Aantekeningen


Treffers 1,001 t/m 1,250 van 2,532

      «Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 ... 11» Volgende»

 #   Aantekeningen   Verbonden met 
1001 Door Ds. van Staveren Roeleveld, Wouter Cryne (I5273)
 
1002 Door ds. W.E. den Hertog van der Kruijk, Teunis Cornelis (I4435)
 
1003 Door het huwelijk tussen Jan en Maria, verkregen ze van Reinoud IV van Gelre 6000 franse kronen als huwelijksgift. Gezin: Heer van Egmont en IJsselstein Jan II van Egmont / Maria van Arkel (F1590224338)
 
1004 Door Milan van Lange

Pim Kiderlen wint op jonge leeftijd vele wielrenwedstrijden, waaronder in 1886 het Open Engels Kampioenschap. Daardoor krijgt hij in Engeland al snel de bijnaam De Vliegende Hollander. Hij kan gezien worden als de eerste Nederlandse wereldkampioen wielrennen. Pim Kiderlen werd geboren op 18 januari 1868.

Pim Kiderlen was de zoon van Emil Kiderlen, een destilleerder uit Delfshaven en Antoinette van Eibergen-Santhagens. Bij zijn geboorte kreeg hij de naam Antoine Emile maar van jongs af aan had hij de bijnaam Pim. Vanaf 17-jarige leeftijd deed hij mee aan wielerwedstrijden op driewielers en de Hoge Bi. Eind 19e eeuw bestond er nog geen dominant basisontwerp voor de fiets en werden wedstrijden dus op uiteenlopende soorten rijwielen gereden.

Het fenomeen fiets was in die tijd iets geheel nieuws. Naast de stoomtrein was het een van de snelste manieren van transport. In de begintijd hadden veel mensen weerstand tegen de fiets, omdat die ‘met zo’n duizelingwekkende snelheid mensen kon voortbewegen’. In plattelandsregio’s werden de eerste fietsers zelfs wel eens achtervolgd door boze dorpelingen met hooivorken. Om zich hiertegen te verdedigen droeg Kiderlen vaak een loden stok met zich mee, de zogenaamde Ploertendoder. In 1885 ging Kiderlen een weddenschap aan. Hij moest binnen 24 uur van Rotterdam naar Leeuwaarden fietsen. Toentertijd een afstand waar met de meeste vervoermiddelen 31 uur over gedaan werd. Kiderlen haalde het in minder dan 23 uur. Destijds werd dit beschouwd als het wereldrecord op de lange afstand.

De eerste echte wielrenwedstrijden werden gehouden in Engeland, waar het zich ontwikkelde tot een herensport. Er waren, net als tegenwoordig, baanraces en langeafstandsproeven op de openbare weg. In 1886 won hij het Open Engels Kampioenschap, volgens de Britten zelf gelijk aan het Wereldkampioenschap. Een van zijn meest bijzondere prestaties is de wedstrijd die Kiderlen fietste tegen de stoomtram tussen Delfshaven en Schiedam, die eindigde in een gelijkspel.

Binnen drie jaar won Kiderlen 42 wedstrijden en werd hij 24 keer tweede. In 1888 had hij een aanrijding met een rijtuig waardoor hij een knieblessure opliep. Dit betekende het einde van zijn wielercarrière. Hij ging zich daarna richten op de handelin machinerieën en overleed op 13 september 1931 in Leiden.
======================================================================================================================================================================

Wikipedia:
Antoine Emile (Pim) Kiderlen (Delfshaven, 18 januari 1868 - Leiden, 13 september 1931) was de eerste Nederlandse wielrenner die aansprekende internationale resultaten behaalde.

Hij reed in de beginjaren van de wielersport zowel wedstrijden op de hoge bi als op de driewieler. Op beide gevaarten werd hij tweemaal Europees kampioen. In 1886 won hij het Open Engelse kampioenschap. De Britten zelf beschouwden hun toernooi als een wereldkampioenschap. Als deze redenering gevolgd wordt, kan Kiderlen beschouwd worden als de eerste Nederlandse wereldkampioen wielrennen in de geschiedenis.

In Engeland werd hij "De Vliegende Hollander" genoemd.

Een van zijn bijzondere prestaties was een wedkamp met de stoomtrein tussen Delfshaven en Schiedam. De strijd eindigde met een gelijke aankomsttijd.

Zijn beroemdste prestatie leverde hij in 1885. Hij was een weddenschap aangegaan dat hij het traject Rotterdam-Leeuwarden binnen 24 uur zou kunnen rijden, een route waar men met andere vervoermiddelen 31 uur over deed.[1] Op een hoge bi reed hij vervolgens in 22 uur en 35 minuten van Rotterdam naar Leeuwarden. Exclusief oponthoud leverde dit een tijd op van 16 uur en 46 minuten. Dit werd destijds gezien als een wereldrecord op de lange afstand. Hij was gewapend met een 'ploertendoder', een loden stok, om zich te verdedigen tegen struikrovers en tegenstanders van de fiets.[2]

Een ander wereldrecord reed hij in 1886: over de 52 kilometer tussen Rotterdam en Utrecht deed hij 1 uur en 48 minuten, een gemiddelde snelheid van bijna 29 km/uur.

Kiderlen won in twee jaar tijd 42 wedstrijden en haalde 24 tweede prijzen. In 1888 kwam hij in botsing met een rijtuig en moest hij zijn wielercarrière door een knieblessure beëindigen. 
Kiderlen, Antoine Emile (I4417)
 
1005 Door vader Aalbert wordt 200 gulden ingebracht bij de weeskamer.
Met de aantekening dat het rendeert tot zijn mondige leeftijd.

Oudoom van moeders kant Leendert Cornelis van der Harst (1724-1812) verklaart het bewijs volkomen genoegen te nemen. 
van der Harst, Bastiaan Aalbertsz (I13988)
 
1006 Doordat haar broers en haar ooms en tantes langs moederzijde overleden waren, werd zij de erfgename van Gelre.
Haar kleinzoon Arnold van Egmont volgde haar broer Reinoud op als hertog van Gelre. 
van Gulik, Johanna (I4345)
 
1007 Dopen rk Ginneken 1738-1782, archiefnummer CB, Collectie DTB Breda, inventarisnummer 114, blad 254
Gemeente: Ginneken en Bavel
Periode: 1738-1782 
Broekman, Henricus (I5790)
 
1008 Down Syndroom van der Kruijk, Gerardus (I4431)
 
1009 Draagt het van broer Willem geerfde leen over aan Floris Gerritsz., getrouwd met Willems weduwe. van Dijck, Dirck Thonisz (I3599)
 
1010 Draagt op 22 mei 1589 het leen dat eerder aan zijn vader toekwam, over aan zijn grootvader, Cors Thonisz. van Dijck van Dijck, Pouwels Adriaensz (I4669)
 
1011 Draagt op 22 mei 1589 het leen dat eerder aan zijn vader toekwam, over aan zijn grootvader, Cors Thonisz. van Dijck van Dijk, Pouwels Adriaensz (I7113)
 
1012 Drogist - barbier te Naaldwijk van Mechelen, Rombout Bartholomeusz (I4686)
 
1013 DTB G 25a; Lidmatenregister; gereformeerd; bron: NH 87; 's-Gravenzande
fol. 21; datum 00-00-1714; inschrijving van lidmaat
Cornelis van den Bos; belijdend lid te Maasdijk, 1714 vertrokken met attestatie
na Vlaerdinghe, weergekeert zie 6 bladeren verder; echtg. van Geertie van der
Gaeg
DTB G 25a; Lidmatenregister; gereformeerd; bron: NH 87; 's-Gravenzande
fol. 32; datum 00-00-1738; inschrijving van lidmaat
Cornelis van den Bos; hier aengenomen op ene wijze te zien kk:raed den 22 junij
1738; man van Geertje van: Gaeg
Voor schout en schepenen van Sandambacht: Guiljelmus van Bleyswijck, uit
naam van zijn moeder Anna Antonia van Hemert, weduwe van Abraham van
Bleyswijck, brouwer te Delft, contra Gerrit Sire Van Cralinge en Cornelis
Willemsz. van den Bos, beide wonende onder Sandambacht; vorderingen
van geldsommen wegens geleverde bieren, (ORA Delft 1522-1811) 
van den Bos, Cornelis Willemsz (I5821)
 
1014 Duik, Cornelis Arentae van
Dulk, Adolf van
Dulk, Annetje van
Dulk, Jaapje van
Dulk, Jansje van
Dulk, Leenterd van
Dulk, Pietertje van
Dulk, Wouter van
Firet, Jan
Koen, Dirk Leendertze
Mooijman, Leenderd
Niet, Jacob de
Ruijter, Arij de
Turfboer, Barber Janze
Turfboer, Jannetje Jansze
Vrolijk, Jannetje 
Turfboer, Jannetje Jans (I8540)
 
1015 Eed afgelegd te Veere op 10-5-1794 van der Harst, Leendert (I4486)
 
1016 Een akte van indemniteit (ook akte van cautie, borgtocht, ontlastbrief of borgbrief genoemd) was een officiële verklaring van de diaconie of het gerecht van de plaats van herkomst van nieuwe ingezetenen, dat deze de eventueel noodzakelijke bijdrage in de kosten van levensonderhoud voor hen zouden betalen. De Nederlandse plaatsen gingen om deze akte vragen als iemand zich daar wilde vestigen vanwege de groeiende armoede vanaf het eind van de 17e eeuw. Blok, Maria Arentsdr (I13987)
 
1017 Een dag na de geboorte van dochter Trijntje overleden als vrou van Kobis of Melis Petersen Niesje Willems (I4139)
 
1018 Een en ander volgens Rob Fieret werd in het Streekarchief Midden-Holland aangetroffen: comparant Ary Hofland woonachtig te Zevenhuizen, gehuwd met Cornelia van Leeuwen. Hofland, Arij Cornelisz (I1425)
 
1019 Een kind moet een verschrijving zijn. Keusoom, Leendert Cornelisz (I5629)
 
1020 Een lofzang op de arbeid en inzet van Leendert Cornelis van der Harst op de Harstenhoek. van der Harst, Leendert Cornelisz (I5237)
 
1021 Een overeenkomst van borgtocht (ook wel akte van borgstelling) is een overeenkomst waarin afspraken worden gemaakt over de borgstelling. Deze overeenkomst moet aan bepaalde eisen voldoen. Zo moet er duidelijk worden opgeschreven voor welke schuld de borg garant staat en tot welk bedrag de borgtocht geldt. Blok, Maria Arentsdr (I13987)
 
1022 Een vergelijking met het boek Het geslacht Van der TOORN van Dr. A.W.E. Dek generatie
III B, bladzijde 3 geeft de volgende aanvulling: 13. Klaas Maartensz van der Toorn? ongedoopt?, begraven 25
november 1733. Klaas Maartensz van der Toorn, gedoopt 13 november 1735, begraven 19 juni 1818,
trouwt 20 mei 1759 Jannetje Pieters Turfboer, gedoopt 4 maart 1736, begraven 22 februari 1772, dochter
van Pieter Willemse Turfboer en Jopje Arens de Bruyn, vier kinderen, volgt Dek gezin 917 
van der Toorn, Maarten Tysse (I5730)
 
1023 Eens beluijd
0-12-0 
Hoogenraad, Martijntje Ariens (I1686)
 
1024 Eens beluijd
Impost F 12 
Smient, Jacob Leendertsz (I2333)
 
1025 Eens beluijd 0-12-0 Boeckesteijn, Ariaantje Govertsdr (I4210)
 
1026 Eering geeft 23-12-1620. Dit klopt niet met geboorte zoon Gerrit Lz Lenaert Thonisz (I3696)
 
1027 Egbert (ca. 770 - Cornwall, juli 839) was koning van Wessex. Hij was het die de macht van Mercia overwon en van Wessex het dominante Angelsaksische koninkrijk maakte. Hij kreeg de titel ‘Bretwalda’, waarmee door de Angelsaksen een heerser werd aangeduid die macht had over andere heersers. Hij is begraven in de Old Minster te Winchester.

Egbert was zoon van Ealhmund, koning van Kent. Na de dood van zijn vader verkeert hij in een onzekere positie en wordt hij door Offa van Mercia en Beorhtric van Wessex in 789 naar het vasteland van Europa verbannen. Daar leeft hij 13 jaar onder bescherming van Karel de Grote. Na het overlijden van Beorhtric in 802 weet Egbert met steun van Karel de Grote en van paus Leo III de troon van Wessex te verwerven. Voor Karel is hij vooral een tegenwicht tegen de overmacht van Mercia. Het leger van Hwicce (een hertogdom binnen Mercia) valt direct Wessex aan maar wordt door Egbert afgeslagen.

Cornwall wordt onderworpen in twee veldtochten in 815 en 825. Ook in 825 verslaat hij Beornwulf van Mercia bij Ellendun (nu Wroughton) en stuurt zijn zoon Ethelwulf om zijn gezag te vestigen in de gebieden die onder het gezag van Mercia stonden: Kent, Essex en Sussex. In 826 vraagt East Anglia de bescherming van Egbert. Aanvallen van Mercia op East Anglia in 826 en 827 zijn een grote mislukking. In 829 verslaat Egbert Wiglaf van Mercia en slaat zelf munten als koning van Mercia. Egbert wordt Bretwalda (de hoogste koning) van Engeland, dus ook met een vorm van gezag over Northumberland. In 830 volgt nog een expeditie naar de gebieden in Wales die onder invloed van Mercia stonden.

Vanaf 830 volgt echter een periode van tegenslag: Wiglaf wint de troon van Mercia terug. De macht van Egbert over East-Anglia, Essex en misschien ook Kent lijkt verdwenen. Mogelijk is hier een samenhang met de periode van burgeroorlogen in het Frankische Rijk waardoor Egbert zijn Frankische steun verliest? Uiteindelijk ontstaat er een natuurlijk machtsevenwicht tussen Wessex, Mercia, East-Anglia en Northumberland - de kleine staten hebben hun zelfstandigheid dan verloren: Sussex, Kent, Surrey en mogelijk ook Essex zijn een onder-koninkrijk onder Egberts zoon Ethelwulf.

In 836 wordt Egbert bij Carhampton verslagen door een strijdmacht van 35 Deense schepen. In 838 verslaat hij bij Exeter een bondgenootschap van Denen en Kelten. De onafhankelijkheid van het Keltische koninkrijk Dumnonia is hiermee feitelijk afgelopen. Egbert en Ethelwulf sluiten een overeenkomst met de bisschoppen van Canterbury en Winchester. In ruil voor aanzienlijke schenkingen erkennen de bisschoppen Ethelwulf als opvolger van Egbert en erkennen ze Egbert en Ethelwulf als heer en beschermer van hun kerken en kloosters. In 839 is er nog correspondentie met Lodewijk de Vrome over zijn voorgenomen reis naar Rome. Het testament van Egbert geeft alleen bezittingen aan mannelijke familieleden, zodat er niet via huwelijk bezittingen uit de familie zullen verdwijnen. Het overgrote deel van zijn bezit gaat echter naar zijn opvolger.

moest in 786 voor Offa vluchten en vond aan het hof van Karel de Grote in het Frankische Rijk asiel. 
Koning van Wessex Egbert (I13833)
 
1028 Egbert trouwde met Redburga, mogelijk een Frankische prinses (een buitenechtelijke dochter van keizer Karel de Grote). Naast hun zoon Ethelwulf (vader van Alfred de Grote) hadden ze een dochter: de heilige Edith van Polesworth en een zoon Athelstan van Kent. Gezin: Koning van Wessex Egbert / Redburga (F1675410680)
 
1029 Eigenaar van een Buis (haringschip) tesamen met zijn broer Jacob. Geryt Adriaensz (I2740)
 
1030 Eigenaardig is het, dat de eersteling van dit gezin niet genoemd werd naar één van zijn beide grootvaders doch naar de overgrootvader Doe Adriaensz Luck. (van) Sprockenburgh, Doe Pietersz (I14784)
 
1031 Eleonora bleef de rest van haar leven in Vlaanderen wonen en stierf in 1071 van Normandië, Gravin van Vlaanderen Eleonora (I14658)
 
1032 Eleonora van Aquitanië (Occitaans: Aleonòr d'Aquitània, Frans: Aliénor of Éléonore d'Aquitaine; ook Éléonore de Guyenne; Belin of Bordeaux, ca. 1122/1124[2] – Poitiers of abdij van Fontevraud,[3] 31 maart of 1 april 1204[4]) was hertogin van Aquitanië door erfopvolging, koningin van Frankrijk (1137–1152) door haar eerste huwelijk en koningin van Engeland (1154–1189) door haar tweede huwelijk.
Ze was een van de invloedrijkste vrouwen van de middeleeuwen in West-Europa. 
van Aquitanië, Koningin-Gemalin van Frankrijk Eleonora (I4289)
 
1033 Elizabeth (Ysabeau) (- 23 oktober 1272), die op 19 maart 1233 trouwde met Diederik primogenitus, heer van Dinslaken (ca. 1214-1244),[1] en in 1246 met Gerard, heer van Wessenberg (-1255);[2]
Maria, jong overleden. 
Gezin: Graaf van Brussel Hendrik I van Brabant / Maria van Frankrijk (F1730708837)
 
1034 Elizabeth van der Zwan,
begraven op 't koor aan de Zuidzijde langs de zerk van Kagenaar en met de voeten tegen de rollaag van het hoge choor.

Kerkeregt F 6,=
Classe 3,= 
van der Zwan, Elisabeth Teunisse (I5476)
 
1035 En de huijsvrou van Arij Jansz is getuige van der Toorn, Korvingh Maertense (I5659)
 
1036 En er is zelfs een nog oudere akte bekend van Hendrick
Adriaensz Bloem. Op 12 december 1485 verkoopt hij een
rente van een rijnse gulden per jaar met als onderpand zijn
pachtland in het Nieuwland te ’s-Gravenzande.[8]
Voor ons quam Heijnrick Ariaensz Bloom ende belijde voor
hem ende sinen naecomelingen wittelick ende wel vercoft
te hebben aen meester Adriaen Jansz priester tot
sGravensande een rinssche gulden siaers erffelijcke ende
ewige renten. Verseeckert op sijn huijs ende erve daer hij
nu ter tijt in wonende is, staende binnen onsen ambochte
voersz in pachtlant daer. Ende voert soe ist oeck verseeckert
up een half morghen lants, vrij lants gheleghen int
Nijeuwelant ende is belegen eijnde lant anden dworsdijck,
streckende anden nijewen dijck ende an dat noortende
Wouter van Heemskerck. 
Bloem, Hendrick Adriaensz (I13493)
 
1037 Er was in die dagen wel een „vuilnisman". Hij werd betaald uit het vuilnisgeld, een belasting die betaald moest worden door de eigenaars van huizen te Scheveningen.
In 1777 bracht die belasting ƒ 344 op.

De man, die toen de betrekking waarnam, Abraham van der Harst scheen zijn
baantje nog al kalm waar te nemen; althans in datzelfde jaar stelden Burgemeesteren en Schepenen „tot beeter maintien der keuren" Adrianus van Hoogenhuijze in zijn plaats aan.

In 1795 ontmoetten we Marcelis als vuilnisman, naar wien de Marcelis-
straat is genaamd. 
van der Harst, Abraham Jacobse (I5214)
 
1038 Er zijn diverse boerderijen met de naam Bakkenes o.a. Backenesse, kerspel Barneveld, buurtschap
Esvelt, akte 1771, ook wel Donkersgoed genoemd, mogelijk is hij identiek aan Jan Willemszn. van
Backenes geb. ca 1495 genoemd in de Schothorster tienden.zijn zoon of kleizoon is Willem van
Backenes geb. ca 1575, bron Schothorster teinden. 
(Bakkenes), Jan (I1807)
 
1039 erfdochter van de heerlijkheid Velsen en het bos Schoonhoven bij Velsen van Velsen, N.N. (I141)
 
1040 Erfdochter van Naaldwijk. van Nadelwick, Jonkvrouw Hadewich Unarchsdr (I3410)
 
1041 erfdochter van Theobald van Bar-Pierrepont de Bar-Pierrepont, vrouwe van Pierrepont Elisabeth (I3475)
 
1042 Erfmaarschalk van Holland.

Ridder; vermeld 1220-1230.
Hij bezat goederen te Naaldwijk en Zwartewaal; vermeld bij transport te Dirksland 1220 en als getuige in 1223, 1225, 1226, 1229 en 1230. Hij droeg de titel van Erfmaarschalk van Noord-Holland.
Met hem gaat de familienaam van Voorne over in van Naaldwijk; hij heeft in 1220 ook land in Middelland (Voorne); in 1229 machtigt hij mede de akte voor zoutwinning. 
van Naeldwick, Erfmaarschalk van Holland Hugo I (I3423)
 
1043 Erft van zijn vader Zwartewaal en van zijn moeder de goederen onder Naaldwijk.

Vermeld 1199-1203.
Jongste zoon van Dirk, heer van Voorne. Hij werd door zijn broer Hendrik beleend met goederen te Naaldwijk die waren ingebracht door hun moeder, bewoonde de hofstede bij Zwartewaal
1199: Huge van Vorne en zijn broers Dirc en Bartholomeus van Vorne doen afstand voor hun zonden en die van hun ouders ten behoeve van het godshuis Sint Marienweerd van hun rechten in de visserij van Gescenmunde, het door de graaf geschonken. De zoons van Arnold Blankerd, die deze van Huge in leen hielden, doen evenenees afstand. Getuigen : Henric van Vlerdinghe, Henric van Riswich, Ghiselbert van der Lee, Ghiselbert van Lace, Arnold Meire vermeld 1203;
hij heeft in 1220 ook land in Middelland (op Voorne). 
van Voorne, Heer van Naaldwijk Bartholomeus (I3403)
 
1044 Erg lang heeft dit huwelijk niet geduurd Op 20 september
1532 verschijnt Maritge zelf voor de weeskamer i.v.m. het
522-2 augustus 2022
overlijden van haar man en de nalatenschap voor de
kinderen.

