Noordpand. | Pronk, Wilhelmina Jacoba (I1595)
|
| 1473 | In de kerk op 't choor in kerkegraf op Krijn Janse zijn overleden zwager gezet. Kerkegeregtigheit vrij. 6gl No 1433 | Taal, Arie Gerritsz (I9981)
|
| 1474 | In de kerk op het hoge choor in de kelder van Hermanus Pals. Kerkegeregtigheijt 6-0-0 | van Driel, Cornelis Aartsz (I12752)
|
| 1475 | In de kerk op het hoge koor haer eijge kelder. Komt voor kerkegeregt F6-0-0 Bet 30-0-0 | van Driel, Magdalena Aarts (I12227)
|
| 1476 | In de kerk opt choor bij haar man Jacob Chiele. | Hoogop, Cornelia Maartens (I5004)
|
| 1477 | In de kerk opt koor in een eigen graf getekent M.X.M. | Tasman, Willem Chiele (I9980)
|
| 1478 | In de kerk sijn eijgen graf aan de noordzij voor het Ley huijsje no .. Kerkegeregtigheijt 4-0-0 Impost F3 | van der Harst, Abraham Jacobsz (I5049)
|
| 1479 | In de kerk tegen de rollaag voor de noorddeur vant koor in zijn eigen graf. | Taal, Cornelis Pieterse (I5141)
|
| 1480 | In de kerk tussen de pilaar daar het armbos aan staat (bij de vooringang) en de derde van het choor af te rekenen dus onder de tweede toog en het plankier voor de gemene banken. | van der Harst, Willem (I14005)
|
| 1481 | In de kerk voor 't choor met het voeteinde tegen het fondament van de rollaag allernaast bezuiden nr 861 | van der Harst, Leendert Jacobse (I4048)
|
| 1482 | In de kerk voor de Gildemeestersbank, het derde graf. 4-0-0 Impost F 3,= | de Wit, Leendert Pieters (I8717)
|
| 1483 | In de kerk voor en tegen de rollaag aan de Noordzijde. Bij haar man. | de Niet, Maartje Jans (Joostendr) (I5121)
|
| 1484 | In de kerk voor het koor tegen de rollaag van het koor, het eerste graf als men van de voorkoepeldeur inkoomt. | van der Harst, Pieter (I14049)
|
| 1485 | In de kerk voor het koor, met het hoofdeinde tegen het fondament van de rollaag regt voor de Zuidelijkste stijl daar de deur aan hangt en met de voeten kerkwaards. | van der Harst, Claartje Jacobse (I1607)
|
| 1486 | In de kerk Zuidpand achter tegen de pilaar daar de preekstoel aan staat strekkende met het hoofd en voet-eynde even veel bewesten en beoosten de pilaar. | Nierop, Nicolaas (I5199)
|
| 1487 | In de kerk Zuidpand onder het plankier tusschen de 2 pilaren daar de ingang is van de Vuurbaakmeestersbank. | van der Harst, Arij Aelberts (I14054)
|
| 1488 | In de kerk Zuidpand toreneind met het hoofdeinde tegen de pilaar die voor de weeskinderenbank staat. | Koning, Harme (I749)
|
| 1489 | In de kerk Zuidpand voor de ingang van de afgaande kerkenraadsbank regt in het pad, het hoofdeinde gelijk met de midde van de pilaer, die voor de weeskinderenbank staat, en het voeteneinde tegen het hoofdeinde van nr. 713 = Alida Buis. | de Jager, Johannes Teunisse (I5193)
|
| 1490 | In de kerk zuidpand, aan het Toren End. Boven op No. 314 en dus bezuiden naast deszelfs vader No. 346 Kerkeregt F 4,= Classis F 3 gulden | van der Harst, Albertus, Aalbert Bastiaansz (I13984)
|
| 1491 | In de kerk zuidpand, strekkende de kist met het hoofdeinde tegen het voeteinde van het graf van Heemskerk. En voorts naast No. 314. Staat twee diep. Kerkegraf. Kerkeregt F 4,= Classis F 15,= | van der Harst, Bastiaan Aelberts de Oude (I14001)
|
| 1492 | In de kerk Zuidzijde naast nr 247 en met het hoofdeinde tegen het voeteinde van nr 346 | Tasman, Martijntje Maartens (I14055)
|
| 1493 | In de kerk, graf No. 357 | van der Oest, Trijntje Adr (I4731)
|
| 1494 | In de kerk, midedelpand zuidzijden met het voeteinde tegen het hoofdeinde van No.99 ......... en dus tusschen zijn moeder en den banken, omtrent twee a drie teegels van de banken af. Zijn moeder is No. 530 Kerkegraf Kerkeregt F 4-0-0 Classe van 3 Gld dubbel | van der Harst, Bastiaan Aalbertsz (I13988)
|
| 1495 | In de kerk, nieuw graf bij choor Zuidzij naast aan Guurtje Flippe, hoofdeinde van Ds. Vorselius | Westerduin, Jan Flore (I2118)
|
| 1496 | In de kerk, staat op het lijk van zijn vrouw Trijntje Cornelisdr Toet. | van der Zwan, Pieter Vrancke (I13317)
|
| 1497 | In de kerk, zuidpand. Op haar man zie No. 346 Kerkegraf Kerkeregt F 4,= Classe F 6,= | Tasman, Marijtje Maartens (I14000)
|
| 1498 | In de kerk. | van Egmont, Heer van IJsselstein Jan I (I4349)
|
| 1499 | In de kraam gestorven. Pro Deo | den Heyer, Kniertje Cornelisse (I5590)
|
| 1500 | In de laatste jaren van zijn leven was Robert in open oorlog met zijn zonen Hendrik en Robert, die door hun moeder werden gesteund. Tijdens de burgeroorlog tegen zijn eigen zonen stierf Robert II op 20 juli 1031 bij Melun. Hij werd begraven in de kathedraal van Saint-Denis en uiteindelijk werd hij opgevolgd door zijn zoon Hendrik I | van Frankrijk, Koning van Frankrijk Robert II (I14611)
|
Ik doe er alles aan om het onderzoek te documenteren. Als u iets heeft dat u zou willen toevoegen, neem dan contact met mij op.