Compareerden Marrijge Adriaensdr van Sceveninck en
heeft aldaer bewese haer twee kinderen te wete Adriaen
Cornelisz out omtrent vij jaer en Marrijge Cornelisdr out
omtrent een jaer ghewonne bij Cornelis Cornelisz tijmerman
zaligher memorie, voor haer vader erve de some van
hondert pont Hollants eens. Borghe is Sijmon Pietersz van
Sceveninck. 
Nieuwwaerts, Maritge Adriaensdr (I13483)
 
1045 Erkend tijdens huwelijk ouders. Mos, Pieter (I13071)
 
1046 Erkenning kind: Frederik *Ut 28-10-1863 Gezin: Frederik Jenner / Hendrina Carolina Johanna van Altena (F1666599754)
 
1047 Ermptje Cornelis Ficx bejaerde dochter
1 Vrouw 
Fix, Ermpje Cornelisse (I5622)
 
1048 Eustaas I van Boulogne, bijgenaamd à l’Oeil, (geboren ca. 1005 – overleden 1049) was een zoon van Boudewijn II van Boulogne en Adelina van Holland. Hij volgde zijn vader op als graaf van Boulogne, Saint-Pol, Guînes en Lens, en als lekenabt van de abdij van Sint-Bertinus. Hij is begraven in Samer.
Hij was gehuwd met Mathilde van Leuven, dochter van Lambert I van Leuven. 
van Boulogne, Graaf van Boulogne, Saint Pol, Guînes en Lens Eustaas I (I4879)
 
1049 Eustaas III van Boulogne (ca. 1058 - Rumilly (Pas-de-Calais), na 1125) was graaf van Boulogne en door erfenis een van de rijkste edelen van Noord-Frankrijk en Engeland.

Eustaas volgde in 1087 zijn vader op als graaf van Boulogne en erfde van hem ook grote bezittingen in Engeland, die zijn vader had verworven als dank voor zijn bijdragen aan de Normandische verovering van Engeland. Eustaas liet zelfs eigen munten slaan in York (Engeland). Verhalen dat hij zelf zou hebben deelgenomen aan de slag bij Hastings zijn vrijwel zeker onwaar, omdat Esutaas toen nog een kind was.

Hij ging met zijn broers Godfried van Bouillon en Boudewijn van Boulogne mee op de Eerste Kruistocht in 1097. Nadat het Heilige Land veroverd was, keerde Eustachius als enige terug naar huis. Godfried werd koning van Jeruzalem en werd opgevolgd door Boudewijn. Toen Boudewijn in 1118 overleed, trok Eustatius na enige tijd geaarzeld te hebben naar het Heilige Land. Halverwege (in Apulia), hoorde hij dat Boudewijn van Bourcq (een ander familielid) inmiddels tot koning was gekroond. Eustaas keerde toen terug naar Boulogne. In 1125 deed hij afstand van zijn functies en werd monnik.

Hij wordt beschreven in het gedicht Chanson du chevalier au cygne, en in de Opera Lohengrin zijn ook gegevens over het leven van Eustaas in het stuk verwerkt.

Eustaas was een zoon van Eustaas II van Boulogne en Ida van Verdun. Hij huwde in 1102 met Maria van Schotland, de dochter van koning Malcolm III van Schotland. Zij was samen met haar zuster opgevoed in de abdij van Romsey. Hun huwelijk werd gearrangeerd door Hendrik I van Engeland die hiermee zijn positie tegen zijn broer Robert Curthose versterkte. Eustaas en Maria hadden een dochter: Mathilde van Boulogne, die huwde met koning Stefanus van Engeland. 
van Boulogne, Graaf van Boulogne Eustaas III (I4870)
 
1050 Eustaas trouwde in 1036 met Godifu, dochter van koning Ethelred II en weduwe van Drogo van Vexin. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen bekend. Na het overlijden van Godifu, hertrouwde Eustaas met Ida van Verdun. In 1048 steunde hij de opstandvan zijn schoonvader Godfried II van Lotharingen tegen keizer Hendrik III. In 1049 verzoenden de opstandelingen zich met de keizer en Eustaas erfde in datzelfde jaar het graafschap Boulogne van zijn vader. In 1051 bezocht hij Engeland en raakte zijn gevolg in Dover in gevechten verwikkeld. In 1054 erfde Eustaas ook het graafschap Lens (Frankrijk) van zijn broer Lambert.
Eustaas nam deel aan de invasie van Engeland en de slag bij Hastings in 1066. Hij was blijkbaar een grote investeerder in de expeditie want hij werd door Willem de Veroveraar beloond met grote bezittingen in Engeland, vooral in Essex. In 1067 probeerde hij het kasteel van Dover in handen te krijgen en werd door Willem bestraft met het verlies van zijn Engelse bezittingen. Na een verzoening met Willem kreeg hij het grootste deel echter weer terug. Volgens het Domesday Book had hij een persoonlijk inkomen uit zijn bezittingen van 610 ponden per jaar. Daarmee was Eustaas de op-een-na rijkste van de Engelse baronnen. In Boulogne was hij de eerste graaf die munten liet slaan. Deze macht en rijkdom zou het graafschap Boulogne nog generatieslang een factor van betekenis maken in Engeland en Frankrijk. 
van Boulogne, Graaf van Boulogne Eustaas II (I3380)
 
1051 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Levend (I788)
 
1052 Eyer, Arij den
Eyer, Dirk den
Eyer, Jacob den
Eyer, Pietertje den
Mosch, Maarten
Overduin, Dirk
Overduin, Marijtje Dirksze 
Overduin, Maria Dirkse (I13034)
 
1053 F 1200,= Blok, Maria Arentsdr (I13987)
 
1054 f 3,--,-- impost van den Bosch, Trijntje Adamse (I5833)
 
1055 f. 10 d.d. 1678: Aert Jansz. van Driel tot zijn eerste huisvrouw gehad hebbende
Leijghie Leendertsdr. zaliger en de heer Nicolaes Overschie solliciteur militair in
dienst van deze landen, zijn nagelaten zoon, mitsgaders Cornelis van Liss getrouwd met Cornelia Arentsdr. en Govert van Ven getrouwd met Dirrickje Arijensdr. dochtersvan voorsz. Leijghie Leendertsdr. wonende te Maassluis transporteren aan Cuniertje Bastiaensdr. weduwe van Pieter Arijensz. Hollaer wonende alhier 7 gemeten weilandin het Binnenland van Rhoon in de polder Jaagin. [043] 
van Driel, Aert Jansz (I12710)
 
1056 f. 10 d.d. 6-1-1622: Comp. Cornelis Jansz. moelenaer wonende op Westeheijde en bekende verkocht te hebben aan Jasper Jansz. van Alenburch wonende binnen ’s Gravenzande de resterende verschenen custingen tot 455 gld. uit zakere custingbrief tot comparants behoeve ten andere tijde gepasseerd bij Cornelis Aertsz. wonende op het noordeinde binnen de stad ’s Gravenzande voor schepenen van Zandambacht en spruitende uit koop en levering voor rest van 2,5 morgen eigen patrimoniaal land gelegen in Zandambacht in de Groote Noord
tiende. Hem comparant aangekomen als erfgenaam en door het overlijden va Trijntge Cornelisdr. weduwe was van Jan Bastiaensz. moelenaer zijn comparants overleden vader en moeder. Wezende dezelve custingbrief d.d. 13-6-1617. 
van Alenburgh, Jasper Jansz (I1570)
 
1057 f. 102 d.d. 20-6-1654: Comp. Jan Barentsz. Bosch cleermaker getrouwd hebbende Adriaentje Jorisdr. voormaals weduwe van Cornelis Jansz. van Diest en bekende in gevolge van de ruiling en mangeling bij hem met Jaepje Wilhemsdr. weduwe van Jasper Jansz. van Alenburch gedaan, getransporteerd te hebben aan de voorn. Jaepje Wilhemsdr. zeker huis en erve staande en gelegen binnen ’s Gravenzande op de hoek van het marktveld genaamd de Vergulde Valck. Luck, Jaepje (Jacoba) Willemsdr (I2275)
 
1058 f. 103 d.d. 20-6-1654: Comp. Jaeptje Wilhemsdr. weduwe van Jasper Jansz. van Alenburch en bekende in gevolge van de ruiling en mangeling bij haar met Jan Barentsz. Bosch
cleermaker gedaan, getransporteerd te hebben aan de voorn. Jan Barentsz. Bosch zeker huis en erve staande en gelegen binnen ’s Gravenzande aan de Goudbuurt, volgens de oude brief daarbij zij verkoopster het verkochte gekocht heeft van Fijtje Dircxsdr. weduwe van Gedioen Phijlijpsz. Baeck. 
Luck, Jaepje (Jacoba) Willemsdr (I2275)
 
1059 f. 105 d.d. 13-2-1630: Comp. Rochus Jacobsz. metselaer wonende in ’s Gravenhage en bekende getransporteerd te hebben aan Jasper Jansz. van Alenburg de resterende custingpenningen tot 43 gld. toe hem comparant competerende voor rest van meerder som uit zekere bezegelde custingbrief verleden voor schepenen van ’s Gravenzande sprekende tot last van Claes Loedewijcxsz. glaesmaecker alhier, d.d. 4-12-1629. van Alenburgh, Jasper Jansz (I1570)
 
1060 f. 107v d.d. 1630: Comp. Thonis Cornelisz. Cuerts wonende binnen de stad ’s Gravenzande en bekende verkocht en geconstitueerd te hebben ten behoeve van de e. Jasper Jansz. van Alenburch mede wonende binnen de stad ’s Gravenzande een zuivere losrente van 6 gld. 5 st. ’s jaars. van Alenburgh, Jasper Jansz (I1570)
 
1061 f. 109 d.d. 21-3-1655: Comp. Jaepje Wilhemsdr. weduwe van Jasper Jansz. van Alenburch geassisteerd met de secretaris als haar gekoren voogd in deze en bekende verkocht te hebben aan Dou Jaspersz. van Alenburch haar zoon zeker huising en erve staande en gelegen binnen de stad ’s Gravenzande staande aan de Langestraat. Luck, Jaepje (Jacoba) Willemsdr (I2275)
 
1062 f. 112v d.d. 9-6-1630: Comp. Euwoudt Gerridtsz. wonende in de Poeldijk, Jan Gerridtsz. Bruijn, Cornelis Lenaertsz. opte Hill als man en voogd van Trijntge Gerridtsdr. te samen vervangende Cors Jacobsz. als man en voogd van Heijltgen Gerridtsdr. alle in Zandambacht en tot ’s Gravenzande met Willem Lenaertsz. als man en voogd van Lijdewij Gerridtsdr. elk voor haar zelf en voor een gedeelte, Willem Jorisz. Buijs heiligegeestmeester tot ’s Gravenzande vervangende zijn andere consorten in officie mede voor de portie van Crijn Gerridtsz. logerende en onderhouden wordende in het gasthuis van deze stad, mitsgaders Simon Pietersz. mede tot ’s Gravenzande voor hem zelf vervangende Willem Thomasz.
moelenaer als man en voogd van Stijntge Pietersdr. desselfs zwager, en de vijf onmondige weeskinderen desselfs zuster en broeder en de kinderen van Maertge Gerridtsdr. in de echt geprocreerd bij Pieter Jeroenen in het noorland, te samen mede voor de vijfde hand, en alle kinderen en erfgenamen van wijlen Gerridt Huijmansz., en bekenden verkocht te hebben aan

Jasper Jansz. van Alenburch poorter van de stad ’s Gravenzande de resterende
custingpenningen henluiden te samen als erfgenamen voorsz. competerende ter som toe van 650 gld. uit zekere custingbrief eertijds verleden voor schepenen van Zandambacht over de koop van de voorn. zaliger Gerridt Huijmansz. woning en landen staande en gelegen aan de Maasdijk in Zandambacht, sprekende tot last van Doe Diricksz. camerman mede aldaar aan de Maasdijk in Zandambacht wonende. 
van Alenburgh, Jasper Jansz (I1570)
 
1063 f. 127
8-1-1672: Comp. Maertje Dircx van der Bijl wed. en boedelhoudster van Jacob Simonsz. Smient haar overleden man zal. geass. met Dirck Cornelisz. van der Eijck haar bruidegom ter eenre, en Arij Dircxsz. van der Bijl als oom en bloedvoogd van moederszijde over de vier nagelaten onmondige weeskinderen van voorn. Jacob Simonsz. Smient zal. geprocr. bij voorsz. Maertje Dircxs van der Bijll, der kinderen vader en moeder resp.,
genaamd de kinderen Dirck Jacobsz. van der Smient, oud 8 dagen na Sint Jacobs 20 jaar, Leendert Jacobsz. van der Smient, oud mei 1672 16 jaar, Jannitje Jacobsdr., oud sestalff weken voor meij 13 jaren en Maertje Jacobsdr. van der Smient oud ..... [onleesbaar], erfgenamen van de voorn. Jacob Simonsz. Smient haar vader zal., ter andere zijde. Zijn veraccordeerd. [6989] 
van der Bijl, Maertje Dircx (I6302)
 
1064 f. 139v d.d. 31-5-1656: Comp. [voor schout en schepenen van Zandambacht] Jaepje Willemsdr. weduwe en boedelhoudster van Jasper Jansz. van Alenburgh en bekende getransporteerd te hebben aan Doe Jaspersz. van Alenburgh haar zoon zeker stuk land van ouds genaamd ’t Scheplant gelegen in Noorland groot 2 morgen 5 hond land. Luck, Jaepje (Jacoba) Willemsdr (I2275)
 
1065 f. 14 d.d. 22-5-1622: Comp. Jan Willemsz. Keij onze inwoner en bekende schuldig te wezen aan Jasper Jansz. van Alenburch onze inwonende poorter een losrente van 12 gld. ’s jaars. van Alenburgh, Jasper Jansz (I1570)
 
1066 f. 149 d.d. 12-12-1692: De heer Harmen Adriaensz. Pals wonende op Scheveningen procuratie hebbende van de heer Cornelis van Driel mede wonende aldaar transporteert aan Arij Cleijssen wonende in Rhoon 7 gemeten land met 2 gemeten aanwas daarnaan gelegen in het Buitenalnd van Rhoon, volgens de jongste oude brief d.d. 21-10-1681. [181] Pals, Harmanus Adrianus (I12226)
 
1067 f. 15 d.d. 30-6-1640: Comp. [voor schepenen van Zandambacht] Olijvier Vrancken Inhouck wonende binnen het dorp van Naaldwijk en bekende verkocht te hebben aan Harman van Middelcoop in ’s Gravenhage zekere 6 morgen 3 hond 40 roeden geestelijk land gelegen in Zandambacht in de Wippolder aan twee kampen naast elkaar. Inhouck, Olivier Vrancken (I4679)
 
1068 f. 162v d.d. 15-5-1658: Comp. [voor schout en schepenen van Zandambacht] Jaepje Willemsdr. weduwe en boedelhoudster van Jasper Jansz. van Alenburgh tegenwoordig wonende tot Voorburg en bekende verkocht te hebben aan de e. Pieter Willemsz. Buijs schepen van de stad ’s Gravenzande de nombre van 13 hond land gelegen in de Hofftiende binnen Zandambacht Luck, Jaepje (Jacoba) Willemsdr (I2275)
 
1069 f. 18 d.d. 10-8-1640: Comp. [voor schepenen van Zandambacht] de heren Pijeter Willemsz. van der Houff en Pijeter Ronaert regenten van het weeshuis tot Delft vervangende en haar sterkende voor haar mede-confraters, en bekenden verkocht te hebben aan zaliger Anthonis Corsz. van Vliet in zijn leven gewoond hebbende tot Monster zeker derde part van 5 hond land leggende gemeen in de Zevenkamp binnen Zandambacht, waarvan tot nog toe geen opdracht gedaan is geweest, en bekenden nu te transporteren aan Cornelis en Heindrick
Anthoniszonen van Vliet als speciaal geauthoriseerd zijnde bij het Hof van Holland tot de directie van de boedel en goederen van de voorn. overleden Anthonis Corsz. van Vliet
volgens akte van authorisatie het voorsz. derde part van 5 hond land. 
van Vliet, Anthonis Corsz (I3741)
 
1070 f. 18 d.d. 10-8-1640: Comp. [voor schepenen van Zandambacht] de heren Pijeter Willemsz. van der Houff en Pijeter Ronaert regenten van het weeshuis tot Delft vervangende en haar sterkende voor haar mede-confraters, en bekenden verkocht te hebben aan zaliger Anthonis Corsz. van Vliet in zijn leven gewoond hebbende tot Monster zeker derde part van 5 hond land leggende gemeen in de Zevenkamp binnen Zandambacht, waarvan tot nog toe geen opdracht gedaan is geweest, en bekenden nu te transporteren aan Cornelis en Heindrick
Anthoniszonen van Vliet als speciaal geauthoriseerd zijnde bij het Hof van Holland tot de directie van de boedel en goederen van de voorn. overleden Anthonis Corsz. van Vliet
volgens akte van authorisatie het voorsz. derde part van 5 hond land. 
van Vliet, Cornelis Theunisz (I4694)
 
1071 f. 199 d.d. 5-6-1699: Adriaen Hermansz. Pals wonende te Poortugaal procuratie
hebbende van zijn moeder juffrouw magdalena van Driel weduwe van sr. Harmanus Pals, procuratie voor notaris Cornelis van der Sleijden te Delft op
14-4-1699, transporteert aan de heer Reijer Evertsz. van Bleijswijck wonende te Delft 7 gemeten 150 roeden weiland en 1 gemet 121 roeden dijkputten, tezamen groot 8 gemeten 271 roeden, gelegen aan het Rhoonse Veer in het Binnenland van Rhoon. [229] 
Pals, Adriaan Hermansz (I12715)
 
1072 f. 250 d.d. 12-6-1773: Heer Nicolaas Pals wonende te Scheveningen getrouwd met juffrouw Johanna Cruijt, heer Dingeman Goederheijde wonende te Dordrecht
getrouwd met juffrouw Margarieta Cruijt en heer Willem Haansbergen wonende in ’s Gravenhage getrouwd met juffrouw Adriana Cruijt en juffrouw Maria Margarieta van der Vlies weduwe van heer Johan Cruijt als moeder en voogdesse over Johan Cruijt haar minderjarige zoon (volgens testament door haar en haar man voor Henderik van Bergen notaris te Oud-Beijerland gepasseerd d.d. 8-3-1694), mitsgaders heer Adriaan Waaldijk procuratie hebbende van de heer Willem Visser gesurrogeerde medevoogd over voorn. Johan Cruijt (akte van surrogatie d.d. 5-12-1702 voor schepenen van Oud-Beijerland, idem de procuratie daar d.d. 11-6-1703), idem voorn. juffrouw Maria Margarieta van der Vlies als mede-erfgenaam van voorn. heer Johan cruijt voor een kindsgedeelte, en zulks tezamen in voorsz. respectievelijke kwaliteiten erfgenamen van meergemelde heer Johan Cruijt voor de ene helft en nog voorn. juffrouw Maria Margarieta van der Vlies weduwe van heer Johan Cruijt uit krecht van de gemeenschap van goederen voor de wederhelft,
mr. Cornelis Pilletier een huis en erf genaamd Het Huijs te Pendregt met zijn tuinen en boomgaard bezuiden en benoorden het voorsz. huis mitsgaders de vijver en oude boomgaard met zijn sloten rondom, alsmede de 3 hond erfpacht tezamen groot 3 gemeten, mitsgaders nog omtrent 5 hond teelland in huur gebruikt door Arend Joosten Goere smid alhier. Dit volgens de jongste oude brief d.d. 12-3-1689. [281] 
Pals, Niklaas Hermansz (I12225)
 
1073 f. 350v d.d. 13-5-1719: Jan Cornelisz. Roobol wonende in Pernis en Dirk Oirbersz.
van der Waal getouwd met Neeltje Cornelisdr. Roobol wonende in Rhoon, kinderen van wijlen Maartje Sijmonsdr. Hoogwerff verwekt bij Cornelis Cornelisz. Roobol, welke Maartje Sijmonsdr. Hoogwerff een dochter is geweest van Sijmon Meesz.Hoogwerff en Pleuntje Herbertsdr. Rijsdijck beide zaliger, uit wiens hoofde het verkochte land is aangeërfd volgens kaveling op 5-3-1713 voor notaris Joannes Neck, transporteren aan Pieter Leendertsz. Blijdorp wonende over de Rolbrugge in Pendrecht 3 gemeten 75 roeden zailand gelegen in het Binnenland van Rhoon. [382] 
van der Waal, Dirk Oolbertsz (I28)
 
1074 Fiche 6 afb 14 (tafel). Hieruit volgt als trouwdatum: 7-11-1832 (vervallen) en 14-11-1832 Nr 323 Gezin: Kornelis van der Harst / Johanna (Jannetje) de Niet (F1640165468)
 
1075 Floris I is oorspronkelijk begraven in de eerste abdij van Egmond. Hij ligt nu na opgraving in het nieuwe mausoleum in de in 1935 herstichte Abdij van Egmond van Holland, Graaf van Holland Floris I (I4765)
 
1076 Floris II, bijgenaamd de Vette of de Dikke, was de eerste Friese graaf die zich niet langer graaf van Frisia noemde, maar graaf van Holland: “Florentius comes de Hollant”.
Omstreeks 1108 trouwde Floris II met Petronella, dochter van Diederik II van Lotharingen, de hertog van Opper-Lotharingen en een halfzus van de Rooms-Duitse koning Lotharius III van Supplinburg.
Floris II beëindigde het conflict met bisschop Burchard van Utrecht, waarschijnlijk door hem in 1101 als leenheer te erkennen. In ruil daarvoor ontving hij van de bisschop het Rijnland (gouw) in leen en kreeg van hem de titel graaf van Holland.
Floris II is de eerste die zo werd genoemd, daarvoor werd zijn domein nog als het graafschap Friesland aangeduid.
Floris verwierf grote rijkdom door de ontginning van de veengebieden in het Rijnland en door tolheffing op de grote rivieren, met name bij Vlaardingen waar in die tijd de Lek, Waal en Maas samen in de Noordzee uitmondden.
Hij heeft zijn bijnaam waarschijnlijk aan deze rijkdom te danken. Floris heeft tijdens zijn bewind diverse houten kerken vervangen door kerken van tufsteen. 
van Holland, Graaf van Holland Floris II (I4266)
 
1077 Floris V (Leiden, 24 juni 1254 – Muiderberg, 27 juni 1296), bijgenaamd der keerlen god (god van de kerels, van de gewone man), was graaf van Holland en Zeeland en vanaf 1291 liet hij zich 'heer van Friesland' noemen, ofschoon hij alleen in West-Friesland feitelijke macht uitoefende. Floris V was de zoon van Willem II van Holland en Elisabeth van Brunswijk.

Chronologie van Floris' leven

1254 - Geboren op de plek waar nu de Lokhorstkerk in Leiden staat.
1256 - Slechts twee jaar oud volgt hij als graaf van Holland in naam zijn vader, Willem II van Holland, op die is gesneuveld bij Hoogwoud. De regering wordt voorlopig gevoerd door zijn oom Floris de Voogd.
1266 - Op twaalfjarige leeftijd wordt hij meerderjarig verklaard en neemt hij daadwerkelijk het bestuur over. Zijn moeder overlijdt en wordt in Middelburg begraven.
1268 - Hij geeft de riddermonniken van de Duitse Orde het recht de pastoors te benoemen van de Leidse Pieterskerk.[2]
1269 - Huwelijk met Beatrix van Vlaanderen, dochter van graaf van Vlaanderen Gwijde van Dampierre
1272 - Een veldtocht tegen de West-Friezen mislukt.
1272 - Hij geeft Gouda stadsrechten.
1273 - Hij geeft Vlaardingen stadsrechten.
1274 - Hij maakt een einde aan een opstand van de Kennemers en de boeren van Water- en Amstelland.
1275 - Hij verleent een tolprivilege aan Amsterdam (27 oktober). Daarmee wordt de stad voor het eerst genoemd.
1277 - Hij wordt op 11 januari in Den Bosch tot ridder geslagen. Hij probeert een verbond te sluiten met Vlaanderen.
1278 - Hij maakt zich met geweld van de opstandige stad Utrecht meester.
1279 - Hij richt op 25 juli de ridderorde op van St. Jacob te Den Haag in de ridderzaal. Hij benoemt 12 edelen tot Ridder.
1279 - Jan van Nassau geeft hem het Nedersticht in pand.
1280 - Hij laat het Muiderslot bouwen. Hij belegert in mei kasteel Vreeland, neemt Gijsbrecht van Amstel gevangen en brengt hem naar Zeeland over. Hij neemt Montfoort in, dat aan Herman van Woerden was verpand. Die vlucht naar het buitenland.
1281 - Hij laat zijn dochter Margaretha met de Engelse troonopvolger Alfonso (gestorven 1284) verloven.
1282 - Hij onderneemt opnieuw een tocht tegen de West-Friezen. Hij landt met een vloot in Wijdenes, verslaat hen na een veldslag bij Schellinkhout en onderwerpt hen. Hij vindt het stoffelijk overschot van zijn vader in Hoogwoud en begraaft hem in Middelburg.
1283 - Hij steunt hertog Jan I van Brabant in diens strijd om het hertogdom Limburg.
1285 - Hij verzoent zich met Gijsbrecht van Amstel, die vijf jaar gevangen is geweest. Hij laat zijn zoontje Jan met Elisabeth, de dochter van de Engelse koning Eduard I van Engeland verloven.
1287-1288 - Na de Sint-Luciavloed weet hij West-Friesland te onderwerpen en laat hij Kasteel Radboud bouwen. In 1288 verzoent hij zich met Herman van Woerden, die acht jaar verbannen is geweest.
1290 - Bij Biervliet wordt hij in opdracht van zijn schoonvader Gwijde van Dampierre gevangengenomen door Zeeuwse edelen.
1291 - Floris V laat zich 'heer van Friesland' noemen.
1292 - Hij verneemt dat zijn aanspraken op de Schotse troon niet zijn gehonoreerd. John Balliol wordt de nieuwe Schotse koning. Balliol loopt in 1295 over naar de Franse koning Filips IV van Frankrijk.
1294 - Hij vervult op 10 augustus een sleutelrol in het verdrag van Dordrecht, waarbij het bondgenootschap tussen de Engelse koning Edward en de Duitse koning Adolf van Nassau wordt bezegeld.[3]
1295 - In de zomer wordt graaf Robert II van Artesië er door de Franse koning op uit gestuurd Floris V voor de Franse partij te werven.
1296 - Hij verruilt op 9 januari 1296 het Engelse voor het Franse kamp. Zijn vrouw Beatrix sterft op 23 maart. In juni wordt hij gevangengenomen. Hij wordt op de vijfde dag van de ontvoering, op 27 juni 1296, gedood door Gerard van Velsen, Diederik, een 'knaap' van Herman VI van Woerden en een derde onbekende. De mannen achter de schermen van de ontvoering en uiteindelijke dood van Floris zouden Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, hertog Jan I van Brabant en koning Eduard I van Engeland zijn.

Dynastieke voorgeschiedenis

Floris V was de zoon van graaf Willem II, die tevens rooms-koning was. Via zijn bet-overgrootmoeder Ada van Schotland was hij verwant met het Schotse koningshuis. Bij zijn politieke optreden probeerde hij gebruik te maken van deze connectie.

Op tweejarige leeftijd werd hij graaf van Holland en Zeeland. Zijn vader was een half jaar daarvoor gedood door de West-Friezen. Zijn oom, Floris de Voogd, nam voogdij over hem op zich. Zijn tante Aleida van Henegouwen nam kort daarna de voogdij over na de dood van Floris de Voogd (maart 1258). Zijn ridderlijke opvoeding kreeg hij tussen 1261 en 1266 waarschijnlijk van Albert van Voorne, de burggraaf van Zeeland. Op Voorne kwam Floris in contact met Jacob van Maerlant, die er in dezelfde periode verbleef.[4] Op twaalfjarige leeftijd, in 1266, werd de jonge Floris officieel meerderjarig verklaard, en op 14-jarige leeftijd trad hij in het huwelijk met Beatrix van Vlaanderen, de dochter van Gwijde van Dampierre.

Politiek
Floris had grote ambities en streefde er voortdurend naar zijn macht te vergroten. Zijn eerste wapenfeit was het neerslaan van de Opstand der Kennemers. Vervolgens wilde hij wraak nemen op de Friezen omdat zijn vader tijdens een veldtocht tegen de Friezen door hen was gedood. Toen hij in 1282 de Friezen in West-Friesland had verslagen, vond hij het lichaam van zijn vader, en liet hij zich 'Heer van Friesland' noemen. Zijn pogingen ook het andere gedeelte van Friesland (gebieden in de huidige provincie Friesland) in te nemen liepen echter op niets uit. Een eerste invasie mislukte door het slechte weer en aan zijn tweede veldtocht hield hij uiteindelijk alleen een bruggenhoofd in Friesland over.

Schotse troon

Na de dood van koning Alexander III van Schotland in 1286 wierp Floris zich op als Schots troonpretendent. De betovergrootmoeder van Floris was Ada van Schotland, dochter van de voortijdig overleden kroonprins Hendrik van Schotland. Floris was echter niet de enige. In totaal waren er dertien pretendenten. Ondanks zijn zwakke familieband met Alexander III ging Floris toch naar de vergadering, in Norham op de 10e van de bloeimaand (mei). Hij werd als eerste in de gelegenheid gesteld om zijn recht op de troon te verdedigen. Koning Eduard I van Engeland bleek daarbij geen bondgenoot, maar een rivaal te zijn, die erin slaagde, weliswaar gedeeltelijk en tijdelijk, om Schotland onder Engelse invloed te brengen.

Een andere manier om zijn ambities gestalte te geven blijkt uit zijn streven om Zeeland Bewestenschelde bij zijn grondgebied in te lijven. Dit doel probeerde hij op verschillende manieren te bereiken. Eerst trachtte hij dit met steun van koning Eduard I van Engeland, later met de hulp van de Fransen. Uiteindelijk wist hij het aanzien van Holland enorm te vergroten. Een groot deel van de huidige buitengrenzen van Noord- en Zuid-Holland samen is toen vastgesteld.

Complot

Het ging fout toen Floris zijn Engelse bondgenoot Eduard I in 1296 wegens een conflict over de wolhandel aan de kant zette ten gunste van de Franse bondgenoot Filips IV. Het verhaal gaat dat de Engelse koning enkele ontevreden edelen zou hebben gevraagd hem gevangen te nemen. Tijdens een valkenjacht - volgens sommige geschiedschrijvers bij de Egelshoek[5] - werd Floris gevangengenomen door Gijsbrecht van Amstel, Herman VI van Woerden, Willem van Zaanden,[6] Arent van Benschop, Gerard van Craayenhorst, Willem van Teylingen en Gerard van Velsen. Het nieuws van zijn gevangenneming lekte echter snel uit en onder het volk, waar Floris erg populair was, ontwikkelde zich het plan hem te bevrijden. Gijsbrecht van Amstel was vermoedelijk al op 23 juni uitgeweken naar Brabant en niet op het Muiderslot aanwezig geweest. Ook Herman van Woerden was waarschijnlijk op de fatale dag van de moord niet aanwezig en naar Brabant gevlucht.[7] Toen de edelen met hun gevangene op 27 juni 1296 het Muiderslot verlieten met Va

Gerard van Velsen werd later gepakt, gemarteld en ter dood gebracht. Gijsbrecht van Amstel (de vierde met die naam uit het bekende geslacht van de Heren van Amstel) en Herman van Woerden sleten de rest hun leven als ballingen en verloren al hun bezittingen.
Anno 1296. Dood van Graaf Floris V (Johannes Hinderikus Egenberger, 19e eeuw)
Beeld te Rijnsburg, gemeente Katwijk (Zuid-Holland).

In de Grote of Sint-Laurenskerk in Alkmaar staat een kist met daarbij een plaquette uit de 17e eeuw waarop staat dat de kist de ingewanden bevat van Floris V en dat hij in deze kerk begraven is vóór het hoofdaltaar onder een "wittige steen". Floris V werd door de Naardingers dood aangetroffen, gebalsemd en per schip naar de oude kerk van Alkmaar gebracht, waar hij onder de zerk een tijdelijk graf kreeg. Zijn zoon, Jan I, bracht zijn stoffelijk overschot begin april 1297 na de Slag bij Vronen over naar de abdij van Rijnsburg. De oude kerk van Alkmaar werd in de 15e eeuw vervangen door de Grote Kerk, maar de tombe van Floris bleef bewaard. Het werkelijke graf van de graaf verdween toen de abdijkerk in Rijnsburg in 1574 werd verwoest.[10]

Nalatenschap

De politiek van Floris stond grotendeels in het teken van het vergroten van zijn macht en van zijn dynastieke ambities. Van dat laatste is niet veel terechtgekomen. Bij zijn dood liet hij een minderjarige zoon achter, Jan I van Holland. Deze stierf echter al op 15-jarige leeftijd. Met diens dood kwam een einde aan het Hollandse huis. Voorts had hij alleen onechte kinderen: Witte van Haemstede en Catharina. De graventitel ging naar de graaf van Henegouwen, waardoor Holland voortaan geregeerd werd door Henegouwse heren van het huis Avesnes.

Volgens de historiografie was Floris zeer populair bij het volk, waaraan hij zijn bijnaam 'der keerlen god' dankte. Aan hem wordt, ondanks zijn strijd tegen de Friezen, een relatief vreedzaam regime toegeschreven, naast modernisering van het bestuur, bevordering van de handel, behartiging van de belangen van de boeren ten koste van de adel, en inpoldering van Hollandse wateren.

Na zijn dood vielen de Friezen de 'dwangburchten' aan, die hij had laten bouwen. Onder meer het huis te Wijdenes, veste de Nieuwendoorn en kasteel Medemblik werden bestormd.[11]

Floris' populariteit bij de boeren komt waarschijnlijk voort uit zijn streven andere lokale machthebbers dwars te zitten. Het leven van Floris V is gedetailleerd beschreven door zijn tijdgenoot en biograaf Melis Stoke in zijn Hollandse Rijmkroniek. Dit is de belangrijkste informatiebron over Floris, maar geen geschiedschrijving in de moderne zin des woords. Waarschijnlijk moet de Rijmkroniek als hagiografie opgevat worden, waarin Floris beter naar voren komt dan hij in werkelijkheid was. Dat positieve beeld kwam voort uit de tweede helft 18e eeuw, toen men aan orangistische kant de stadhouder als beschermer van het gewone volk tegen de regenten ging zien. Bilderdijk dichtte in 1788 zijn Floris de Vijfde, waarin de graaf extreem werd opgehemeld. Van verkrachter en onderdrukker der edelen werd Floris een martelaar voor de zaak van de boeren en burgers.[12]

Floris V is meermalen stof geweest voor literaire werken en andere cultuuruitingen. Zijn gewelddadige dood werd door Pieter Corneliszoon Hooft (Geeraerdt van Velsen) en Joost van den Vondel (Gijsbrecht van Aemstel) in toneelstukken gedramatiseerd. Opvallend is dat Floris in Geeraerdt eerder een schurk dan een held is. Volgens sommige bronnen zou Floris de dochter van Van Velsen hebben verkracht. In Hooft's toneelstuk is dit de aanleiding voor de ontvoering van en moord op Floris. De werkelijke oorzaak van het drama zal zijn gang naar Parijs zijn geweest toen hij zich begin januari 1296, met de Franse koning verbond tegen zijn vijanden.[13] In twintigste-eeuwse werken krijgt Floris V wel de heldenrol die hem ook vandaag nog vaak wordt toebedeeld.

Binnenhof
De vader van Floris was begonnen met de bouw van het Binnenhof in Den Haag als paleis bij zijn status als Rooms-Koning, en beoogd keizer. Het Binnenhof is door Floris afgebouwd om zijn dynastieke ambities gestalte te geven. Dit gebouw moest het centrum worden van zijn macht, en er zijn dan ook vele verwijzingen te vinden naar die ambities. Deze verwijzingen bestaan uit symbolen die zijn koninklijke status moesten benadrukken. Ook het kasteel Radboud in Medemblik is in opdracht van Floris V gebouwd. 
van Holland, Graaf van Holland en Zeeland Floris V (I4649)
 
1078 fol. 96v. 14-07-1670:
comp. Aart van Driel, schout en dijkgraaf van Albrandswaard en bekende schuldig te wezen aan Simon den Danser, gewezen commandeur en equipage-meester van Nederlands Indien, wonende Delfshaven de som van fl. 2500. (in marge): comp. Aart van Driel, schuld is afgelost 29-03-1675 
van Driel, Aert Jansz (I12710)
 
1079 Fop Gerrits voor hem en als oom en voogd van Leuntje en Jan Jans, nagelaten kinderen van zijn broer Jan Gerrits. Cornelis Arentsz Ballen als vader en voogd van Maritje en Fop Cornelisz, Nagelaten kinderen van Jannetje Foppen, wijlen zijne huisvrouw en Cniertje Dammis als moeder van Dammis Cornelisz, tesamen erfgenamen van Maertje Cornelisdr, allen wonende te Scheveningen.

Een huis en erf aan de Nobelstraat, westzijde aan Jan Centen Zeeman.
Belendingen: Jan Jansz Hulst, Oost het eerf van Ermtgen Costers. 
van Schenaert, Foppe Gerritsen (I5532)
 
1080 Foto van zerk beschikbaar: 357836 nr12 van der Kruijk, Martinus (I5979)
 
1081 Frederik IV van Saarbrücken Graaf van Leiningen-Dagsburg

Door dit huwelijk verwierf Friedrich IV de heerlijkheid Aspremont. 
Gezin: Graaf van Leiningen-Dagsburg Frederik IV van Leiningen / Johanna van Aspremont (F1590224560)
 
1082 Frederik werd geboren als een postume zoon van graaf Simon II van Saarbrücken en zijn vrouw Liutgard van Leiningen. van Leiningen, Graaf Friedrich II van Leiningen Friedrich II (I3415)
 
1083 G. 56. 65Yi x 71 cm. In médaillon een zeilend schip; kagenaar. HIER LEYT BEGRAVEN / BASTIAEN AERIN(S)E KA / GENAER SOON VAN ARJEN / HERCKSE KAGENAER / GESTORVEN OP DEN 27 / FEBREW ARUS 1669 /
Bastiaen Aerinse werd geboren in 1642 (zie hieronder). Deze steen werd a/d Z.zijde van de kerk gevonden. Waarschijnlijk is Bastiaan op zee omgekomen.
Het begraafreg. noemt hem "18 Maert 1669 de soon van Marijtie Bastijaene genoemt Bastiaen", Hij was de zoon van Arie Tjarcxse (Kagenaer) en Maertje Bastiaene.
De vader wordt genoemd: Arie Tjarcxsz. ofTjercksz., Herckse, Harcke of Jerckse. Deze was begr. 10 Sept. 1644 ,,in de kerck aen de Zuydzijde 't Se pleyn het Ie graf".
Zijn vrouw kennen wij uit het Societeits­ reg. nr. 288 gezin nr. 315, c. 1680 "Maertje Bastiaene, weduwe Ary Jercksz. Kagenaer, 1 vrouw en 1 meyt". Zij is niet hertrouwd.
5 Sept. 1638 werd in de Grote kerk gedoopt Jarcke 't Jarckse, waarvan de vader Ary genoemd werd, terwijl als doopgetuige optrad Neeltje Bastiaene, de vrouw van Jacob Leendertse van der Harst "de oude" (zie G. 25 en G. 86).
Deze Jarcke was een broer van Bastiaan ( ondanks verschil in spelling van het patroniem).
Neeltje Bastiaene was een zuster van Maertje Bastiaene.
Ary Tjarckxse Kagenaer woonde a/d O.zijde v/d Keizerstr.
Onder G. 25 vinden wij Bastiaan en zijn broers en zusters.
Bij de doop van Adriaen Jacobsz. van der Harst, 27 Nov. 1661, treden als doopgetuigen op
Tjerck Aeryaensz. (ged. Groote kerk 5 Sept. 1638; zie boven).
Bastiaen Aeryaens, ged. Scheveningse kerk 22 Dec. 1642 (een kind Bastiaen uit dit huw. was ged. 10 Juni 1640, doch jong overl.),
Claertgen ged. 6 April 1643 (zie G. 25) en
lmmetgen, ged. 15 Mei 1644, waren halve broers en zusters van Klaertyen Aerrens, de vrouw van Jacob Leendertsz. van der Harst, geb. uit een vroeger huw. van Arie Tjarckxse Kagenaar.
Maertje Bastiaene was dus zijn tweede vrouw. De hier begraven Bastiaan stierf ongeh. op 26 jarige leeftijd. Niet lang na 1680 heeft Maertje Bastiaene zich ingekocht in het Schev. gasthuis.
13 Dec. 1695 werd zij hier begraven; ,,Maertje bastiane uyt het gasthuys in de kerck in haer eygen graf an de Suytzij bij de tweede pijlaer van den toorn". 
Bastiaen Aeryaens (I6174)
 
1084 G. 86. 43 x 85 cm. IL VH / N.B. 1680 /
De initialen zijn die van Jacob Leendertse van der Harst/Neeltje Bastyaene (zie G. 25 en 56).
Jacob Leendertse van der Harst "de Oude", een zoon van Leendert Jacobsz. en Neeltie Ariens werd 30 Oct. 1680 in de kerk begraven.
Begr.reg. vermeldt, dat hij een graf gekocht heeft, doch de vermelding van k ( = kerkbegraving) - zoals bij andere boekingen ko ( = koorbe­ graving) - maakt het duidelijk, dat hij ook op die datum begraven is.

12 Mei 1647 huwde hij in de kerk Neeltje Bastiaene (ondertr. 28 April). Zij werd hier begraven 13 Nov. 1680. Hij was kagenaar van beroep (zie G. 25).
Kinderen: Aryen, ged. 2 Febr. 1648;
Pieter, ged. 20 Nov. 1650;
Abraham, ged. 11 Aug. 1652;
Bastiaen, ged. 26 April 1654.
29 Febr. 1657 werd nog een kind gedoopt.
4 kinderen van hem werden a/d Z.zijde v/d kerk begraven, allen ongenoemd, n.l. 11 Maart 1648, 30 Nov. 1650; 11 Maart 1657 en 26 Juli 1658.
De zoon "Bastiaen Jacobse van der Harst, kagenaer" werd 20 sept. 1691 in de kerk begraven aan het hoofdeinde van zijn vader. 
van der Harst, Jacob Leenderts (de Oude) (I5443)
 
1085 G. ’t Hart en H.F.W.D. Fischer, Costumen van ’s
-Gravenhage 1451-1609 (Utrecht 1963)
blz. 55. Akte d.d. 23 december 1555: Cornelis Cornelisz. schout tot Berckel, oudt omtrent
XLIX jaeren. 
Versijden, Cornelis Cornelisz (I4148)
 
1086 G.A. Delft, Dossier W. v.d. Lely. Uittreksel uit
het appointementenboek van de Hoge
Vierschaar van Delfland; vonnis d.d. 19-7-1556. 
van Dijck, Anthonis Dircksz (I3529)
 
1087 Geboorte klopt niet met overlijdensdatum vader. Trijntje Jans (I1840)
 
1088 Geboorteakte dochter Cornelia Johanna Keus, Cornelis (I13060)
 
1089 Geboorteakte zoon Matthijs Mos, Matthijs (I13066)
 
1090 Geboortedatum / leeftijd strookt niet: Huw vs Ovl van der Harst, Willem (I5322)
 
1091 Geboortedatum overeenkomstig met Matje van den Ende van der Ende, Maria (I8169)
 
1092 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Levend (I241)
 
1093 Geboren "in de vasten" Thoen van Bronckhorst, Jan Jansz (I3739)
 
1094 Geboren 1228, overleden 1284, ook bekend als Aleid(a) van Avesnes, was gravin van Henegouwen. Aleid was een dochter van Floris IV van Holland en Machteld van Brabant. Zij trouwde met Jan van Avesnes om het bondgenootschap van haar broer Willem II van Holland met Jan te bevestigen. Hij was een zoon van Burchard van Avesnes (Zie Heren van Avesnes nr. 8) en Margaretha van Constantinopel (Zie Graven van Vlaanderen en Henegouwen nr. 14).
Na de dood van Jan (1257) werd Aleid regentes van Henegouwen voor haar zoon Jan II van Avesnes. Na de dood van haar broer Floris de Voogd (1258, Willem was al overleden) werd ze ook regentes van Holland voor Floris V van Holland (tot 1263). Onder druk van tegenstanders moest ze in 1263 haar functie als regent van Holland neerleggen en het graafschap verlaten. Floris werd in 1266 twaalf jaar oud en volwassen verklaard, en hij stond Aleid in 1268 toe om terug te komen naar Holland. In 1272 kocht zij van Dirk II van Wassenaer al diens rechten te Schiedam. Zij was de stichtster van Huis te Riviere in Schiedam, het oudste en destijds op één na grootste slot in het Graafschap Holland. In 1991 werd in Schiedam een standbeeld, de vrouwe Aleida voor haar opgericht.
Aleid trouwde op 9 oktober 1246 met Jan van Avesnes. 
van Holland, Gravin van Henegouwen Aleida (I6014)
 
1095 Geboren 1247, overleden te Valencijn op 22 augustus 1304, was als Jan I graaf van Henegouwen van 1280 tot 1304 en als Jan II graaf van Holland en Zeeland van 1299 tot 1304.
Jan was de oudste zoon van Jan van Avesnes (zoon van Margaretha van Constantinopel) en Aleid van Holland (dochter van graaf Floris IV). Zijn vader Jan en Margaretha hadden een lange strijd gevoerd over de verdeling van de goederen van Margaretha. Daaruit volgde dat vader Jan Henegouwen zou erven, maar omdat hij voor Margaretha overleed ging dit recht over op Jan II. Jan II sloot voor alle zekerheid in 1272 een verbond met zijn neef Floris V van Holland, tegen Margaretha. Daarmee werd her verbond van hun vaders voortgezet. Koning Rudolf van het Heilige Roomse Rijk erkende Jans rechten in 1275. In 1277 wees Rudolf Jan bovendien aan als erfgenaam van Floris, indien die kinderloos zou overlijden. In februari 1280 volgde hij Margaretha op in Henegouwen, die het graafschap Vlaanderen reeds in 1278 had afgestaan aan haar zoon uit haar tweede huwelijk, Gwijde van Dampierre. 
van Avesnes, Graaf van Henegouwen Jan II (I6015)
 
1096 Geboren 1252 — 6 april 1311. Zij was de dochter van graaf Hendrik V van Luxemburg en Margaretha van Bar. Ze trouwde in 1270 met Jan II van Avesnes (1247-1304), graaf van Henegouwen en van Holland. Aldus was zij de moeder van Jans troonopvolger, Willem III van Holland en diens broer Jan van Beaumont. Een bekende kleindochter van haar is Filippa van Henegouwen, de echtgenote van Eduard III van Engeland. Een andere bekende kleindochter is Margaretha II van Henegouwen, gravin van Holland en Zeeland en echtgenote vankeizer Lodewijk de Beier. Zij is begraven in Valencijn. van Luxemburg, Filippa (I6016)
 
1097 Geboren aan de Monsterseweg. Bregman, Pieter (I5969)
 
1098 Geboren als Korsje Ariens Taal Taal, Christina (I12693)
 
1099 Geboren circa 1215 – 10 januari 1271, bijgenaamd de Lamme, was graafvan Gelre en Zutphen van 22 oktober 1229 tot zijn dood in 1271.
Hij is de zoon van graaf Gerard III van Gelre en Margaretha van Brabant. De graaf had vele bijnamen. Voorbeelden hiervan zijn ‘de Lamme’, ‘de Paardenvoet’ of de ‘Hinkende’ vanwege zijn klompvoet. Een andere bijnaam was ook wel de Stedenstichter vanwege de vele plaatsen die hij tot stad verhief. Op vijftienjarige leeftijd volgde hij zijn vader Gerard III van Gelre op. Otto regeerde 42 jaar.

Otto II was graaf van Gelre van 1229 tot aan zijn dood. Hij bemiddelde vaak bij vetes in zijn omgeving. Ook werd hijzelf vaak in conflicten betrokken door zijn bezittingen in Westfalen, onder andere met de graven van Ravensberg enTecklenburg maar ook met de bisschoppen van Münster, Osnabrück en Paderborn.

Om de invloed in de Nederrijnlanden voerde Otto II vele oorlogen met de graven van Kleef en bisschoppen van Utrecht. Zijn aanspraken op Salland moest hij daardoor opgeven.

In 1247 werd Otto II door de paus gevraagd of hij Rooms-koning wilde worden. Hij was de tweede keus, want de hertog van Brabant had de kroon al geweigerd. Hij wees dit aanbod af, omdat dit ambt veel nadeel zou brengen.

Het klooster Grafenthal werd in 1248 gebouwd op aandringen van zijn vrouw Margaretha van Kleef. De kloosterkerk was het eerste bouwwerk op het kloostercomplex. In hetzelfde jaar kwam de stad Nijmegen in zijn bezit. Otto II liet in 1250 aanvangen met de bouw van de Grote of Sint-Stevenskerk, die pas in 1476 zou worden voltooid. In 1251 werd het lichaam van Margaretha van Kleef bijgezet in de kerk van het klooster Graefenthal. Vlak voor zijn dood vocht hij nog enkele geschillen met de stad Zutphen uit.

Otto bereikte als bondgenoot van de Hertogen van Brabant en Graven van Holland (van 1261 t/m 1262) een hoge positie in Neder-Lotharingen. Hij verkreeg vele heerlijkheden waaronder Groenlo, Bredevoort en Lichtenvoorde. Zodoende was hij beschermheer van Keulen.

Otto II was een goede bondgenoot van Willem II van Holland, toen deze sneuvelde in een campagne tegen de Friesen in 1256 erfde Floris V van Holland het graafschap Holland. Floris V stond nog onder voogdij van Floris de Voogd (tot 1258) en daarna door Aleid van Holland waarmee Otto II de voogdij bevocht over Holland en Zeeland met andere edelen. Bij de slag bij Reimerswaal op 22 januari 1263 versloeg Otto II zijn rivaal Aleid, waarna hij als voogd werd verkozen. In 1266 werd Floris V meerderjarig op twaalfjarige leeftijd en werd hij in staat geacht om zelf zijn graafschap te regeren.

Een andere bijnaam van Otto is ‘de stedenstichter’. Hij verleende tijdens zijn regeerperiode stadsrechten aan 29 steden, onder meer Geldern (1229), Goch (ca 1230), Roermond (1231), Harderwijk (1231),Grave (1232), Emmerik (1233), Arnhem (1233), Lochem (1233), Doetinchem (1236), Doesburg (1237), Wageningen (1263) en Montfort (Waarschijnlijk in 1263).

Otto II werd opgevolgd door zijn zoon Reinoud I. Hij ligt begraven in het klooster Graefenthal.

Otto II trouwde in 1240 met Margaretha van Kleef (†10 september 1251), de dochter van graaf Diederik VI van Kleef en Mechtild van Dinslaken.

In 1253 trouwde hij met Filippa de Dammartin, dochter van graaf Simon van Dammartin. 
van Gelre, Graaf van Gelre en Zutphen Otto II (I4305)
 
1100 Geboren circa 1310 te Lisse, overleden voor 24 oktober 1372. Dirck werd na opdracht van zijn vader beleend met twee morgen land te Lisse, Na opdracht door Floris Symonsz van der Specke ontvind hij op 1 september 1345 diens leengoed "Ter Specke". Vermeld als schout van Lisse 1 mei 1353, schepen van Haarlem 9 maart 1355 en 10 febr. 1356, was 21 juli 1357 schout van Noordwijkerhout. Werd 22 november 1357 door de graaf aangesteld tot schout van Haarlem, op welk ambt hij de graaf 200 Franse schilden leende, die hij aan zijn voorganger Willem van Zaenden betaalde
Had reeds eerder banden met Haarlem: 8 november 1346 werd Dirk, die toen gevangen zat in het Leidse Gravensteen, door Haarlemse poorters bevrijd. Op 5 maart 1348 tochtte hij zijn vrouw aan de mindere helft van Ter Specke c.a. Dirk werd beleend met 2 morgen land te Lisse; na opdracht door Floris Symonsz. van der Specke ontving hij 4 sept. 1345 diens leengoed (Ter Specke) 13 november 1345: Jan, heer van Egmond en Dirk van Brederode, ridders, betuigen de overdracht d.d. 4 september 1345 door Floris van der Spek Simonsz. van diens goed aan Dirk van der Spek, LRK 49.fo.16. Hij kocht 1342-45 regelmatig hout van de grafelijkheid; had land in Iijfhuur van de graaf te Abdissenbroek (vermeld ca. 1350-63). Verkocht 22 mei 1359 een rente van 31 schellingen aan de abdij van Egmond, gevestigd op een huis te Haarlem; een der belenders was Dirk zelf Toen in 1364 of 1365 een zoen tot stand kwam tussen de partijen betrokken bij de dood van Willem Heynenz., werd nadrukkelijk vermeld dat de kwesties waar Dirk van der Spe
http://home.kpn.nl/janpaulvanderspek/ 
van der Specke, Dirck Willemsz (I10306)
 
1101 Geboren in huis wijk B nommer 96 van der Kruijk, Cornelis Marinus (I4430)
 
1102 Geboren in wijk B nommer 345 van der Houwen, Josina (I4429)
 
1103 geboren omstreeks 1405, overleden na 24 oktober 1475. Haar zoon Joest ontving na de dood van Symon Vrederic van der Specke diens vicarie. Yeves nageslacht voerde de naam "Van der Speck" en bezat de collatie van de genoemde vicarie. Tot hen behoorde Vranc Matthijszn van der Speck, in 1568-1572 verwikkeld in een proces rond landbezit van de vicarie in de St Pancreaskerk te Leiden, waarvan hij collator was. Ook Pieter Gerritszn van der Speck, deken van het Leidse timmermansgilde en stichter van het "St. Pietershofje" te Leiden (1645) stamt uit deze familie. Gehuwd met Vranck Pieterszn. Timmerman, overleden na 18 juni 1477. van der Specke, Yeve (I10349)
 
1104 Geboren omstreeks 1440, overleden omstreeks 1489. Dirc verkreeg in 1479 het leen "Ter Specke" toen zijn oom Symon de priester overleed. Eigenlijk zou zijn vader Floris daarvoor in aanmerking komen, maar die was al overleden. De helft deed Dirc al meteen over aan Daniël Rudolfsz. van Alphen. Die was getrouwd met de weduwe van zijn oom Jacob van der Specke. van der Specke, Dirc Florysz (I3498)
 
1105 geboren op 10 maart 1723 te Ruyven, gedoopt op 19 maart 1723[inv.3,fol.96] te Pijnacker (getuige: Neeltje Paulus Berkhout) , overleden op 6 oktober 1809[dtb Delft inv. 165] te Delfgauw, begraven op 13 oktober 1809[dtb Pijnacker inv.12] te Delfgauw. Hij boerde te Ruyven. Hij was de schrijver van de familie. Hij hield een soort dagboek (meer een jaarboek) bij waarin hij schreef over zijn familie, zijn Godsvreze en de wetenswaardigheden en de levensomstandigheden op de boerderij. [bron 36] In 1745 is Paulus als lidmaat van de Hervormde Kerk uit ´t Wout te Delft ingekomen. In 1752 woont hij onder Hof van Delft. Zijn vader passeert dan namelijk als gezworenen van Ruyven een akte (Protocollen van de Heerlijkheid Ruyven NA. RA. 1892 dl. B fo. 117) dat Paulus van der Speck, wonende onder Hoff van Delft, "eenen partije hooy ende weylandt" koopt, groot "ses mergen 50 roeden", voor de somma van ƒ 1.650,-. Hij wordt daarmee buurman van zijn vader, wiens gronden slechts door een perceel van 2 morgten daa van der Speck, Paulus Abrahamsz (I4222)
 
1106 Geboren op het 'Slot op den Hoef' van Egmont, Heer van Egmond Allard (I3396)
 
1107 Geboren te Houffalize in april 1218, overleden te Valenciennes op 24 december 1257. Hij was (erf)graaf van Henegouwen.

Jan was de oudste zoon van Burchard van Avesnes en Margaretha van Vlaanderen. Dit huwelijk werd echter onder politieke druk onwettig verklaard en ontbonden. Zijn moeder hertrouwde met Willem II van Dampierre en erfde in 1244 de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen. Zij benoemde de kinderen uit haar tweede huwelijk tot haar erfgenamen.

Jan en zijn broer Boudewijn begonnen een politieke campagne om hun aanspraken te doen gelden. In 1243 verkregen zij een beslissing van keizer Frederik II van Hohenstaufen dat zij wettige kinderen van hun ouders waren. Jan kwam in 1244 in opstand tegen zijn moeder en koning Lodewijk IX van Frankrijk wierp zich in 1246 op als arbiter. Ook hij erkende de wettigheid van Jan en Boudewijn, en hij besliste dat Margaretha’s oudste zoon uit haar eerste huwelijk Henegouwen zou erven, en de oudste zoonuit het tweede huwelijk Vlaanderen zou erven. Lodewijk bereikte daarmee op zijn beurt dat het grote Vlaams-Henegouwse machtsblok aan zijn noordgrens werd versplinterd. Margaretha reageerde door het bestuur van Vlaanderen over te dragen aan haar zoon Willem II van Vlaanderen, maar ze hield wel het bestuur over Henegouwen.

Jan begreep dat het conflict met zijn moeder nog niet voorbij was en vond nog in 1246 een krachtige bondgenoot in graaf Willem II van Holland en trouwde op 9 oktober 1246 met diens zuster Aleid van Holland. Toen Willem in 1248 tot Duits tegenkoningwas gekozen, bevestigde hij Jan als heer van Henegouwen en Rijks-Vlaanderen. In datzelfde jaar 1248 vertrok Lodewijk IX om deel te nemen aan de kruistocht en Jan besloot om zijn moeder aan te vallen. In 1250 werd zijn wettige status bovendien erkend door de paus. In 1251 lukte het Jan om zijn halfbroer Willem II van Vlaanderen te laten vermoorden tijdens een toernooi. Hij werd opgevolgd door zijn broer Gwijde van Dampierre. Nadat een aanval van Vlaanderen op Holland was mislukt (Slag bij Westkapelle, 4 juli 1253) was de Vlaamse macht gebroken. Margaretha besefte dat ze Henegouwen moest opgeven en in een laatste poging om Jan dwars te zitten schonk ze het graafschap aan Karel van Anjou, broer van de Franse koning. Karel probeerde Henegouwen te bezetten maar w
Zonder verder tastbaar resultaat overleed Jan in 1257, nog voor zijn moeder. Hij is begraven in Valenciennes. 
van Avesnes, Graaf van Henegouwen Jan I (I6013)
 
1108 Geboren te Lisse circa 1340, overleden voor 8 mei 1418, bezitter van Ter Specke. Werd 4 juli 1378 Leids poorter, met Gheret Heerman als borg, voor 40 pond. Vermeld als schout van Lisse 12 jan.-29 nov. 1394, schepen van Leiden 1394-95, 1395-96, burgemeester 1398-99, kerkmeester van de St. Pieterskerk 1400-1401. Aangesteld tot boter- en kaaskoper in de Friese oorlog 1398. Rentmeester van Kennemerland en Westfriesland sedert 15 september 1403 in de plaats van Bertelmeeus van Raephorst enzolang het deze goeddunkte. Hij verloor in 1410 zijn Leidse poorterschap, daar hij reeds langer dan vijf jaar buiten de stad verbleef, hij zal waarschijnlijk naar Ter Specke zijn teruggekeerd.
Vermeld als veehandelaar 24 aug. 1396, 2 febr. 1402 en 3-24 aug. 1404. Hij pachtte in 1398-99 de Leidse hopaccijns. Hij leende de stad Leiden geld voor de krijgstocht tegen de Friezen (terugontvangen 1398-99). Met Dirk van den Bossche leverde hij 1403-04 kalk aan de St. Pieterskerk. Zijn huis te Leiden werd 15 juni 1410 voor 275 nobel verkocht, van de opbrengst werd een aantal hoge pandrentes ingelost. Beleend met 2 morgen te Lisse 24 okt. 1372, [LRK 50 fol. 129v nr. 841, bew. J.C.Kort] verhief dit leen en "die Specken" (9 morgen land) in 1390 met ledige hand; die Specken ontving hij 12 dec. 1400 als onversterfelijk erfleen, tevens werden hem genoemde 2 morgen ten vrij eigen gegeven en kocht hij van de graaf 2 hond land gelegen aan de Horenbrugge en 2 hond land genaamd Butterscamptgen, beide gelegen te Lisse aan het (Haarlemmer)meer.Dirk kocht 27 febr. 1395 een gedeelte van het veenland tussen Zegwaard en Zevenhuizen dat Floris Gijsbrechtsz. verbeurde, van de graaf. Voor deaanleg van de nieuwe weg

Hij pachtte in 1398-99 de Leidse hopaccijns, leende Leiden geld voorde krijgstocht tegen de Friezen, leverde 1403/4 kalk aan de St.Pieterskerk, beleend met 2 morgen te Lisse 1372, verhief dit leen en"die Specken" (9 morgen land) in 1390 met ledige hand, die Speckenontving hij 12-12-1400 als onversterfelijk erfleen, tevens werden hemgenoemde 2 morgen ten vrij eigen gegeven en kocht hij van de graaf 2hond land gelegen aan de Horenbrugge en 2 hond land genaamdButterscamptgen, beide gelegente Lisse aan het (Haarlemmer)meer, kocht27-2-1395 een gedeelte van het veenland tussen Zegwaard en Zevenhuizendat Floris Gijsbrechtsz verbeurde, voor de aanleg van de nieuwe wegvan Leiden naar Oegstgeest (de huidige Steenstraat) moest Dirk in 1395land afstaan, died before 8 May 1418, Dirk VAN DER SPECKE, overledenvóór 08-05-1418.
Veehandelaar (1396). Poorter van Leiden (1378-1410). Schout van Lisse(1394). Schepen van Leiden (1394-1395, 1395-1396). Burgemeester vanLeiden (1398-1399). Kerkmeester van de Sint Pieterskerk te Leiden(1400-1401). Aangesteld tot boter- en kaaskoperin de Friese Oorlog(1398). Rentmeester van Kennemerland en West-Friesland (1403).Eigenaar van het huis Ter Specke. Leenman van Holland (1372).,occupation: veehandelaar. 
van der Specke, Dirck Dircksz (I10304)
 
1109 geboren voor 1505, overleden na 1582, in dat jaar treedt hij op als schuldeiser van 18 gulden uit de boedel van Jacob Janszn van der Speck, de zoon van zijn broer Jan. Reeds in 1544 komt hij in het kohier van de 10-de penning voor, evenals in de drie opvolgende kohiers. Hij is pachter van 18 morgen land met een woonhuis plus nog 4 morgen. Vanaf 1558 pacht hij ook een boomgaard. In 1563 heeft hij een vordering op zijn schoonzuster Trijn, de weduwe van zijn broer Jan. In 1570 is hij borg voor zijn zoon Pieter, die dan de "Oostblok-tienden" koopt. Eerder was hij dat, in 1562, voor zijn broer Ouwe Pouwels Claeszn, in dat zelfde jaar treedt hijzelf ook als koper van tienden op. Ook is hij enkele malen gezworene van het ambacht geweest (1560). Hij wordt in 1573 de oude vader van de broers Pieter Cornelisz en Cornelisz genoemd in het Kohier Weekgeld Rijswijk juni 1573

Quoijere van alle de namen ende toenamen die daer woonen ende ingesetenen zijn in den dorpe ende ambochte van Rijswijck sonder ijemant nae besten wetenschap van den tauxauteurs daer inne geomitteerd ende vergeten te hebben ende dit volgende dordonnantie ons bij den commissaris ende bijgevouchden verthoent beginnende van de noortsijde van oosten nae westen. Gedaen op te viien dach in meije xvclxx3 ter presentie ende bij wesen van Odt Jacobsz Vermij schoudt, Jan Cornelisz Cock ende Pieter Cornelisz Verspeck geswoerens als in deesen tauxateurs gestelt. Gemaect in ponden, schellingen ende penningen van 40 groot 'tpont.

Noortzijde
Claes Cornelisz, boer, getaxeert op 250Lb compt hem volgend d'ordonnantie ter weecken re contrinueren 3 st. 6 pen

Pieter Cornelisz Verspeck ende Cornelis Claesz Verspeck zijn oude vader, mitsgaders Cornelis Cornelisz zijn broeder ende Aeltgen zijn dienstmaecht 150Lb comt hem alsvoeren ter weecke 1 schelling ende voor Pieter Cornelisz ende d'ander nijet dus hijer allenlick maer voor
Cornelis Claesz de voors 1 st. 6 pen

Gerrit Cornelisz mit Maritgen Cornelisdr zijn dochter getaxeert op 150 Lb compt hem als voeren 1 st. 6 pen

Die heer van Benthuijsen compt volgens d'ordonnantie ter weecken te contribueren 6Lb 10 st. ende de dienaers ende jonckwijffs geen goet ergo nijet, dus hijer allenlick maer voorde heer van Benthuijsen 6Lb 10 st. f2v

Jan Cornelisz Verspeck getaxeert op 200Lb, Haesgen Cornelisdr ende Jannetgen Cornelisdr zijn susters, weeskinderen van Cornelis Claesz Verspeck geen goet ergo nijet dus hijer ellenlick maer voor Jan Cornelisz ter weecke 2 st.

Cornelis Andriesz gheen goet ergo hijer nijet

Florijs Dircxs [...] getaxeert op 100Lb compt haer volgende d'ordonnantie ter weecke te contribureren1 st.

Adam Jansz getaxeert op 100Lb compt hem volgen alsvoeren Blasius Jorisz mit zijn jonwijff 1 st.f3
getaxeert op 100 Lb compt hem volgende d'ordonnantie alsvoeren ter weecke te contribueren1 st.

Dirk Jansz Verspeck getaxeert op 100Lb ende NeeltgenJansdr zijn suster getaxeert op 50Lb compt haer volgende d'ordonnantie tsamen ter weecke te contribueren1 st. 6 pen

Willem Pouwelsz mit Ariaentgen Florensdr sijn jongwijff getaxeert op 100Lb compt hem volgende d'ordonnantie alsvoeren1 st.

D'erffgenaemen van wijlen Willem Dircxsz opten Burch als Erck Willems sijn dochter ende eenige andere getaxeert tsamen op 200Lb compt hemluijde volgende d'ordonnantie alsvoeren2 st.

Jan Jorisz Oost mit Haesgen Claesdr zijn jonckwijff getaxeert op 200Lb compt hem alsvoeren2 st.f3v

Jacob Jansz Verspeck getaxeert op 500Lb compt hem ter weecke te contribueren5 st.

Appolonia Corssen weduwe van Stoffel Adiaensz, Jan Leenaartsz, Leenaertgen Leenaertsdr, weeskinderen van Leenaert Jansz Cleij, Cor Stoffelsz, Jan Stoffelsz ende Yeffgen Stoffeldr weeskinderen van Stoffel Adriaensz tsamen getaxeert op 550Lb hemluijden volgende d'ordonnantie als voeren te contribueren 5 st. 6 pen f5

Jonge Pouwels Claesz verspeck getaxeert op 100Lb, Sijmen Pouwelsz, Pieter pouwelsz, Jan pouwelsz, Maritgen Pouwelsdr ende Neeltgen Pouwelsdr sijne voorkinderen geen goet ergo hijer nijet dus compt hijer ellenlick jonge Pouwels ter weecke te contribueren1 st.

Die suijtsijde beginnende van westen streckende totten oosten
f7

Aeltgen Adriaens dochter weduwe wijlen ouwe Pouwels Claesz Verspeck ende Oedtsijer Ariaensz, Leentgen Pouwelsdr, Ariaetgen Pouwelsdr, Pouwels Claesz, weeskinderen, ende Maritgen Sierendr, weeskindt van Sijer Adriaensz, getaxeert op 150Lb compt volgende alsvoeren te contribueren ter weecke1 st. 6 pen f7v

Joujjrouw Clementia Hannemans weduwe wijlen mr. Jan van Ijlpendam getaxeert op 8000Lb compt volgende dvoors ordonnantie ter weecke te contribueren4Lb

Dorp van Rijswijck beginnende vanden oosten totten westen, vanden westen weeder totten oosten
f15

Andries Sijmonsz backer getaxeert op 100Lb comt als voeren ter weecke 1 st.

Jan Cornelisz Boen hijer nijet

Jacob Jansz timmerman getaxeert op 100Lb comt als voeren ter weecke 1 st.

Andries Cornelisz tapper hijer nijet

Bastiaan Claesz Verspeck, Jacob Cornelisz ende Jannetgen Cornelisdr, weeskinderen van Cornelis Jorisz, timmerman, tsamen getaxeert op 250Lb comt volgende d'ordonnantie als voeren ter weecke te contribueren 2 st. 6 pen

f15v

Claes Sijmonsz Bosch den ouwen schoudt hijer nijet

Maritgen Vincenten een schamele weduwe met vijff weeskinderen van Vincent Gerritsz hijer nijet

Ende naer tgundt voors. als achter elcke naem getauxeert was bij Odt Jacobsz schout, Jan Cornelisz Cock, Pieter Cornelisz Verspeck, Adriaen Heijnricxsz ende Jacob Jorisz West all geswoorens tot Rijswijck hebben wij Cornelis van der Wolff als comissaris, Cornelis van Wijngaarden bailliu van den Haghen ende Adriaen van Criep schepen van den Haghe als gevouchten bij den voors. comissaris mette voors. van Rijswijck de settinge achter elck der selver naemen gestelt bedragen­de tsamen 28 ponden 19 st. van 40gr 'tpont die bij Adriaen Vincenten als totten ontfanghe van dien bij ons gecommitteert alle weecke tot drie maenden toegcheven ende bij hem volgende zijne commissie ten comptoire van den ontfangher Valckes­teijn gebracht zullen werden toerconde van deese

f16v

elck onse gewoenlicke hantteijckens hijer onder gestelt den eersten junij anno 1573 
van der Speck (Verspeck), Cornelis Claesz (I3601)
 
1110 gedoopt door Bonefacius aartsbisschop van Mainz Keizer, Koning der Franken Karel de Grote (I4105)
 
1111 Geen beroep de Niet, Dirkje (I6536)
 
1112 Geen enkel spoor van die twee qua akten. Stehouwer, Cornelis Jansz (I4883)
 
1113 Geen enkel spoor... Stedehouder, Jan Cornelisz (I4000)
 
1114 Geen naam van het kind, noch de getuigen van der Zwan, Teunis Franke (I5682)
 
1115 Geen Ouders?
Wat staat er na 'getuijge'? 
Leuntje Cryne (I8282)
 
1116 Geen woord over het aannemen van (bastaard)zoon Maarten. Gezin: Cornelis Ziere de Niet / Martijntje Cornelisse van der Pol (F1591511608)
 
1117 Geertruida werd in 1061 weduwe. Korte tijd na het overlijden van Floris, nam bisschop Willem van Cuijck van Utrecht, het Rijnland en Kennemerland in bezit. Dit werd door de keizerin, Agnes van Poitou (1024-1077), bevestigd, de minderjarige Dirk had toen alleen nog de monding van de grote rivieren en een paar eilanden in het noorden in bezit.

Geertruida besefte dat ze een sterke bondgenoot nodig had en ze trouwde in 1063 met Robrecht I van Vlaanderen, de broer van de graaf Boudewijn VI van Vlaanderen. Robrecht gaf zijn aanspraken op het graafschap Vlaanderen op (ten gunste van zijn neefArnulf) en wijdde zich aan zijn Friese belangen, daaraan ontleent hij in Vlaanderen zijn bijnaam “de Fries”. Dirk ontving Vlaanderen ten oosten van de Schelde en de eilanden ten westen van de Schelde (o.a. Walcheren), als apanage.

Robrecht en en zijn broer Boudewijn wisten het Rijnland en Kennemerland weer terug te veroveren, maar keizer Hendrik IV gaf hertog Godfried III van Lotharingen van Neder-Lotharingen opdracht om de bisschop te verdedigen. Godfried werd op 26 februari 1076 vermoord in Delft. Toen bisschop Willem een paar maanden later ook overleed, verzamelde Dirk een Vlaams leger en probeerde opnieuw zijn graafschap te heroveren. De nieuwe bisschop Koenraad verschanste zich in het kasteel van IJsselmonde. Toen Dirk het kasteel wist te veroveren was de strijd beslist: Koenraad sloot vrede en gaf daarbij het Rijnland en Kennemerland terug aan Dirk.

Geertruida trad in 1089 nog op als regentes van Vlaanderen terwijl Robrecht Jeruzalem bezocht. Ze overleed op 3 augustus 1113 te Veurne en is aldaar in de St.-Walburgakerk begraven. 
van Saksen Billung, Geertruida (I6027)
 
1118 Gegoed te Westerbeek. 1553 10e Penning Eikenduinen. Bewoonde de boerderij van z'n Schoonvader te Westerveld. Groen, Cornelis Pietersz (I8682)
 
1119 Gehuwd , na het overlijden van haar zuster Barbara, met haar zwager , Aryen Corn. MOLENAAR. Verspeck, Neeltje Jacobsdr (I3710)
 
1120 Gelijk men weet was 15 Augustus de naamdag van keizer Napoleon; op
hoog bevel werd die in het jaar 1811 door geheel ons land feestelijk her-
dacht.
De prefect en de maire van Den Haag stelden er hoogen prijs op, dat
Scheveningen in dezen niet achter bleef en zij woonden dan ook zelf de
feestviering bij, waarvan het hoofdnummer een volkswedstrijd voor beide
seksen was.
Door de herbergiers te Scheveningen waren o.a. gelden bijeengebracht
voor een zilveren hoofdijzer met gouden stukken en parelspelden. Vrouwen
en meisjes konden dat verdienen door om het hardst te loopen. De wed-
strijd werd gehouden op den Ouden Scheveningschen weg; er waren lijnen
langs de boomen gespannen en aan het einde van de baan, bij den kastelein
Hamer hing een versierde kroon, waarin het hoofdijzer.

Een ooggetuige, Maarten Baak, vertelt in zijn journaal:
„De hoofdprijs werd gewonnen door Aasje van der Harst; zij zag zich
door haar vaardigheid opgevangen in de armen van den prefect. De Stas-
sart, de prefect, ontving haar zeer vriendelijk, de kroon daalde op haar
neder, de prijzen werden onder een luid gejuich haar vereerd en bovendien
ontving zij nog uit handen van den prefect twee gouden dukaten." 
van der Harst, Haasje Leenderts (I5320)
 
1121 Gelukkig is er ook aandacht voor de vrouw achter Leendert Cornelis: Neeltje Joosten de Niet.

In een brief van Dhr Bogaardt uit 1785 het volgende over haar aandeel in het welslagen van de onderneming op de Harstenhoek:
"Hy was voor zyne broodwinning, naar de gewoonte van het gemelde Dorp, een Zeeman en Visfcher;
zijn vrouw liep met de gevangen visch door den Haag en elders om, en wist zich door haar gefchikt gedrag veele goede calanten te bekomen;
hy ondertusfchen van den Magistraat verzogt en bekomen hebbende een Acte,als voerman, om de fchuiten in en uk zee te trekken,
moest hy veel paarden houden, en begon dus ook het ryden en verkoopen van fchulpen.

Door deezen weg kreeg hy kennis aan veele fatfoenlyke lieden in den Haag, en daaromtrent op veele Buitenplaatfen, zoo dat hy een uitzicht hebbende
om daarmede op een eerlyke wyze de kost voor zyn gezin te raapen, tot het befluit kwam, om zich van de zeevaart en visfchery te ontflaan,
en zich alleen met zyne nieuwe kostwinning te geneeren, het geen hem door zyn befcheiden omgang byzonder gelukte.

Hier kwam by, dat hy de gunst wist te winnen van wylen den Heere van Rhoon, die bezitter was van het oude Zorgvliet,
door den Ridder Catz aangelegd, en die gelegenheid en vermogen had, zoo dagte, hem van veel nut en voordeel te kunnen zyn,
wegens het groot gebruik van fchulpen, zand als anderzins". 
de Niet, Neeltje Joosten (I5259)
 
1122 GENEALOGIE VAN DER WEIJDE
EEN FAMILIE UIT MAASLAND
door J. Heemskerk.

Eerder gepubliceerd in ‘Ons Voorgeslacht’, jrg. 43 (1988), een uitgave van de
Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie.

De bakermat van deze familie is om precies te zijn te vinden in de Zuidbuurt van Maasland.
De doop- en trouwboeken van Maasland vangen respectievelijk aan in 1640 en 1669.
Om de oudste generaties te kunnen samenstellen moest gebruik gemaakt worden van andere bronnen.
Het notariële archief van Delft bevatte zoveel materiaal, dat daarmee bijna volstaan kon worden.
Een aantal akten uit de notariële archieven van Maassluis en Schiedam en uit de oud-
rechterlijke archieven van De Lier en ‘s-Gravenzande completeert het geheel, waarbij niet
onvermeld moge blijven enige mondelinge aanwijzingen van de heer P. Flippo uit Breukelen. 
van der Weijde, Cornelis Ariens (I4442)
 
1123 Genoeglijkheijt 4-0-0
In een eigen graf, achter de stoel van Pals.
Gemerkt Jaapje Jans A 1622
Graf No. 398 
Overduin, Jacobje Jans (I5451)
 
1124 Ger. K van Vreugdenhil, Jochum Jcz (I4761)
 
1125 Gerard II van de Gulikgouw
Overleden in 1081. Hij was een kleinzoon van Gerard I van de Gulikgouw (en een zoon van Everhard).
Hij werd gouwgraaf van de Gulikgouw in 1029 
van de Gulikgouw, Gouwgraaf van de Gulikgouw Gerard II (I3378)
 
1126 Gerard III van Gulik
Overleden in 1114. Hij was een zoon van Gerard II van de Gulikgouw. Gerard was een vazal van de graaf van Lotharingen, die zich in 1085 losmaakte van Lotharingen en zich vele bezittingen en titels toeëigende bij het uiteenvallen van Lotharingen. Hij werd voogd van Sint Gereon en Sint Kunibert in Keulen en lag aan de grondslag van de opkomst van de graven van Gulik en van de eeuwenlange twisten met aartsbisschoppen van Keulen. 
van Gulik, Gerard III (I3385)
 
1127 Gerard V van Gulik
Overleden 1142. Hij was een zoon van graaf Gerard IV van Gulik en werd zelf graaf van Gulik in 1138. Gerard was ook voogd van Sint Kunibert en Sint Gereon in Keulen, had vele twisten met de aartsbisschoppen van Keulen en bouwde zijn gebied gestaag uit. 
van Gulik, Graaf van Gulik Gerard V (I3391)
 
1128 Gerard VII van Gulik
Overleden in 1328. Hij was de jongste zoon van graaf Willem IV van Gulik en Margaretha van Gelre. In 1297 volgde hij zijn broer Walram op als graaf van Gulik.

Hij was een bondgenoot van Adolf van Nassau in de slag van Göllheim in 1298, maar toonde zich nadien een trouw onderdaan van Albrecht I en behield al zijn lenen. In 1300 steunde hij Albrecht in diens strijd tegen de Rijnse keurvorsten en verwierf daarbij Kaiserswerth, Mönchengladbach, Kessel-Grevenbroich, Rheydt, Münstereifel, Bergheim en Müllenark. Bij de troonstrijd van 1313 koos hij partij voor keizer Lodewijk de Beier.

Gerard was gehuwd met:

een dochter van graaf Willem van Kessel, erfgename van Kessel en Grevenbroich
Elisabeth van Brabant-Aarschot, dochter van graaf Godfried van Brabant, in 1304, 
van Gulik, Graaf van Gulik Gerard VII (I3448)
 
1129 Gereformeerd getrouwt.
JM geboren en wonende te Hillegersberg
JD geboren te Bleiswijk en wonende te Hillegersberg

Jan wordt consequent als 'Jan Arents' omschreven... 
Gezin: Jan van den Helm / Maria Cornelisdr Groen (F1590224699)
 
1130 Gerit Jansz. Soon wonende aan de Gaag in Maasland bekende verkocht te hebben aan Cornelis Cornelisz. van Rijn wonende op Honselersdijk 2 morgen kloosterland leggende gemeen in 16 hond land gekomen van de Abdij van Loosduinen gelegen in het ambacht van Wateringen van Rijn, Cornelis Cornelisz (Sr) (I8675)
 
1131 Gerrit Corssen Kerckhof als getrouwd hebbende Maritje Roelantsdr. van der Marel weduwe van Dirck Dircksz. de Hoogh bekende verkocht te hebben aan Cornelis Cornelisz. van Rijn mede schepen van Honselersdijk een partij teelland gelegen op Honselersdijk groot volgens meting 50 roeden, wezende een gedeelte van 6 morgen land die Pieter de Salingere als procuratie hebbende van de heren van Sterrenburgh en Schagen aan de voorn. Maritge Roelantsdr. op 5-4-1659 heeft opgedragen.

f. 90 d.d. 15-5-1666: Jan Cornelisz. van Dorp onze inwoner bekende verkocht te hebben aan Cornelis Cornelisz. van Rijn schepen van Honselersdijk een partij teelland wezende erfpacht gelegen op Honselersdijk groot volgens meting 2 hond 16 roeden. En zal de koper nog volgen het gewas van omtrent 1 hond tarwe tegenwoordig op het voorsz. land staande. 
van Rijn, Cornelis Cornelisz (Sr) (I8675)
 
1132 Gerrittie is weduwe Gezin: Jan Abrahamsz Roeleveld / Geertje Hendriks Taal (F1591079695)
 
1133 Getrouwd met zijn achternicht. Gezin: Wouter Cryne Roeleveld / Chieltje Arens Jol (F1590223169)
 
1134 Getrouwd tussen mei en augustus Gezin: Graaf van West Frisia Arnulf van Holland / Liutgard van Luxemburg (F1590224345)
 
1135 Getrouwt in de Gasthuijskerk. Gezin: Klaas Lambertsz Herbert / Ariaantje Cdr Solleveld (F1590223518)
 
1136 Getrouwt met zijn nicht. Gezin: Cornelis Jansz Stehouwer / Geertrui Pietersdr Stehouwer (F1590223128)
 
1137 Getrouwt op attestatie van Catwijk op de Rhijn Gezin: Mr. Gerrit van Erverveld / Johanna Logier (F1640949824)
 
1138 getuige Aachje Jans van der Hoeven van der Speck, Maria (I4812)
 
1139 Getuige Cornelis Adriaensz Pijnacker en Marijtgen Francken Berckel Pijnacker, Marijtgen (I3885)
 
1140 Getuige is oom van moederszijde Boef, Neeltje Arijens (I5602)
 
1141 Getuige met zijn twee dochters Pronck, Cornelia Cornelisse (I5661)
 
1142 Getuige onleesbaar, .... Jans Hoek van der Burg, Willem Cornelisse (I5310)
 
1143 Getuige: ... van Zanten Boon, Helena Cornelisdr (I5263)
 
1144 Getuigen allen visschers. Gezin: Zier de Niet / Klazina Harteveld (F1640165740)
 
1145 Getuigen allen vissers en wonende te Schevening Gezin: Dirk Pronk / Johanna Vrolijk (F1640165469)
 
1146 Getuigen Arent Aens moeder en suster. den Dulk, Aryen Adolfsen (I8551)
 
1147 Getuigen Arijen Jansz met sijn huijsvrou Kervingh, Ghysbrecht Willemsz (I5620)
 
1148 Getuigen beide broers van overledene. den Dulk, Jannetje Arens (I8038)
 
1149 Getuigen: Burgemeester Splinter, Schepen Assendelft Pals, Harmanus Adrianus (I12226)
 
1150 Gevaren op de logger Sch 87 "De Holland". Mos, Matthijs (I13058)
 
1151 Gevestigd op naam van Janneke.
Straatweg 117a
Op 8-10-1923 verhuist de familie naar Warmond, Jan Hendrik neemt het bedrijf mee. 
Steeneken, Jan Hendrik (I6189)
 
1152 Gevonden op 52:14:30 NB 3:41:20 OL van der Harst, Johannes Zier (I4101)
 
1153 Gewettigd (erkend) bij het huwelijk van zijn ouders op 17-12-1823 Spaans, Cornelis Arij (I13088)
 
1154 Gezien ook het overlijden van Stijntje niet is gevonden, wat mogelijk meer licht op de zaak zou kuinnen werpen, vastgelopen. Duijfhuijs, Klaas (I4536)
 
1155 Gezinskaart bevolkingsregister (nog) niet beschikbaar. Pronk, Johannes Cornelis (I14181)
 
1156 Gezworene (na 1588) van der Speck (Verspeck), Claes Cornelisz (I1974)
 
1157 Gezworene en komt als zodanig in veel akten voor, die hij ondertekent in een prachtig handschrift en voorziet van een huismerk, pachter, [bron: L.v.d.Spek] van der Speck (Verspeck), Jan Cornelisz (I3577)
 
1158 Gezworene en komt als zodanig in veel akten voor, die hij ondertekent in een prachtig handschrift en voorziet van een huismerk, pachter, [bron: L.v.d.Spek] van der Speck (Verspeck), Jan Cornelisz (I10383)
 
1159 Gezworene en weesmeester van Rijswijk. Koopt 15/4 1567 7 huisjes Veenstraten nabij Westeinde Den Haag. Belendingen ten N. Adriaen Hendrickszn. ten O. Adriaen Hulsterf, ten Z. de Herenstraat. Volgens Kohier Tiende Penning wordt jij in 1561 aangesteld als taxateur.
Op 18-5- 1578 wordt zijn huis Westeinde 18 Den Haag verkocht
op 14-2-1537 wordt hij door de Dijkgraaf van Delfland beëdigd als Heemraadsbode. Zijn taak bestond uit het houden van toezicht op de naleving van de Keuren, het doen van openbare afkondigingen, het beslagnemen van goederen, en het assisteren bij het schouwen. Hij was schutter bij de Cloveniersdoelen in Die Haghe. 
van Rijn, Adriaen Heijndricksz (I8680)
 
1160 Gezworene van Ruyven, woonde aan het zuideinde van Delfgauw, hij legde de eed af als gezworene van Ruyven op 18 april 1684. Ondertekenen deed hij met "Pouwel Jacobsz de Loose, later (1706) met Pouwels Jacobse Verspeck, zie illustratie. Op deondertrouwdatum passeren de toekomende bruidslieden, hij geassisteerd door zijn vader Jacob Pouwels Verspeck, zij door haar moeder Maartgen Huygen van der Houf, weduwe van Jacob Willems Reesloot en door haar voogd Crijn Corsse van Leeuwen, een akte waarin vastgelegd wordt dat hij ƒ 2.400,- aanbrengt en zij van haar moeder ƒ 300,- meekrijgt (NA. Not. Arch. inv. 2182 nr. 284). Het is niet onmogelijk dat Paulus ook na zijn huwelijk nog op de vaderlijke boerderij is blijven wonen en werken. Alsnamelijk na het overlijden van zijn vaders tweede vrouw tot "Scheydinge of halfdelinge" van alle goederen wordt overgegaan (de liquidatie is 6 april 1683 door Schout en Schepenen van Ruyven verricht), bevindt zich in de boedel "een geele kopere kethel, een spinnewiel en

Pouwels Jacobsz van der Speck, bouwman te Ruijven, huurde 12 morgen wei- hooi- en teelland van Willem van Wassenaar, Heer van Starrenburgh etc. [Not.Arch.Delft inv. 2518b, fol.107] Van deze huurovereenkomst is ook bovenstaande handtekening afkomstig, datum: 15 april 1706 te Delft. 
van der Speck, Pouwels Jacobs (I4810)
 
1161 Giftboek Abtsrecht 1668-1732 GA Delft inv. 117 f.65v] De Heer Johan Fijck als procuratie hebebnde van de heer Francois van Bredenhoff heer van Oosthuijsen etc. als in huwelijk hebbende vrouwe Magtelt van der GRaeff geeft gifgt aan Cornelis Jacobsz Verspeck van 6 morgen 150 roeden in deze jurisdictie, 1 mei 1700. Verspeck, Cornelis Jacobs (I2027)
 
1162 Giftboek Hof van Delft
28-1-1657: Pouwels Jacobsz. de Loose wonende tot Delfgauw als getrouwd hebbende Jaepje Arijensdr., dochter en mede-erfgenaam van Arijen Harmansz. Overgaeu en als het navolgende uit de boedel van dezelve Arijen Harmansz. bij erfenis aangekomen zijnde, geeft gift aan jan Pietersz. Oosteralen wonende tot Pijnacker van 3 morgen 3 hond onvrij hofland gelegen in deze jurisdictie in de hoefslag van de Oude Laen staande de morgen op 6 ponden schots, belend O de Overgaeu Z, W en N de erfgenamen van Dirck Barentsz. en Hilletgen Simonsdr. gewoond hebbende op de Overgaeu. 
van Overgauw, Adriaan Harmenszoon (I1992)
 
1163 Godfried en Margaretha kregen de volgende kinderen:

Hendrik I van Brabant, opvolger van zijn vader
Albert van Leuven, bisschop van Luik en heilige 
Gezin: Graaf van Leuven en Hertog van Brabant Godfried III van Leuven / Margaretha van Limburg (F1603693330)
 
1164 Godfried III, bijgenaamd de Moedige en de Hertog in de Wieg (ca. 1140 — 21 augustus 1190) was van 1142 tot aan zijn dood in 1190 landgraaf van Brabant, graaf van Leuven, markgraaf van Antwerpen en voogd van Gembloers, Nijvel en Affligem. Tevens was hij hertog van Neder-Lotharingen (als Godfried VII).

Godfried volgde zijn vader Godfried II van Leuven op zeer jonge leeftijd op (vanwaar de bijnaam Dux in cunis, "de hertog in de wieg"), onder regentschap van zijn moeder Lutgardis van Sulzbach. Voor het geslacht Berthout was dit aanleiding om meer onafhankelijkheid te zoeken (Grimbergse Oorlogen). In 1147 was Godfried in Aken aanwezig bij de kroning van Hendrik Berengarius tot medekoning van Duitsland. In 1153 bezocht hij het keizerlijke hof.

Godfried trouwde in 1155 met Margaretha van Limburg om het langdurige conflict van zijn vader en grootvader met het Huis van Limburg te beëindigen. In 1159 liet hij de motte van Grimbergen afbranden en beëindigde daarmee een periode van twintig jaar opstand door het Huis Berthout. Hij verwierf het voogdijschap van Tongerlo en de graafschappen Aarschot (vóór 1179), Geldenaken (1184) en Duras (1189). Op rijksniveau steunde Godfried keizer Frederik I van Hohenstaufen met troepen voor zijn Italiaanse campagnes. Verder hield hij zich vooral bezig met het versterken van zijn rol als hertog van Neder-Lotharingen. Zo steunde hij in 1166 de Vlaamse expeditie tegen Floris III van Holland die inbreuk had gemaakt op de Vlaamse rechten. In 1172 moest hij echter een gevoelige nederlaag incasseren tegen Boudewijn V van Henegouwen. Godfried bevorderde de ontwikkeling van steden en gaf stadsrechten aan 's-Hertogenbosch.

Van 1182 tot 1184 bezocht Godfried Jeruzalem. Hij onderscheidde zich bij de verdediging van de stad tegen Saladin (1183/1184). Als eerbetoon daarvoor werd Godfrieds zoon, Hendrik I van Brabant, door keizer Frederik I in het landgraafschap Brabant tot hertog verheven. Godfried en Margaretha zijn begraven in de Sint-Pieterskerk (Leuven). 
van Leuven, Graaf van Leuven en Hertog van Brabant Godfried III (I6464)
 
1165 Graaf in het Westfriese gebied van Maas tot Vlie, bijgenaamd Hierosolymita, vanaf 18-09-993 tot 1039; hij regeerde eerst nog onder voogdij van zijn moeder.
Hij verloor Gent en Waas, doch verwierf vermoedelijk Rijnland en Westvlieland, stichtte de burcht te Vlaardingen en vesloeg aldaar in 1018 een rijksleger aangevoerd door de hertog van Neder-Lotharingen, waarmee hij zijn positie vestigde.
Voor 1019 huwde hij met Othilde van de Noordmark, uit welk huwelijk vier kinderen bekend zijn, twee zonen en twee dochters. Van zijn zonen volgde Dirk hem als Dirk IV op. Zoon Floris, op wie na het overlijden van Dirk IV de grafelijke titel overging, werd bekend als Floris I. Van de dochters uit het huwelijk van Dirk III huwde Betrade later Dirk van Katlenburg en Swanhilde een zekere Emmo. Dirk III was nog te jong om te regeren toen zijn vader sneuvelde. Daarom nam zijn moeder het bestuur overhet graafschap voor hem waar. Gedurende zijn minderjarigheid werd Holland bedreigd door aanvallen van de Friezen. Zijn moeder Liutgarde riep de hulp in van haar zwager, de Duitse keizer Hendrik II. Deze begaf zich met een leger vanuit Utrecht perschip naar het Friese gebied en bracht deze aanvallen in 1005 tot staan. Toen Dirk III meerderjarig werd en het bestuur zelf in handen nam, was het in het noorden van zijn graafschap kennelijk toch niet veilig genoeg, want hij trok zich terug in het gebied rond Vlaardinge
Terwijl hij de bevolking ter plekke had beschreven als Friezen die zich verbonden hadden met rovers, vermeldt hij over de verlopen strijd: 'Toen het leger van de hertog een terugwaartse beweging moest maken, schreeuwde een schurkachtig familielid der rovers, dat een ieder op zijn leven bedacht moest zijn, dat de voorste gelederen verslagen waren en de hertog gevlucht was.' Hij vervolgt verder dat er hierdoor in het leger van de hertog grote paniek uitbrak en men in volle wapenuitrusting de rivier in sprong om de schepen te bereiken. Anderen raakten vast in de moerasbodem. Op dat moment zouden de Friezen toegeschoten zijn en de restanten van het machtige leger in de pan gehakt hebben. Hertog Godfried werd daarbij door de mannen van Dirk III gevangen genomen. Onder de belofte bij de Keizer een goed woord voor hem toe doen werd de Hertog later vrijgelaten. Dirk III heeft waarschijnlijk een bedevaart naar Palestina gemaakt waardoor hij de bijnaam Hierosolymita kreeg. Het gelukte Dirk III tijdens zijn rege

Dirk III 'Hierosolomyta' van Holland, geb. omstr. 981, volgde zijn vader op als graaf van Holland onder voogdij van zijn moeder 993, koloniseerde de Riederwaard omstr. 1015, versloeg het keizerlijk leger van Hendrik II bij Vlaardingen 1018, maakte een bedevaart naar Jeruzalem, steunde Koenraad II in de strijd om het Duits koningschap na 1024, overl. 27 mei 1039, begr. Abdijkerk Egmond, tr. voor 1019 * Othilde von de Nordmark, geb. omstr. 993 (mogelijk dochter van Bernard I, markgraaf van de Nordmark 1018-1044, en N.N. Vladimirovna van Kiev), vertrok na de dood van haar man terug naar Saksen (1039), overl. Quedlinburg 31 mrt. 1044

Volgens broeder Leo (Egmondse annalen, 1370) was zij een dochter van Bernard, hertog van Saksen. Hij geeft hiervoor geen enkele bronvermel-ding. Tegen deze filiatie is als belangrijkste punt in te brengen dat Floris I zelf met een dochter van Bernard I von Saksen was gehuwd, waardoor Floris en Gertrudis neef en nicht zouden zijn. Ramaer (1932) baseert zich op een artikel van Cohn (1871), die aangeeft dat Othelhilda als dochter van markgraaf Bernard II was (zoon van Bernard I van de Nordmark)zonder verdere verklaring. Europaische Stammtafeln I Teilband I geeft slechts één Bernard aan, gehuwd met een onwettige dochter van de vorst van Kiev en vader van Koenraad von Haldensleben. Deze Bernard heeft een zus, eveneens Othelhildes genoemd en stamt uit een belangrijkse Saksische familie (bron: j

Het bewind van Dirk III (1005-1039)

Tijdens zijn graafschap wist Dirk zijn gebied uit te breiden richting het oosten. Deze uitbreiding ging ten koste van het bisdom Utrecht. De uitbreiding bestond onder meer uit het gebied ten zuidoosten van Alphen, tussen Zwammerdam en Bodegraven. In 1017/1018 zou Dirk ook nog een oorlog tegen de Friezen hebben gevoerd.

Conflict met de keizer

Dirk was actief in de ontginning van moerassen door gronden te verpachten aan Friezen die ze in cultuur brachten, maar die wilde gronden werden door de bisschoppen van Utrecht als hun gebied beschouwd. Rond 1015 koloniseerde Dirk zo de Riederwaard.Bovendien bouwde hij een burcht in Vlaardingen, waarschijnlijk op de plek waar zich nu de Grote Kerk bevindt, waar het riviertje de Flarding (tegenwoordig de Vlaardingse haven) uitmondde in de Merwede (tegenwoordig de Nieuwe Maas). Vanuit die burcht dwong hij de kooplieden die langs kwamen varen, onderweg van Tiel naar Engeland en vice versa, om tol te betalen. Deze kooplieden én ook bisschop Adelbold van Utrecht riepen daarom de hulp in van de Duitse keizer Hendrik II.[6] Deze gaf in 1018 zijn neef Dirk de opdracht zijn vesting te ontruimen. In plaats van zijn leenheer te gehoorzamen, verschanste Dirk zich op zijn burcht en de keizer kon nu niet anders dan een leger op hem af sturen. Dit leger, onder leiding van hertog Godfried de Kinderloze, bestond uit e
De veldslag in het moeras bij Vlaardingen (29 juli 1018)

Op 29 juli 1018 kwam het tot de Slag bij Vlaardingen. Het laatste stuk naar de burcht moest via land worden afgelegd, wat lastig ging omdat het gebied vol met sloten en dijken lag. Het duurde niet lang voor het leger van Godfried vastliep en noodgedwongen moest terugkeren naar hun schepen om een andere route te zoeken. Op de terugweg liep het leger echter in hinderlaag van de troepen van Dirk. Godfried maakte met zijn leger een tactische terugtrekkende beweging, waarop iemand uit het Friese kamp riep dat de voorste gelederen verslagen waren en de hertog op de vlucht sloeg. Hierop raakten de troepen van Godfried zo in paniek dat velen in volle wapenuitrusting de rivier in sprongen, in een poging de schepen te bereiken. Andere kwamen vast te zitten in het moeras. Dirk maakte direct gebruik van de paniek en het machtige leger van de hertog werd volledig in de pan gehakt. Godfried werd hierbij gevangengenomen.[7]
Keizersopvolging

Nadat de keizer in 1024 kinderloos overleed, steunde Dirk Koenraad II in diens strijd om de opvolging.
Pelgrimstocht naar Jeruzalem: Hierosolymita (ca. 1030)

In de 12e-eeuwse Annalen van Egmond staat Dirk III vermeld met de bijnaam Hierosolymita, de Jeruzalemganger. Dat duidt erop dat hij een pelgrimstocht naar het Heilige Land heeft gemaakt. Volgens de 14e-eeuwse geschiedschrijver Johannes de Beke heeft Dirk zijn tocht rond het jaar 1030 ondernomen.
Overlijden

Na het overlijden van Dirk III op 27 mei 1039,[2] ging zijn vrouw terug naar Saksen, waar zij op 31 maart 1044 overleed. Dirk III is begraven in de Abdij van Egmond. Othilde werd begraven in Quedlinburg. 
van Holland, Graaf van Holland Dirk III (I4262)
 
1166 Graaf van Holland (17-06-1091 tot 02-03-1121). Hij maakte een eind aan de strijd met Utrecht en verschijnt in 1101 voor het eerst met de titel 'Graaf van Holland' als leenman van de bisschop van Utrecht.
Hij volgde in 1091 zijn vader op. Omstreeks 1108 huwde hij met Geertruida, de dochter van de hertog van Opper-Lotharingen en halfzuster van de Duitse Koning Lotharius van Supplinburg. Zij overleefde haar man ruimschoots en overleed op 23-05-1144 waarna zij te Rijnsburg werd begraven. Waarschijnlijk al bij haar huwelijk veranderde zij haar naam van Geertruida in Petronella. Hiermee heeft zij vermoedelijk beoogd om zo haar verbondenheid met Petrus en de Heilige Stoel te benadrukken. Uit het huwelijk van Floris II en Petronilla zijn vier kinderen bekend: Dirk die later als Dirk VI zijn vader opvolgde, Floris die bekend werd als Floris de Zwarte, Simon die kanunnik te Utrecht werd en een dochter genaamd Hadewig. Floris II werd in 1101 alseerste met de titel 'graaf van Holland' vermeld. Daarvoor werd de streek van de graven nog als Friesland aangeduid. Hij was waarschijnlijk leenman van de Bisschop van Utrecht. Over zijn uiterlijk is bekend dat hij buitengewoon zwaarlijvig was hetgeen hemde bijnaam "de Vette" opleverde. Ook wordt hij omschreven als schatrijk. Deze rijkdom was grotendeels verkregen uit de inkomsten van veenontginningen en tolheffing aan de monding van de grote rivieren. Tijdens zijn bewind werden in het graafschap enkele reeds bestaande houten kerken vervangen door stenen kerken waarbij het materiaal, tufsteen, door hem vanuit de Rijnstreek werd geïmporteerd. Na zijn dood, op nog jeugdige leeftijd, regeerde gravin Petronilla door met krachtige hand. Zij deed belangrijke schenkingen aan de abdij van Egmond.
Hij had ook nog een bastaarddochter, zie Karel de Grote reeks 133.

Floris II de Vette, volgde zijn vader Dirk V op als graaf van Holland 1091, voerde als eerste de titel graaf van Holland 1101 als leenman van de Utrechtse bisschop, nam geen deel aan de eerste kruistocht 1096 maar stimuleerde nieuwe veenontginningen bij de grote rivieren, overl. 2 mrt. 1122, begr. Abdijkerk Egmond, tr. omstr. 1108 Geertruida van Lotharingen, verwekte een natuurlijk kind bij N.N. Hieruit (o.m.):

(bastaard)dochter, volgt Reeks 133
Dirk VI, volgt hierna 
Graaf van Holland, Graaf van Holland Floris II (I10324)
 
1167 Graaf van Holland (van 02-03-1121 tot 1157), eerst onder voogdij van zijn moeder. Hij genoot de steun van haar halfbroer keizer Lotharius III van Supplinburg en wist Rijnland in te lijven.
Voor 1125 huwde hij met Sophia van Rheineck die uit het Saksische geslacht Van Nordheim stamde. Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren, Geertruid, Petronilla, Hadewig die non werd, Floris die later zijn vader opvolgde als Floris III, Otto die als Otto IV graaf van Bentheim werd, Boudewijn die bisschop werd, Dirk die eveneens bisschop werd, Sophia die abdis van Rijnsburg werd en Peregrinus die op jonge leeftijd (12 jaar) overleed. Daarnaast is er ook een buitenechtelijk kind van Dirk VIbekend met de naam Robert. Dirk VI aanvaardde de grafelijkheid in 1122 onder de voogdij van zijn moeder. Gravin Petronella nam in 1123 deel aan de opstand van haar halfbroer hertog Lotharius tegen keizer Hendrik V. In 1125 werd deze Lotharius zelf Duits koning. Vermoedelijk is het aan hem te danken, dat Rijnland en Leiden, formeel sinds 1064 Utrechts bezit, bij Holland werden gevoegd. Terwijl zijn moeder een krachtig bestuurder moet zijn geweest toonde Dirk VI aanvankelijk geen ambities. Zijn jongere broer Floris
Vermoedelijk was zijn vrouw Sophia daarbij aanwezig, want tijdens de tocht werd namelijk hun zoon Peregrinus (Pelgrim) geboren. Tijdens de terugreis bezocht Dirk VI in 1140 de paus in Rome. Daarbij droeg Dirk het tot nieuwe bloei gekomen klooster Egmond en het door zijn moeder Petronella in 1133 gestichte klooster te Rijnsburg aan de paus op. Met deze daad onttrok Dirk deze kerkelijke goederen aan het gezag van de Utrechtse bisschop. Toen in 1150 de Utrechtse bisschop Hartbert overleed steunde Dirk VI de kandidatuur van Herman van Horn, die hij naar Utrecht voerde. Met de steun van koning Koenraad III werd deze Herman van Horn uiteindelijk ook als bisschop erkend. In 1156 ontstond er een conflict tussen Dirk VI en de abt van Egmond nadat Dirk de dan al meer dan honderd jaar slepende kwestie van de Echternachse kerken had geregeld door inkomsten van de grote kerk in Vlaardingen te schenken aan zijn kapelaan. De abt deed Dirk en diens zoon Floris hierop in de ban. Dit is waarschijnlijk ook de reden dat

Tijdens het graafschap van graaf Dirk VI werd de houten Burcht van Leiden vervangen door een stenen. De burcht stond op een motte en bestond uit een ronde muur met daarin een donjon. Deze burcht (waarvan de resten nog steeds in het centrum van Leiden staan) functioneerde als militair steunpunt waar de graaf zich bij gevaar kon terugtrekken. 
van Holland, Graaf van Holland Dirk VI (I6007)
 
1168 Graaf van Holland (van 05-08-1157 tot 01-08-1189).
Hij sloot in 1161 een verdrag met de West-Friezen. Hij geraakte wegens de strijd om Zeeland in Vlaamse gevangenschap en sloot in 1167 te Brugge een verdrag met Vlaanderen. Hij steunde in 1176 Frederik I Barbarossa tijdens de slag bij Legnano en ontving zodoende, waarschijnlijk in 1179, de rijkstol te Geervliet van de keizer. Hij bedwong in 1180 de West-Friezen enigermate en nam deel aan de Derde Kruistocht in 1189.
Hij is overleden aan de pest tijdens de Derde Kruistocht en begraven in Tyrus naast de keizer (Frederik I Barbarossa) in de St. Peterskerk.

Hij was een zoon van graaf Dirk VI van Holland en Sophia van Rheineck. In 1157 volgde hij zijn vader op als graaf van Holland.

Vanaf 1161 was hij in onderhandeling of in oorlog met de West-Friezen. De West-Friezen verwoestten Alkmaar tot twee keer toe, Floris plunderde en verwoestte op zijn beurt Schagen, Winkel (Niedorp) en Niedorp. Toen Floris in 1184 zelfs Texel en Wieringen veroverde, gaven de West-Friezen op. Er werd een vrede gesloten waarbij de West-Friezen 4000 zilveren marken moesten betalen.
Floris kwam in 1165 in conflict met de bisschop van Utrecht over de aanleg van een dam in de Oude Rijn bij Zwammerdam. Ook maakte de bisschop aanspraak op de heerschappij over West-Friesland. Keizer Frederik I van Hohenstaufen besliste in Utrecht dat het gezag en de inkomsten van West-Friesland tussen de graaf en de bisschop moesten worden verdeeld.
In het zuiden stelde Floris een tol in bij Geervliet. Deze tol was vooral gericht op de scheepvaart tussen Vlaanderen en de Rijn. Graaf Filips van de Elzas van Vlaanderen oefende zoveel druk uit op Floris, dat die de tol weer ophief. In 1166 steldeFloris de tol opnieuw in. Filips verzamelde een leger en trok naar het noorden en wist Floris gevangen te nemen. In 1167 moest Floris het Verdrag van Brugge (1167) sluiten, wat hem verplichtte de tol weer op te heffen en de opperheerschappij van Vlaanderen over Zeeland te erkennen. 
van Holland, Graaf van Holland Floris III (I4127)
 
1169 Gradus Stoks ontkent de wettigheid van Janna Hendrika Bal, Janna Hendrika (I6216)
 
1170 Graf 147 Bregman, Pieter Jcz (I1521)
 
1171 Graf 147, bij haar echtgenoot Berkhout, Neeltje Sdr (I1523)
 
1172 Graf 176 van Reijgersbergen, Pouwels Jansz (I5817)
 
1173 Graf 23 Hoogenraad, Gerrit (I713)
 
1174 Graf 244
Kerkeregt 4-0-0
Impost F 6,= 
van der Key, Haasjen Jacobs (I5473)
 
1175 Graf 25
Op 't Koor onder dezelfde zerk als zijn moeder. 
van der Harst, Adryaen (I6173)
 
1176 Graf 25/26
Opt koor int kelder van Jacob Hars = Jacob Leendertsz van der Harst. 
Immetgen (I14307)
 
1177 Graf 26.
Op het koer voor de kerkraedts­ kamer twee graven ter syden malcander.

In dit graf rust alleen Klaartje Arents van der Harst, als wij aan de inscriptie op de steen vasthouden.
Zij stierf 10-10-1670. Jacob Leendertsz van der Harst zelf stierf

Doopgetuigen van moederszijde: Thierck en Bastiaen Aryaens en haar stiefmoeder Maertie Bastyaene, en van vaderszijde Neeltje Bastiaene, geh. met een broer van Jacob Leenderse van der Harst, eveneens Jacob Leendertse genaamd (zie G. 86). Jacob Leendertse van der Harst "de jonge" was een zoon van Leendert Jacobsz. van der Harst en Maertje Kerwis de Jonge. Leendert "Harts" was voer­ man en werd begraven op het kerkhof 13 Dec. 1654. De weduwe maakte 5 Aug. 1659 haar testament (Not. arch. nr. 193, fol. 419) te Scheveningen. Zij had toen 4 zoons en 1 dochter; De oudste zoon, Cornelis Leendertse van der Harst; 27 Aug. 1656 gehuwd met Leentje Dircksdr. (begr. 24 Nov. 1674); de jongere Cornelis, geb. c. 1637, en 6 Juni 1661 geh. met Trijntje Siere, genoemd in 1695 als officier van de schutterij te Scheveningen (Soc. arch. nr. 288, gezin nr. 284, 316, 354, en not. arch. nr. 1362, ongefol. d.d. 16 April 1695). Een Cornelis woonde in een slop van de Keizerstraat, van beroep  
(van der Harst), Claertgen Aerents (I5442)
 
1178 Graf 275 van den Bosch, Bastiaan Jansz (I5830)
 
1179 Graf 280
In kerk int middelpant voor de afgaande kerkeraadsbank aant hoofdeynde van Leuntje Maartens en haar zoon ..
10-0-0 
Dijckhuijsen, Belijtje Arijense (I5079)
 
1180 Graf 32 Oude Kerk. Grafsteen met wapen.
Wapen: Twee omgekeerde schelpen, beneden vergezeld van een hoorn.
Helm met wrong en dekkleden; helmteken: een schelp.
Frafschrift: Hier leydt begraven Cornelis Arents Iagher schepen van den Haghe / sterf in den jare 1611 den 24 december
Corsavont ovdt 52 iare. 
de Jagher, Cornelis Ariens (I4897)
 
1181 Graf 38
Hier legt begraven / Jan Jansz 't Wild / Overleden den 14-8-1757
in de ouderdom van 56 jaren. 
in 't Wilt, Jan Jansz (I10621)
 
1182 Graf 405 van der Toorn, Jacob Janse (I8130)
 
1183 Graf 530
In de kerk, middelpand.
Strekkende met het hoofdeinde wat westelijker als de afgaande kerkenbank.
Omtrent 3-4 voet van de banken af.
Kerkegraf.
Kerkeregt F 4-0-0, Classe F 3 Gld. 
van der Harst, Trijntje Ewoutsdr. (I13986)
 
1184 Graf 56
in de kerck aen de Zuydzijde 't 5e pleyn het 1e graf, bij zoon Bastiaen. 
Arij Tjarcxsz (I3749)
 
1185 Graf 56
Maertje bastiane uyt het gasthuys in de kerck in haer eygen graf an de Suytzij bij de tweede pijlaer van den toorn
Bij haar man en zoon Bastiaen. 
Maertje Bastiaenen (I2512)
 
1186 Graf 562 Bal, Fop Arens (I5778)
 
1187 Graf C77
Stond voorheen op naam van Sophia Martina 
van der Kruijk, Cornelis (I4157)
 
1188 Graf C77 van der Kruijk, Gerda Mathilda (I4432)
 
1189 Graf C77 Vermeulen, Robert (I4434)
 
1190 Graf C77 van der Kruijk, Josina (I4436)
 
1191 Graf C95
Overleden te:
Hospice 'St. Jacobs', Koningin Emmakade 160, 's-Gravenhage 
van der Kruijk, Teunis Cornelis (I4435)
 
1192 Graf C95 van der Houwen, Josina (I4429)
 
1193 Graf C95 van der Kruijk, Cornelis Marinus (I4430)
 
1194 Graf G34 Maritge Dircx (I5429)
 
1195 Graf No 21

HIER LEUT BEGRAVEN AERT HENR1CXZ. VAN DRIEL,
IN SUN LEVEN DUCKGRAF EN SCHOUT VAN
POORTUGAEL OMTRENT 44 JAAREN. HU STERF DEN
12 JULY ANNO 1596.
Twee wapens, verbonden met een koord, gedeeltelijk uitgehakt:
1. dubbele adelaar
2. een omgewende klimmende vos. 
van Driel (Groenendijk), Aert Hendricksz (I12741)
 
1196 Graf No 22

HIER LEUT BEGRAVEN GEERTKE ARIENS, DE
HUISVROU VAN AERT HENRICKS, SU STERF DEN 25
DECEMBER ANNO 1598.
Twee wapens, verbonden door een liefdeskoord:
1. dubbele adelaar
2. een omgewende klimmende vos.
Vertoont grote gelijkenis met nr. 21, zowel wat betreft
afmetingen, indeling en opschrift. Zij is vermeld als
afstammeling in Gesl. als dochter van Adriaen Beyensz.
(abusievelijk genoemd van Driel) en als gehuwd met Aert
Hendriksz. van Driel. Evenals op de stenen nr. 5 en 21. is de vos
het juiste wapen van Doen Beyenszoon. 
Geertruij Adriaensdr (I12742)
 
1197 Graf No 5 Jan Doens (I12739)
 
1198 Graf No 5 Doen Willems (I14451)
 
1199 Graf No 5 Maertgen Maertens (I14452)
 
1200 Graf No. 118 van der Toorn, Klasyntje Maartens (I5780)
 
1201 Graf No. 13
12-0-0
Eens beluijt 
Berkhout, Simon Jcz (I4205)
 
1202 Graf No. 398
In een eigen graf bij zijn vrouw begraven.
Kerkeregt 4-0-0 
Kervingh, Willem Jansz (I5452)
 
1203 Graf No. 8
8-0-0, en is eens beluijt 
van Dijk (Dijck), Pieter Lz (I4209)
 
1204 Graf nr.50 in de kerk van Veenendaal was eigendom van Aalt Reijertsz (=Aat Reijersz), Petertje Hendriks en Cornelis Hendricksz. Op 19 februari 1690 werd het graf overgeboekt op de erfgenamen van Petertje Hendriks, te weten Hendrik Maeghje enMetje Hardeman. Dit gebeurde op verzoek van de huisvrouw van Hendrik Hardeman.
(bron: Eigenaren van graven in de kerk van Veenendaal, Historische Vereniging Oud Veenendaal, blz.21, uitgave 1993). 
Petergen Hendricx (I6025)
 
1205 Grafsteen vermeldt foutief 1726

Op koor in eigen graf.
Kerke geregtigheijt 6-0-0
3gl 
de Wit, Floris Maartens (I9965)
 
1206 Gravin van Ross en Huntingdon.
Haar huwelijk met Floris III van Holland wordt door de Annales Egmundenses op het jaar 1162 gesteld (ed. Oppermann pag. 168).
Aangezien de oorkonde Koch nr. 151 (door hem als echt beschouwd) gedateerd is 'in het eerste jaar van mijn huwelijk met Ada's zuster van de koning van Schotland, 28 augustus' ('anno primo... matrimonii nostri quo sororem regis Scotie Adam duxi uxorem, quinto kl. septembris'), is dit huwelijk in 1162 voor de genoemde datum gesloten.
Haar sterfdatum wordt vermeld in de Tabula (ed. Oppermann pag. 109): 3 Idus Ianuarii (= 11 januari); Beka hoofdsuk LV (ed. Bruch pag. 88) geeft ook de begraafplaats aan: 'in den clooster tot Middelborch'.
Het jaar van overlijden is op zichzelf niet bekend; zij was echter nog in leven op 14-10-1206 (Koch nr. 280). Het jaar van overlijden ligt na 1206. 
van Schotland, Gravin van Ross en Huntingdon Ada (I4488)
 
1207 Groen, Pieter
Knoester, Arentje
Pronk, Ary
Pronk, Klaar
Pronk, Martijntje 
Knoester, Arentje Maartens (I13381)
 
1208 Groot F100,= van der Harst, Maria (I5328)
 
1209 Grootveld, Jaapje
Harst, Helena van der
Heijer, C. den
Heijer, Cornelis Minikusz. den
Heijer, Jan den
Heijer, Jannetje den
Heijer, Klaas den
Heijer, Kniertje den
Heijer, Minikus den
Keus, Arentje
Keus, Arie
Keus, Immetje
Keus, Klaartje
Keus, Leena
Pronk, Evert
Pronk, Jannetje 
den Heijer, Cornelis Minnekusse (I13667)
 
1210 Gwijde (Guy) II van Dampierre (circa 1140 - 18 januari 1216[1]) was constable van het graafschap Champagne, heer van Dampierre, Bourbon en Montluçon. Hij was de enige zoon van Willem I van Dampierre, heer van Dampierre, en Ermengarde van Mouchy.

Hij had als apanage de heerlijkheden Moëslains en Dampierre en werd heer van Saint-Dizier en Saint-Just, alsook constable van het graafschap Champagne na de dood van zijn vader omstreeks 1173.

Gwijde II nam aan de Derde Kruistocht deel en bereikte als lid van een verkenningsgroep in de herfst van 1189 het beleg van Akko.[2] In het Heilige Land werd hij in 1191 tot de aanhangers (familiares) van Koenraad van Montferrat gerekend.[3]

In 1212 kreeg hij van koning Filips II Augustus de opdracht om graaf Guido II van Auvergne te onderwerpen, een opdracht die hij met de verovering van de burcht Tournoël in december 1213 succesvol kon afsluiten. In 1214 droeg hij in de slag bij Bouvines in belangrijke mate bij aan de Franse zege. 
van Dampierre, Heer van Dampierre Gwijde II (I14634)
 
1211 Gwijde II
Milo
Isabella (1160-), in 1175 gehuwd met Godfried I van Aspremont (1170-)
Helvida, gehuwd met Jan I van Montmirail (1167-)
Odette, gehuwd met Jan II van Thorotte. 
Gezin: Heer van Dampierre Willem I van Dampierre / Ermengarde van Toucy (F1730708830)
 
1212 Gwijde II nam aan de Derde Kruistocht deel en bereikte als lid van een verkenningsgroep in de herfst van 1189 het beleg van Akko.[2] In het Heilige Land werd hij in 1191 tot de aanhangers (familiares) van Koenraad van Montferrat gerekend. van Dampierre, Heer van Dampierre Gwijde II (I14634)
 
1213 Gwijde van Avesnes stamde uit een belangrijk geslacht in het graafschap Henegouwen. Hij was de broer van graaf Jan I van Henegouwen, die tevens (als Jan II) graaf van Holland was. Deze wist Gwijde in 1301 tot bisschop van Utrecht benoemd te krijgen ten koste van Adolf II van Waldeck. Gwijde werd door de aartsbisschop van Keulen in 1302 gewijd. Hij bracht een verzoening tot stand tussen de Lichtenbergers en de Fresingen. In 1304 verzwakte de positie van zijn broer Jan door een offensief van Vlaamse troepen die Holland en het Sticht bezetten. Gwijde werd hierbij gevangengenomen (Slag bij Zierikzee, 20 maart 1304).

In zijn afwezigheid grepen de Fresingen de macht in Utrecht met de steun van de gilden, die hun voorrechten lieten vastleggen in de Gildenbrief van 9 mei 1304. Op 14 september 1305 moest het gilderegime capituleren voor de vrijgelaten bisschop Gwijde, maar de stad behield een hoge mate van autonomie. Het duurde echter nog tot 1309 voordat de bisschop volledig als wereldlijk vorst door de koning werd erkend. In 1311 nam hij deel aan het eerste Concilie van Vienne, en ook daarna was hij veelvuldig buitenlands te vinden.

Gwijde van Avesnes wist goed te schipperen tussen de verschillende partijen in het Sticht en in de stad en bracht zo een evenwicht tot stand. Hij beheerde persoonlijk de bezittingen van de heren van Amstel (Amstelland) en van Woerden (de stad Woerden), en verleende kort na 1300 stadsrechten (exact jaartal onbekend) aan Amsterdam. In 1315 liet hij zijn tweede burggraaf Ghisebrecht Utengoye onthoofden, nadat die rooftochten door het Sticht had georganiseerd. Als vervolg in 1317 nam Gwijde van Avesnes met de zwaarste wapens uit die tijd het machtige Kasteel Ten Goye in. In de nacht daarop overleed hij. Na zijn dood vervielen de lenen definitief aan de graaf van Holland.

In de Domkerk in Utrecht is zijn graftombe in geschonden toestand bewaard gebleven. 
van Avesnes, Aartsdiaken van Luik Gwijde (I4354)
 
1214 Haar eerste man (Leendert Doesz Bouwman) overlijdt rond 1742, waarna ze met diens jongere broer Anthonij huwt. van der Wegt (Wegh), Anna Cornelisse (I2329)
 
1215 Haar geboortejaar laat zich benaderen uit het feit dat haar moeder eerst met paltsgraaf Siegfried van Ballenstedt gehuwd was geweest, die op 09-03-1113 stierf.
Zij was kennelijk een uitzonderlijk religieuze vrouw. Niet alleen deed zij belangrijke schenkingen aan Egmond en Rijnsburg, maar ook maakte zij een pelgrimstocht naar Santiago (in Spanje) en drie maal een naar Jeruzalem.
Zij overleed aldaar en werd daar ook begraven.
Tenminste reeds sinds 1118 bestond in Jeruzalem een speciaal op de 'Duitsers' gericht hospitaal, waarvan betekenis en inkomsten dusdanig toenamen, dat in 1165 de daarbij behorende kapel vergroot kon worden.
Het 1e huwelijk vond vermoedelijk plaats in 1131. 
van Rheinek, Gravin van Bentheim Sophia (I4353)
 
1216 Haar kinderen met Claar Jacobsz en hun afstammelingen noemden zich Pronck.
Woonde in 1680 in de Keijserstraat West op nr. 273 en had toen 4 kinderen "booven 10 jaer". 
Pronck, Geertje Cornelisse (I5454)
 
1217 Haar kinderen worden genoemd in het testament van ouders Arij Rochusse Luck en Pietertje Hogerboort 24-8-1731 Luck, Catharina Arentsdr (I3970)
 
1218 Haar wapen is: in zwart een schuinbalk van goud, beladen met 7 zilveren sterren, links vergezeld van een gouden leeuw (O.V. 1954, blz. 18) Spronck van der Leede, Anna Florisdr (I2300)
 
1219 Haar zoons erven ca. 1379 van hun oom Jan Doude,
wiens zoon Aernt Doude Jansz. voor hem is overleden. 
NN (I2638)
 
1220 Had in 1680 1 kind onder de 4 jaar, en was visser ter haring. Spaans, Philip Arends (I5564)
 
1221 had in 1680 een kind <4 en een kind <8 jr van Schenaert, Cornelis Foppen (I5522)
 
1222 Harst, Aalbert van der
Harst, Bastiaan van der
Harst, Ewout van der
Harst, Leendert van der
Harst, Trijntje Ewoutsdr. van der
Mos, Leendert de
Mos, Pieternelletje de
Thall, Pieter

Aalbert van der Harst, weduwnaar van Trijntje van der Harst:
De somma van 200 guldens waarvan de interesten ten voordele van hetzelve kind zullen beloopen.

En heeft Leendert van der Harst, zijnde des kinds oudoom van de bestorven zijde verklaart met het vorenstaande bewijs volkomen genoegen te nemen.

Naar mijn mening betreft het hier Leendert Cornelisz van der Harst 1724-1812. Die van de Harstenhoek dus. Als dit klopt komt hiermee de vererving van de Harstenhoek in beeld. 
van der Harst, Trijntje Ewoutsdr. (I13986)
 
1223 Harst, Hermina van der
Hazenoot, Bregje
Hazenoot, Dirk
Hazenoot, Krijn
Spaans, Leendert 
Haasenoot, Dirk Arends (I4794)
 
1224 HAW, ora ’s-Gravenzande 65 blz. 460:
Op 9-9-1577 oud 38 jaar.; HAW, ora
’s-Gravenzande 2 fol. 63: Op 4-9-1594
oud 51 jaar. 
Luck, Lucq, Doe Adriaensz (I4667)
 
1225 Heeft gewoond in de Commandeurspolder de Jongh, Pieter Pietersz (I4451)
 
1226 Heer Otto van Bronckhorst en Borkelo dat: zowel Jacob Jacobs zoon, als Philips Willems zoon en Derick Claes zoon zijn magen zijn. Zij stammen in mannelijke lijn van Bronckhorst, en hij bekrachtigt dit door middel van zijn zegel. van Bronckhorst, Dirck Claesz (I1583)
 
1227 Heer van IJsselstein, Oudshoorn, Aarlanderveen.

Hij was Heer van IJsselstein, Stoutenburg en schout van Amersfoort en Eemland.
Hij was een zoon van Gijsbrecht van IJsselstein en Bertha van Heukelom. Vanaf 1312 wordt hij vermeld als ridder. Tussen 1314 en 1325 bekleedde hij diverse functies in het Sticht Utrecht als schout in Amersfoort en Eemland.
In 1344 volgt hij zijn vader op als heer van IJsselstein. Hij wordt hierin erkend door graaf Willem IV van Holland. Hij heeft in 1345/48 en in 1354/57 zitting in de raad van de graaf van Holland, en wenst bij het opkomen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten neutraal te blijven.

Wenste dan neutraal te blijven door geen verbondsaktes te tekenen, steunde hij wel Margaretha van Beieren in september tot oktober 1350, toen zij haar landsgezag in Holland en Zeeland wilde herstellen. Van haar kreeg hij tolvrijheid voor de poorters van IJsselstein in de graafschappen Holland en Zeeland, echter werd hij als "persona non gratta" beschouwd door de Kabeljauwen en graaf Willem V, die hem uitzonderde bij de vrede van 15 mei 1351 met bisschop Jan van Arkel[2]. Het was aan zijn schoonzoon Jan van Egmond te danken dat de vijandigheden met de Kabeljauwen na 1351 weg vloeide.

Arnold had een grote interesse in de geneeskundige wetenschap en liet speciaal een medische bibliotheek inrichten met rustgasthuis te IJsselstein. 
van IJsselstein, Heer van Stoutenburg Arnold (I4348)
 
1228 Heer van Voorne; burggraaf van Zeeland (1218); Heer van Voorne; vermeld 1198-1228.
Hij treedt op 20-2-1203 op als getuige voor de (vorige) heer van Voorne; wordt heer van Voorne door het kinderloos overlijden van oudere broer Hugo;
(zie bij broer Hugo i.z. verdeling van erfgoederen)

In 1220 staat zijn land door overstromingen onder water, hij wordt te hulp gekomen door monniken van Ter Doest (Vlaanderen), die de dijken herstelden en de landerijen weer droog legden.
Als dank voor deze hulp schenkt hij de abt o.a. de polder Middelland, in de oorkonde (1220) die hiervan getuigt, vermeldt Dirk: 'een oud spreekwoord zegt dat men in nood zijn ware vrienden leert kennen'. 
van Voorne, Heer van Voorne Dirk II (I3409)
 
1229 Heer van Voorne; vermeld op 3 oktober 1174 met zijn broer Floris (1156-1174), die hij als heer van Voorne opvolgde.
Ridder; heer van Voorne (1175-1189). Vermeld 1156 en 1189.
Hij is vermeld op 3 oktober 1174, samen met zijn oudste broer Floris, heer van Voorne; hij volgt zijn neef Hugo op als heer van Voorne en neemt dezelfde plaats in als zijn broer Floris in het gevolg van de graaf; het van Voorne bezit blijkt na het vererven daarvan, door de broers Dirk en Hugo verdeeld te zijn, waarbij Dirk de heerlijkheid zelf verkreeg en Hugo in leen van Dirk verkreeg, het deel langs de Striene, met de parochie Putten. Hij is mogelijk de bouwer van de burcht Oostvoorne en voerde als wapen een gouden aanziende leeuw op rood.

(ca. 1135, 1189) had de adellijke titel Heer van Voorne (van 1156 tot 1189). Zijn vader was Hugo III van Voorne, en hoorde tot het adellijke geslacht Van Voorne. Hij is getrouwd met een dochter van Unarch van Nadelwick, Heer van Naaldwijk en verwierf zo Naaldwijk. In latere jaren zou die heerlijkheid door een jongere tak van de familie Voorne worden bestuurd. Hij liet de Burcht van Voorne bouwen (samen met zijn broer Floris van Voorne).

Burggraven van Zeeland
Burggraaf (Latijn: praefectus, castellanus of burggravius) is een adellijke titel (vroeger een functie), die gewoonlijk hoger is dan baron maar een graad lager dan graaf. Het vrouwelijke equivalent is burggravin. De drager van deze titel vervulde vanaf de vroege middeleeuwen een militaire bestuursfunctie voor een leenheer en was in rang grofweg vergelijkbaar met een hooggeplaatste bevelhebber van een garnizoen. Hij of zij zetelde op een burcht of ander soort vesting, waarvan de naam werd afgeleid. De functie van burggraaf verwerd langzamerhand tot een erfelijke functie, waarna de titel haar betekenis verloor en een dode letter werd. De leen van een burggraaf (wanneer van toepassing) werd burggraafschap (Latijn: prefectura) genoemd.
De Heren van Voorne waren burggraaf van Zeeland.

Dirk van Voorne, geb. omstr. 1135, ridder, vermeld 1156 en 1189, getuige 3 okt. 1174, volgdezijn broer Floris op als heer van Voorne 1174-1189,mogelijk bouwer van de burcht bij Oostvoorne,voerde als wapen een gouden aanziende leeuw op rood, tr. N.N. van Naeldwijc (Nadelwick),Unarchsdr. (dochtervan Unarch van Nadelwich, vermeld 1156), erfdochter van Naaldwijk 1156-1189Vermeld. Heer van Voorne (1175-1189) - Kwartierstaat de Bruijn-Reijenga,Kronieken van Prometheus1999, blz 17- 66) - Familie van der Merwede, Familie van Clootwijck, Familie van Muylwijck. doorJ Hartog, Hardinxveld 25 mei1992. Werkgroep Genealogie te Sliedrecht wapen: een schild van roodmet een gouden balk, ovl. 1172. vermeld op 3 oktober 1174, samen met zijn oudstebroer Floris,heer van Voorne; volgt zijn neef Hugo op, als heer van Voorne en neemt dezelfde plaats in alszijn broer in het gevolg van de graaf; hetvan Voorne bezit lijkt na het vererven daarvan, doorde broers Dirk en Hugo verdeeld te zijn, waarbij Dirk de heerlijkheid zelf verk 
van Voorne, Burggraaf van Zeeland Dirk I (I3400)
 
1230 Heijer, Jacob den
Heijer, Marijtje den
Heijer, Martijntje den
Heijer, Trijntje den
Heijer, Willem den
Reus, Arij
Spaan, Cornelis
Westerduijn, Gerritje 
den Heijer, Jacob Willemse (I13043)
 
1231 Heilig Oliesel op 8-9-1719, 25-3-1721 en 3-1-1725 van der Kruijk, Jobje Dirx (I14234)
 
1232 Hendrick Adriaensz Bloem
Zoals uit de bovenbeschreven akte van 1507 blijkt, was de
vader van Adriaen Hendricksz Bloem ene Hendrick
Adriaensz Bloem te ’s-Gravenzande. Aangezien zijn zoon
rond 1475 is geboren, zal Hendrick zelf rond 1450 of eerder
geboren zijn.
Hendrick wordt ook vermeld op 8 februari 1501 wanneer hij
een eeuwig durende rente verkoopt aan het Bagijnhof van
’s-Gravenzande.[7]
Voer ons quam Heijnrick Adriaensz Bloom die vercoft te
hebben aen de bewaersteren vanden Baghijnhove binnen
sGravensande tot dat ghemeen convents behoef twintich
stuvers siaers ewighe ende erflijcke renten, verseeckert up
eenen halven marghen lants met voeren upstaende,
gheleghen binnen onsen ambochte van sGravensande in
dat Niewelant inden suijthoeck. Ende is nu ter tijt beleghen
an die oestsijde die Reguliers binnen sGravensande, an die
westsijde die Nijewen dijck, an dat noorteijnde die
erfghenaemen van Pieter Ancemsz ende an dat suijteijnde
den dworsdijck. Van welcken coop soe bekent Heijnrick
Adriaensz Bloom voerscr duechdelick ende wel betaelt te
wesen, den lesten pennijnck mitten eersten. 
Bloem, Hendrick Adriaensz (I13493)
 
1233 Hendrick Cornelisz. van Rijn bekende schuldig te wezen aan Krijntie Pietersdr. weduwe van Cornelis Pietersz. van Leeuwen de som van 600 gld. uit zaak van geleende penningen. van Rijn, Hendrick Cornelisz (I12804)
 
1234 Hendrick Cornelisz. van Rijn huisman wonende in Wateringen verklaarde tot nadere verzekering voor 300 car. gld. die hij schuldig is uit zaak van geleende penningen volgens obligatie d.d. 26-11 [jaar niet vermeld] voor notaris Pieter Rijdwint gepasseerd ten behoeve van Meijndert Gerritsz. schoolmeester te Warmenhuizen speciaal te verbinden een huis met zijn erf te Wateringen, zoals hij het in het jaar 1685 heeft aangekocht. van Rijn, Hendrick Cornelisz (I12804)
 
1235 Hendrick Cornelisz. van Rijn verklaarde op te dragen aan mevrouw Isac zijn comparants woninkje met barg en boomgaard groot ruim 3,5 hond gelegen in Wateringen. van Rijn, Hendrick Cornelisz (I12804)
 
1236 Hendrick Cornelisz. van Rijn verklaarde verkocht te hebben aan Cornelis en Philips Jansz. van Rijn 7 hond weiland met Jan Cornelisz. van Rijn gemeen en onverdeeld gelegen in Honselersdijk. van Rijn, Hendrick Cornelisz (I12804)
 
1237 Hendrik Broekman, gedoopt op woensdag 26 augustus 1778 in Ginneken, zie 124.
Joseph Broekman, gedoopt op maandag 25 oktober 1779 in Ginneken.
In het uittreksel van het doopboek staat:
Plaats: Ginneken
Naam kind: Josephus
Naam vader: Henricus Broekman
Naam moeder: Sophia van Blerck
Naam peter: Josephus Frijters
Naam meter: Anna Maria Peek
Opmerkingen: vader uit Beek in Cleef, moeder uit ’s Gravenhage
Joseph is overleden op zondag 8 februari 1857 om 01:30 in Naaldwijk, 77 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op dinsdag 10 februari 1857 door Dirk Klaas Visser en Arij van der Hoeven.
Joseph bleef ongehuwd.
Sophia Wilhelmina Broekman, gedoopt op woensdag 10 januari 1781 in Breda.
In het uittreksel van het doopboek staat:
Plaats: Breda
Naam kind: Sophia Wilhelmina
Naam vader: Henricus Broeckman
Naam moeder: Sophia van Blerck
Naam peter: Bernardus van Lier
Naam meter: Wilhelmina Hoefmans
Opmerkingen: RK Brugstraat 1758-1781 vader uit Holte moeder uit Hage
Sophia is overleden op vrijdag 15 maart 1782 in Breda, 1 jaar oud. Zij is begraven op maandag 18 maart 1782 in Breda in de Hervormde Grote Kerk te Breda.
Cornelia Broekman, geboren omstreeks 1783 in Ginneken.
Cornelia is overleden op woensdag 17 februari 1858 om 23:30 in Naaldwijk, ongeveer 75 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op donderdag 18 februari 1858 door Dirk Klaas Visser en Arie Martinus de Groot.
Overleden in het huis Wijk A, nr 20 te Naaldwijk.
Cornelia bleef ongehuwd.
Jacoba Broekman, gedoopt op zondag 31 augustus 1783 in Naaldwijk.
Van beide ouders staat het geloof vermeld:
vader is Roomsgez. en moeder Gereform.
Waarschijnlijk is zij begraven op 6 oktober 1783 in Naaldwijk.
Anthonij Broekman, gedoopt op zondag 12 september 1784 in Naaldwijk.
Van beide ouders staat het geloof vermeld:
vader is Roomsgezint en moeder gereform.
Elizabeth Broekman, gedoopt op zondag 6 november 1785 in Naaldwijk.
Van beide ouders is het geloof genoemd:
Vader is Roomsgez. en moeder Gereform.
Maria Broekman, gedoopt op zondag 18 februari 1787 in Naaldwijk.
Gerrit Broekman, gedoopt op zondag 27 april 1788 in Naaldwijk.
Aaltje Broekman, gedoopt op zondag 21 augustus 1791 in Naaldwijk. 
Broekman, Hendrik (I4746)
 
1238 Hendrik de Jongere (28 februari 1155 - Martel, 11 juni 1183) was een zoon van Hendrik II van Engeland en regeerde naast zijn vader als titulair koning van Engeland.
Hij oefende echter nooit daadwerkelijk de macht uit.[1]

Hendrik werd geboren als de tweede zoon van koning Hendrik II van Engeland en Eleonora van Aquitanië. Een jaar na zijn geboorte overleed zijn oudere broer Willem waardoor hij de nieuwe erfgenaam van zijn vader werd. Op jonge leeftijd werd hij al verloofd met Margaretha van Frankrijk. Hij werd in juni 1170 op vijftienjarige leeftijd gekroond tot mede-koning van Engeland en twee jaar later volgde de voltrekking van het huwelijk met Margaretha. In 1173 kwam Hendrik in opstand tegen zijn vader, dit mogelijk wegens de geringe macht die hij bezat.

Tussen 1175 en 1182 reisde hij door grote delen van Frankrijk samen met zijn neven Filips van de Elzas en Boudewijn de Moedige om mee te doen aan de riddertoernooien. Het einde van zijn carrière in de toernooien had ermee te maken dat hij in onmin raakte met Willem de Maarschalk. De exacte aanleiding hiervoor is niet geheel bekend. Hendrik overleed op 28-jarige leeftijd in Limousin terwijl hij een campagne voerde tegen zijn broer Richard en zijn vader. Tijdens de militaire campagne had hij dysenterie opgelopen en na zijn dood werd hij begraven in de Kathedraal van Rouen. 
de Jongere, Hendrik (I14443)
 
1239 Hendrik nam deel aan de Derde Kruistocht (1189-1192) en was bevelhebber bij de belegeringen van Sidon en Beiroet. Hij zag echter af van een beleg van Jaffa na het nieuws van de dood van koning Hendrik II van Jeruzalem. In 1190 volgde hij zijn vader op als hertog van Brabant en Neder-Lotharingen (hoewel dat laatste vooral een ceremoniële titel aan het worden was), graaf van Leuven en markgraaf van Antwerpen. In 1191 liet hij zijn broer Albert benoemen tot bisschop van Luik. van Brabant, Graaf van Brussel Hendrik I (I4403)
 
1240 Hendrik was de oudste zoon van Theobald IV van Blois en Mathilde van Sponheim-Karinthië. Hij nam deel aan de Tweede Kruistocht en kreeg van Bernardus van Clairvaux een aanbevelingsbrief voor keizer Alexios I Komnenos. In Constantinopel werd hij door Manuel I Komnenos tot ridder geslagen. Hij onderscheidde zich bij de oversteek van de Meander en nam op 24 juni 1148 deel aan het beraad van de edelen, waarin werd besloten om Damascus aan te vallen.

Bij de verdeling van de goederen van zijn overleden vader in 1152, koos Hendrik Champagne-Troyes, Bar, Nevers en Rethel. Zijn broers kregen de rijkere bezittingen in het midden van Frankrijk maar moesten Hendrik wel als hun heer erkennen. Hendrik was een uitstekend bestuurder die Champagne rust en welvaart bracht. De jaarmarkten van Champagne werden een begrip door heel Europa en Hendrik zorgde met een speciaal politiekorps voor de veiligheid van de markten en de reizende kooplieden. Hendrikliet meer dan 500 aktes na en een gedetailleerd register van zijn vazallen, hun rechten en plichten. Volgens dat register kon hij 2030 ridders mobiliseren en daarmee was Hendrik een van de machtigste feodale vorsten van zijn tijd.

Hij trouwde (1164) met Maria van Frankrijk (1145-1198), een dochter van koning Lodewijk VII van Frankrijk. Zij maakte van zijn hoofdstad Troyes een schitterend hof en begunstigde kunstenaars en wetenschappers. Hendrik benoemde de wetenschapper Stefanus van Alinerre tot zijn kanselier en stichtte zelf een bibliotheek in Troyes. Hendrik leefde op gespannen voet met de aartsbisschoppen van Reims totdat het hem lukte om zijn broer Willem op die positie te laten benoemen. Hij was een belangrijke en trouwe bondgenoot van de koning en huwelijkte zijn zuster Adelheid van Champagne aan hem uit als zijn derde vrouw (1160). Hendrik was een belangrijke diplomaat, zowel binnen Frankrijk als daarbuiten. In 1162 kreeg hij negen burchten als leen vankeizer Frederik I van Hohenstaufen.

Hendrik stichtte lekenkloosters in Troyes, Bar-sur-Aube en Sézanne. Ook stichtte hij een ziekenhuis en de Stefanuskerk in Troyes. In 1179 bezocht Hendrik Jeruzalem. Op de terugweg werd hij gevangengenomen door sultan Kilij Arslan II. Nadat keizer Manuel I Komnenos een groot losgeld had betaald, werd hij vrijgelaten. Hendrik keerde terug naar Frankrijk, overleed twee jaar later en werd begraven in de Stefanuskerk te Troyes. 
van Champagne, Graaf van Champagne - Troyes - Brie Hendrik I (I5990)
 
1241 Hendrik werd vanaf 1220 genoemd in aktes van zijn vader Dirk II van Zeeland Van Voorne. In 1228 volgde hij zijn vader op.
In 1229 gaf Hendrik een vergunning voor zoutwinning aan de abdij Ter Doest. Hij werd in 1235 vermeld als leenheer van Nicolaas I van Putten.
Hendrik ontwikkelde zich tot een belangrijke hoveling van Willem II van Holland. Hendrik wordt vermeld als getuige in een aantal aktes van Willem en deed zelf enkele schenkingen (onder andere aan de Duitse Orde).
Rond 1250 kocht hij van Willem gronden ten noorden en oosten van Rotterdam en gaf die uit aan leenmannen. In 1254 bevestigde hij de leenrechten van zijn broer Hugo, heer van Heenvliet. 
van Voorne, Burggraaf van Zeeland Hendrik (I3421)
 
1242 Hendriks verdere regering werd bepaald door de opkomende macht van Normandië en diplomatie met Duitsland. In 1043 was een eerste bespreking met keizer Hendrik III te Carignan (Ardennes), over diens huwelijk met Agnes van Poitou. In 1048 was er een tweede bespreking met Hendrik te Carignan. Een jaar later kwam Hendrik in conflict met de paus. Hendrik verbood zijn bisschoppen om een concilie te Reims bij te wonen maar de bisschoppen die hem gehoorzaamden werden afgezet of geëxcommuniceerd. In 1056 had Hendrik een derde bespreking met keizer Hendrik te Carignan. Hierbij maakte Hendrik aanspraken op het hertogdom Lotharingen en daagde de keizer zelfs uit tot een tweegevecht om de kwestie te beslissen. Keizer Hendrik vertrok echter bij nacht in het geheim uit Carignan, en bleef gewoon leenheer van Lotharingen.
Huwelijk van Hendrik en Anna (miniatuur uit een 14e-eeuws manuscript).

Hendrik steunde in 1047 nog de jonge Willem de Veroveraar, zoon van zijn oude bondgenoot Robert, tegen zijn opstandige vazallen in de slag bij Val-ès-Dunes bij Caen. Hierdoor wist Willem definitief het gezag over zijn hertogdom te vestigen. Na zijn huwelijk met Mathilde van Vlaanderen, werd Willems positie echter zo sterk, dat hij een bedreiging werd voor Hendrik. In 1054 trok Hendrik op tegen Normandië, maar werd verslagen toen de Normandiërs bij nacht het Franse kamp bij Mortemer (Seine-Maritime) overvielen. In 1057 deed Hendrik een tweede poging om Willem te onderwerpen, maar bij Varaville werd Hendrik door Willem verslagen, doordat die handig gebruik wist te maken van de rivier en het moeras in het landschap. 
van Frankrijk, Hertog van Bourgondië Hendrik I (I14605)
 
1243 Herbaren I was de stamvader van het huis Ter Leede. Hij werd als getuige genoemd bij een samenkomst van Hardbertus, bisschop van Utrecht in 1143; mogelijk ging het hier om de doping van Herbaren. In een Hollandse kroniek wordt hij beschreven als Harbernus de Liethen, mogelijk gaat het over een vorm- of drukfout, want Liethen verwijst naar de oude benaming van Leiden. Onder zijn leiding werd mogelijk het Mottekasteel gebouwd dat bij het recht van ter Leede stond (enkele kilometers ten zuiden van Leerbroek). Wordt genoemd als ambachtsheer van Haastrecht. van der Lede, Heer van Ter Leede Herbaren I (I14557)
 
1244 Herbaren II van der Lede (geboren Langerak c.1205 – voor 1258) was heer van Ter Leede en vanaf 1234 heer van Arkel (Arcelo) en het omringende land. Hij wordt op de volgende manieren genoemd; Herbaren II van der Leede (Herbertus, Harbertus; De Leide, De Leda, De Ledhe, Van der Lede) in diversen kronieken.
Hij was een zoon van Floris Herbaren van der Lede (Zie 14b), die de heerlijkheid Lede bezat (nabij het hedendaagse Leerdam).

Nadat Jan VII van Arkel sneuvelde op 24 juni 1234 erfde hij de heerlijkheid Arkel, omdat hij uiteindelijk ook afstamde uit het huis van Arkel.

Herbaren ging zich tussen 1243 en 1253 heer van Arkel noemen en liet zijn domein Ter Leede na aan zijn jongere broer Jan. Hiermee werd Herbaren de stamvader van het huis Arkel. In 1227 wordt Herbaren geridderd (wordt genoemd onder de ‘Nobilis’), enneemt met de Utrechtse bisschop Otto van Lippe deel aan de Slag bij Ane, de slag verloopt dramatisch maar Herbaren weet te ontkomen. In 1230 krijgt hij het leengoed Heukelom toegewezen en werd hij ook genoemd als heer van Liesveld en Nieuwpoort. In 1251 is hij betrokken bij ontginningswerk in de Alblasserwaard en Krimpenerwaard om het land van Arkel uit te breiden. Herbaren huwde met Aleida van Heusden dochter van Jan III van Heusden 
van der Lede, Heer van Ter Leede Herbaren II (I3420)
 
1245 Herberg 'sLants Welvaren naast het Hof van Honselersdijk.
Cornelis Cornelisz van Rijn was tot 8-5-1659 waard in de herberg sLants Welvaren te Honselersdijk.
De herberg ligt linksonder op de kaart. De herberg werd in 1706 bevorderd tot hofherberg. De naam van de herberg is later veranderd in 'Het Wapen van Oranje'. De herberg verhuisde later naar de stalling ernaast (het huidige Café Bij 't Hof).

1641 Schipper te Loosduinen. 1652 Herbergier in Honsholredijk. Koopt 26/5 1633 huis en erf in Poeldijk. Koopt 13-5-1636 in Loosduinen Herberg De Witte Swaan geheten, wat hij 22-5-1641 weer verkoopt. Woont 22/8 1642 in Honselersdijk. In 1653 is hij Sergeant bij de Weerbare mannen. Doet 13/4 Deed 13-4-1659 belijdenis in de NH Kerk te Naaldwijk. Verkoopt 16/8 1684 met z'n broers uit de nalatenschap van hun moeder Huis en erve te Wateringen. Belendingen Oost en Noord De Pastorie, Noord enWest Jan Gisberts v.d.Loots, Z de Heerenstraat, belast met 'n capoen van 7 st.-8 pn voor Syne Hoogheit de Prins van Oranjen, 2 st. 8 pn en 3 st. 12 pn.toekomende aan de Kerk van Wateringen, en 7 st. 8 pn. toekomende aan de armen van Wateringen. Koopt en verkoopt nogal wat huizen en lijkt een soort makelaar. Maakt 6/4 1658 testament zijn kinderen zijn dan: Elisabeth 21 jr, Cornelis 20 jr., Jan 18 jr, Hendrick 13 jr., Pieter 10 jr. oud 
van Rijn, Cornelis Cornelisz (Sr) (I8675)
 
1246 Heren van Strijen en Zevenbergen
Strijen is de oudste gemeente in de Hoeksche Waard. De plaats en zijn omgeving kennen een lange geschiedenis. Van 1167 tot 1459 maakte Strijen deel uit van de Heerlijkheid Strijen en Putten. Uiteindelijk werd zij als Strijensche Waard in de Zuid-Hollandse Waard opgenomen. De naam Strien is afkomstig van de gelijknamige rivier, een belangrijke handelsroute tussen de grote rivieren Schelde, Maas en Rijn.
De heerlijkheid Strijen was waarschijnlijk aanvankelijk een allodiale (onafhankelijke) heerlijkheid, die later deel uitmaakte van het graafschap Holland. 
van Striene, Wilhelmus (I2390)
 
1247 Hermannus koopt uit erfenis van Alida Nibbeling 13 visschersschuiten van Kouwenhoven Pals, Hermanus (I12697)
 
1248 Het Armengesticht van Breenen, Melis Petersen (I4142)
 
1249 Het geslacht Coebel klom op van een boerengeslacht onder Eikenduinen tot een familie van Vooraanstaande ambtenaren in het Hollandse Landsbestuur. Coebel, Baerthout Pietersz (I3485)
 
1250 Het graafschap Holland was een graafschap waarvan het gebied uiteindelijk ongeveer overeenkwam met de provincies Noord- en Zuid-Holland zonder de Zuid-Hollandse eilanden en met de eilanden Terschelling, Vlieland, Urk en Schokland, die later zijn overgeheveld naar andere provincies. Datzelfde geldt voor het Land van Heusden en Altena dat vanaf 1813 behoort bij de provincie Noord-Brabant. Van een ‘graaf van Holland’ is voor het eerst sprake rond 1100 als graaf Floris II van Holland zichgraaf van Holland noemt. Met de dood van Jan I in 1299 stierf diens dynastie: het “Hollandse Huis” uit en sindsdien waren de graven van Holland steeds afkomstig van buiten het graafschap: achtereenvolgens het huis Avesnes (Henegouwen), het huis Wittelsbach (Beieren), het huis Valois (Bourgondië) en het Habsburgse huis.

De Gerulfingen waren de familie van de eerste graven van West-Frisia en Holland en Zeeland. De naamgever was Gerulf I. Er zijn hypotheses die veronderstellen dat hij afstamde van de Friese koning Radboud († 719). Deze dynastie staat ook bekend als het Hollandse Huis en eindigde met de dood van Jan I van Holland in 1299. 
van Holland, Gerulf I (I2368)
 

      «Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 ... 11» Volgende»



Snelle Links

Contact

Contact
Achternamen
Historie

Bericht Webmaster

Ik doe er alles aan om het onderzoek te documenteren. Als u iets heeft dat u zou willen toevoegen, neem dan contact met mij op.